Verhalenwevers #19 Blad, steen, schaar

op 25 februari 2018 door

Evi F. Verhasselt is een schrijfster uit Antwerpen. Vanaf het moment dat ze kon lezen zat ze met een boekje in een hoekje en op haar twaalfde was ze van mening dat het toch niet zo héél moeilijk kon zijn om een boek te schrijven. De matrix-printer gaf de geest en het internet werd uitgevonden, waarna Evi haar korte verhalen via diverse digitale platformen de wereld instuurde. 
In 2006 werd haar verhaal Mij rest slechts de stilte opgenomen in de bundel Een gebloemde lezing en in datzelfde jaar publiceerde ze de novelle De Gevangene van het Licht. Een jaar later zond ze Bloedmoeder in voor de Paul Harland Prijs en werd 22ste. Ondertussen schreef Evi door aan verhalen die steeds langer werden, en in 2013 zag haar eerste boek De Tranen van Tataneh het levenslicht. Het boek werd negende bij de Hebban Fantasy Awards van 2014. Twee jaar later werd De Saffieren Troon gepubliceerd, het eerste deel van haar fantasyepos De Laatste Erfgenaam
Evi verzamelt fantasy uit de jaren '70 en '80, test af en toe Jamie Oliver-recepten uit in de keuken, praat ongegeneerd met haar kat en is een kei in het onderhouden van plastic kamerplanten. Je komt haar ook geregeld op fantasyfestivals tegen. 

Blad, steen, schaar

Blad, steen, schaar,
wiezewiezewieze.
Wie is de winnaar?
Kiezen is verliezen.

Loke zong het kinderliedje zachtjes voor zich uit. Het zeurderige melodietje hield de demonen en de duisternis op een afstand, of dat geloofde hij toch. Het was laat geworden, maar nu de regen langs zijn nek naar beneden droop en zijn schoenen wegzonken in de natte aarde, had hij spijt dat hij de binnenweg over het kerkhof genomen had. Hij stak zijn handen in zijn zakken en liep stug door. Thuis was er soep, brood en een warm haardvuur.
"Blad, steen, sch..." Een vreemd geluid deed hem verstijven.
"Hallo?"
Er kwam geen antwoord. Was het de wind geweest? Een krolse kater? Nee, daar had je het weer. Het was nauwelijks hoorbaar boven het gespetter van de regen op de gedenkstenen, maar wat hij hoorde was onmiskenbaar het gehuil van een baby. Zonder nadenken versnelde hij zijn pas en stopte abrupt bij een open put waarin lichamen op elkaar gegooid waren als sprokkelhout. Het gejengel kwam van beneden, besefte Loke vol afgrijzen. Ergens onder die hoop dode lichaamsdelen lag een baby. Loke aarzelde geen moment en trok zijn sjaal tot over zijn mond, nam de spade die langs de kant klaar stond en stak die stevig in de grond als houvast. Vervolgens daalde hij voorzichtig af in het graf, een hand vastgeklemd om de steel van de spade, zijn voeten balancerend op de vlezige borst van het bovenste lichaam. Er kraakten ribben en Loke voelde een koude rilling over zijn rug. Het was maar een hoop dood vlees, hield hij zich voor, voedsel voor het hout. Hij keek omhoog naar de rand van het graf en floot het kinderwijsje voor zich uit. Nee, de doden zouden hem geen kwaad doen, en demonen bestonden alleen in verhaaltjes. Toch? Loke keek neer op de lichamen, zijn ogen zochten naar een spoor van de baby. Zag hij daar wat bewegen? Behoedzaam verzette hij een voet, waarop hij prompt weggleed, tussen de lichamen door, tot hij omringd was door rottend vlees en de muffe geur van vochtige aarde. Happend naar adem probeerde Loke zich vrij te worstelen. Iets trok aan zijn benen. Iets probeerde hem mee de diepte in te sleuren! Demonen, flitste het door hem heen, en een golf van paniek overweldigde hem. Hij trapte hard met zijn voeten, raakte iets stevigs en vond houvast. Dit was zijn kans. Zijn enige kans. Loke slaakte een dierlijke kreet, zijn handen grepen naar wat ze maar konden te pakken krijgen en met de moed der wanhoop trok hij zich omhoog.

