Ted H.P. de Wolf: “Ik houd van tegenstellingen en spiegelingen in een verhaal.”

op 20 november 2021 door

De Tweede Wereldoorlog houdt ons nog altijd bezig. Denk even aan Mijn beste vriendin Anne Frank, de in februari 2021 uitgebrachte Nederlandse film, die werd geregisseerd door Ben Sombogaart. En natuurlijk de roman ’t Hooge Nest van Roxane van Iperen. Naar aanleiding van haar boek kwamen er tal van getuigenissen, brieven en reacties bij haar binnen. Die werden onlangs gebundeld in Brieven aan ’t Hooge Nest. Ook over andere aspecten van de Tweede Wereldoorlog werd veel gepubliceerd. Het zijn vaak de persoonlijke verhalen die de oorlog dichterbij brengen, invoelbaarder maken. Ted H.P. de Wolf vertelt in zijn debuutroman Dwangarbeid in Duitsland het waargebeurde verhaal van zijn vader over de Arbeitseinsatz. Vanaf mei 1943 werd die officieel in Nederland ingevoerd en tot aan het eind van de oorlog werden Nederlanders in Duitsland tewerkgesteld. Dat was nodig omdat veel Duitse mannen in het leger streden en dus niet in bijvoorbeeld toeleverende fabrieken voor de (oorlogs)industrie konden werken. Aanvankelijk moesten alle mannen tussen de achttien en de vijfendertig jaar zich melden. Velen doken onder of probeerden een vrijstelling te krijgen. Van de anderhalf miljoen beoogde Nederlanders werd uiteindelijk een derde tewerkgesteld. 30.000 van hen kwamen nooit terug. Over Dwangarbeid in Duitsland, een verhaal dat onder je huid gaat zitten, sprak ik met de auteur.

Over de auteur:

Jacobus Leonardus (Koos) de Wolf volgde zijn vader op in het horlogevak en heeft decennialang een optiek-juwelierszaak gevoerd in Delft en in Nootdorp. Hij heeft levenslange vriendschappen overgehouden met enkele mannen die hij tijdens zijn dwangarbeid heeft leren kennen. In 2019 is Koos overleden. Hij werd 97 jaar. Ted H.P. de Wolf is de jongste zoon van Koos de Wolf. Nauwgezet heeft hij de verhalen van zijn vader over diens Duitse jaren opgetekend. Daarnaast heeft hij veel onderzoek ter plaatse verricht. Dwangarbeid in Duitsland is zijn debuut. Op dit moment werkt hij aan zijn tweede roman.

Inhoud:

In mei 1943 vertrekt Jacobus Leonardus (Koos) de Wolf naar Duitsland. Hij is opgeroepen voor de Arbeitseinsatz en heeft daaraan gehoorgegeven om zijn familie niet in gevaar te brengen. Hij wordt tewerkgesteld bij Daimler-Benz in Sindelfingen, een stadje op zo’n 20 km van Stuttgart. Koos deelt zijn barak onder andere met de flamboyante Rotterdammer Dick Binnendijk, de latere impresario van Toon Hermans. Het werk is zwaar en binnen drie weken weet hij eronderuit te komen. Hierna wordt hij tewerkgesteld in een klokkenfabriek. Hij vindt onderdak in het nabijgelegen Böblingen waar hij een relatief aangenaam leven leidt. Regelmatig keert hij terug naar het lager bij Daimler. Daar verkoopt hij voedselbonnen aan zijn vroegere lotgenoten. Alles lijkt hem voor de wind te gaan, totdat ook Koos wordt geconfronteerd met de verschrikkingen die met de oorlog gepaard gaan.

Door: Jan Stoel

Foto's: Archief Ted de Wolf

021601e31e7b8f83d19a2074a8471dbb.jpg

De cover is een blikvanger. Die lachende man: alsof het een pretje is om op dwangarbeid te gaan. Waarom heb je voor deze cover gekozen?

“Het beeld is uit 1942. Het was een wervingsposter om jongemannen over te halen in Duitsland te werken. Toen dat niets opleverde ging men over tot dwingende maatregelen tot aan razzia’s toe. Hoe fout het affiche ook was, de illustratie is van een grafische schoonheid waar ik niet omheen kon. Voor niemand was het een pretje om in nazi-Duitsland dwangarbeid te verrichten en toch zie je een blij man op de cover. Juist die contradictie spreekt me aan. Het reflecteert enigszins het verhaal van mijn vader die het voor zichzelf prima had geregeld en toch begaan was met zijn kameraden in het lager die het veel slechter hadden. Het idee komt overigens van mijn oud-compagnon Eric Caspers met wie ik jarenlang in Rotterdam een grafisch ontwerpbureau heb bestierd.”

 

Wat was voor jou de aanleiding om het verhaal over je vader op te gaan schrijven?

“Mijn vader vertelde vroeger veel over de oorlog. Wellicht omdat we toentertijd vrijwel iedere herfstvakantie in Duitsland doorbrachten bij zijn oude Rotterdamse vrienden die hij in die tijd in Duitsland heeft leren kennen en die beiden na de oorlog met een Schwäbisch meisje zijn getrouwd. Hoe ouder ik werd, hoe meer ik ging vragen over de tijd die hij in Duitsland tewerkgesteld was. Dat hij allerlei voorvallen nog in detail kon vertellen, was de aanleiding om dat op schrift te stellen. Pas later ontstond het idee om al die notities om te zetten in een lopend verhaal.”