Hijgend lag hij languit op de hoop doden. Boven hem trok de hemel langzaam open. Enkele laatste regendruppels vielen op zijn verhitte gelaat en Loke prees zichzelf gelukkig. Het was op het nippertje geweest, maar de demonen hadden hem niet te pakken gekregen.
Een zacht gejengel herinnerde hem eraan dat hij niet voor niets in het graf was afgedaald. Hij draaide zich om en kroop op handen en voeten naar het geluid toe.
De baby lag half onder een lijk, bedekt door modder en dingen die Loke liever niet wilde benoemen. Het gehuil klonk steeds zieliger, alsof het kind klaar was om het op te geven. Loke tilde de ingebakerde baby uit de omarming van de doden en hield het bundeltje dicht tegen zich aan, waarop het zeurderige wenen stopte. Alsof dat het signaal was, schoof een wolk opzij en maakte plaats voor een heldere, volle maan.
"Jij bent sterk, kleintje."
Loke trok voorzichtig het dekentje weg waarin de hummel gewikkeld was en onderdrukte een vloek. Groen. De huid van het kind was mosgroen. Nee, vlekkerig groen of eerder... lichtgroen als varens in het zonlicht, of... Hoe langer Loke keek, hoe bleker het kind werd, tot het babyhuidje net zo roze was als het hoorde te zijn. Even vroeg hij zich af of hij zich alles had ingebeeld, maar dat gevoel schudde hij snel van zich af. Hij wist wat hij gezien had en dat hij er niet bang voor hoefde te zijn. Hij was opgegroeid met verhalen over wezens in het woud die pasgeborenen omwisselden voor hun eigen soort. Volgens de mensen in de stad waren zulke wisselkinderen vervloekt, maar Loke wist beter. De Kinderen van het Blad brachten geluk en voorspoed met zich mee, en er werden grootse verhalen over hen verteld. Het was geen toeval geweest dat hij die avond de weg over het kerkhof genomen had. Hij was voorbestemd geweest het kind te vinden. Dat moest wel.
"Zo," fluisterde Loke tegen het kind, "dus jij werd gezegend door het Blad? En wat zal je later worden? Een wilg die buigt met de wind, een zomereik die beschutting biedt of een ijzerboom die elke storm trotseert?"
Hij liet het kind op zijn vinger zuigen, waarna de hummel een tevreden geknor liet horen.
"Ik hoop het laatste." Hij dekte de pasgeborene weer toe, en gebruikte zijn jas om het kind tegen hem aan te binden, zodat hij zijn handen vrij had. De klim uit de put leverde hem verschillende beurse plekken en schrammen op, maar uit het bundeltje kwam geen enkel geluid van protest.
Zodra Loke boven was, keek hij of het kind in orde was. Een paar heldere ogen keek naar hem op en meteen was alle angst en pijn vergeten. Loke voelde zich net zo gelukkig als bij de geboorte van zijn eigen kinderen.
"Ik denk dat ik je Aska noem, naar de asse die bij het ochtendgloren bijna dood is, maar nog net genoeg leven bevat om weer opgerakeld te worden. Jij bent de sintel die elk vuur kan ontsteken en, bij het hout, ik hoop dat je een meisje bent, want anders zal ik iets heel anders moeten verzinnen."

De grot schudde en beefde. Aska had nog geen duim bewogen. Om haar heen viel steeds meer steengruis van het plafond en de roep van de golems dreunde door haar heen.
"Dood ze, dood ze, dood ze."
Het was zo gemakkelijk om zich over te geven aan die onweerstaanbare roep, een te worden met de groep en alles los te laten. Haar enige houvast was Soma. Alleen de kracht van zijn liefde was sterk genoeg om de duistere kracht in haar te onderdrukken.
"Kijk naar me," fluisterde ze, maar zijn azuurblauwe ogen keken doods in het niets, terwijl Noturis grijnzend de tube met bloed op de tafel legde.
Ze balde haar handen tot vuisten, vocht tegen de blinde woede en de stem die haar riep, verleidde en dwong. "Dood ze!"
Aska sloot haar ogen en ademde diep in en uit. Blad, steen, schaar... Onwillekeurig neuriede ze de melodie, alsof dat de donkere wolk die haar dreigde te overweldigen op een afstand kon houden. Ze had kracht nodig, en als Soma haar die niet kon geven, dan moest ze die in zichzelf zoeken. Ze was geen golem. Wilde geen golem zijn. Ze dook in zichzelf, op zoek naar iets dat ze enkel kende uit haar dromen. Diep onder de beschermende, donkere laag wintergroen vond ze een zaadje van kracht. Het was fris en groen als de lente, maar net zo taai als de jonge loot van een ijzertwijg en het wachtte geduldig op het juiste moment om te ontluiken. Ze reikte ernaar en meteen riep een gevleugelde stem haar toe, warm en uitnodigend, maar net zo onwrikbaar als de roep van de golem. "Kies!"
Aska glimlachte en richtte haar blik weer op Soma. Ze had lang geleden al gekozen en vrede gesloten met wat ze daarmee zou verliezen. Blad, steen, schaar... Er waren geen echte scharen meer, alleen imitaties van steen en glas. Het was een dom liedje en een nog dommer spelletje waarin alleen het hout kon winnen.
"Hé, Noturis."
De wetenschapper legde de tube met het bloed van Soma op de tafel en keek verstoord op. Zijn sik stak pedant de lucht in.
"Wat?"
"Kies. Blad, steen of schaar?"

Aan alle mooie dingen komt een eind. Dit is alweer de een na laatste aflevering van Verhalenwevers. Over twee weken zal Roderick Leeuwenhart, die het verhaal zo sterk opende, ook het spetterende einde voor jullie schrijven. Dus ga alvast op het puntje van je stoel zitten!



Reacties op: Verhalenwevers #19 Blad, steen, schaar

Meer informatie

Gerelateerd

Over

Evi F. Verhasselt

Evi F. Verhasselt

Ik woon in Antwerpen, waar ik samenleef met een toetsenbordtapijtje dat de naam...

Gesponsorde boeken