 

Kun je iets vertellen over je werkwijze?

“Mijn aantekeningen heb ik om te beginnen op een tijdslijn geplaatst voor het overzicht. Belangrijke gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld het bombardement op Böblingen, heb ik nagezocht op het internet en later in de archieven. Met name het bezoek aan het archief van de Mercedesfabriek in Stuttgart leverde interessante gegevens op. De laatste levensjaren van mijn vader heb ik bandopnames van onze gesprekken gemaakt, die ik weer heb uitgeschreven. Ik had na verloop van tijd een schat aan informatie.”

 

Wat deed het onderzoek met jou zelf?

“Het was fascinerend om te ontdekken dat een bepaalde herinnering van mijn vader klopte met stukken uit het archief. Door een voltreffer tijdens het bombardement op Sindelfingen in september 1944 op een zogenaamde Splitterschutzgraben (wat je zou kunnen vergelijken met een eenvoudige schuilkelder) op een pleintje midden in de stad waren enkele mensen op gruwelijke wijze om het leven gekomen. Mijn vader heeft dat kort na de aanval met eigen ogen aanschouwd. Op precies die plek is een monument geplaatst ter nagedachtenis aan de slachtoffers, waaronder een meisje van nog geen twee jaar oud. Tijdens mijn laatste bezoek aan de stad heb ik de plek bezocht. Het leek bijna of ik terug in de tijd kon stappen.

Een luchtopname gemaakt door de Amerikaanse airforce een week na het bombardement liet een volledig verwoeste fabriek van Daimler zien met honderden bominslagen in en om het complex. Het idee dat mijn vader op het moment van de opname zich in een gebouw (de Suevia fabriek) bevond dat ik kon aanwijzen, ontroerde me.”

 

Je vertelt het verhaal van je vader in de derde persoon. Daartussen staan delen in de ik-vorm waarin je zelf aan het woord bent. Waarom heb je voor deze structuur gekozen?

“Ten eerste om een duidelijk onderscheid te maken tussen mijn eigen ervaringen en die van mijn vader. Het geeft ook de zoektocht weer naar de sporen van mijn vader in Duitsland.”

 

Waarom leent de romanvorm zich voor jou beter dan bijvoorbeeld een non-fictie boek?

“Ik wilde mezelf onderdompelen in de ervaringen van mijn vader. Had ik non-fictie geschreven, dan zou in mijn perceptie het verhaal veel afstandelijker zijn geworden. Door veel met dialogen te werken, had ik het gevoel er zelf bij aanwezig te zijn. Op die manier kon ik veel meer in detail vertellen en veel dieper in de psyche doordringen van de mensen om hem heen en uiteraard in die van mijn vader. Ik vraag me af of ik voor die aanpak had gekozen als de protagonist niet mijn vader was geweest.”

 

Als je dan je verhaal hebt, moet je een uitgever zoeken. Was dat eenvoudig?

“Verre van. Beter gezegd bijna onmogelijk. Ik had destijds het geluk om door Paul Sebes, een literair agent, te worden uitgenodigd op basis van een aantal pagina’s dat ik had ingestuurd. Dat bevestigt dat je kan schrijven, maar dat staat nog mijlenver van te worden uitgegeven. De samenwerking is op niets uitgelopen. In mijn naïviteit dacht ik dat ik zelf wel eventjes een uitgever kon vinden, ik kon ten slotte schrijven. Ik heb zo vaak nul op het rekest gekregen dat ik er moedeloos van werd. Uiteindelijk ben ik gestopt met mijn verhaal. Het is aan uitgever Eus Wijnhoven te danken dat ik de pen weer ter hand heb genomen. Hij vertelde me dat, wanneer je als debutant de vijftig bent gepasseerd, de kans om te worden uitgegeven nul is. Met dat gegeven is hij uitgeverij GiST begonnen voor mensen die op latere leeftijd hun stem hebben gevonden. Ik ben hem eeuwig dankbaar.”

 

En dan begint het proces van schrappen, schaven, herschrijven, passages weggooien. Dat lijkt me moeilijk bij zo’n persoonlijk verhaal. Of niet?

“Dat is verschrikkelijk, te meer daar ik oorspronkelijk de eerste levensjaren van mijn vader uitgebreid had beschreven. Hoe zijn vader - mijn opa - vanuit Groningen in Delft was neergestreken en zich het horlogevak eigen maakte. Ik vond het zelf machtig interessant, wat een slecht criterium bleek. Ik vermoedde achteraf dat die hoofdstukken geen weerklank vonden bij de uitgevers en daar begon nou juist mijn verhaal mee. Na verloop van tijd besefte ik dat die hoofdstukken eruit moesten. Al het onderzoek was voor niets geweest. Aanvankelijk kortte ik teksten in en schrapte hele passages, maar dat waren slechts de laatste stuiptrekkingen. Uiteindelijk ging alles overboord.”

 

Je hebt het niet alleen over wat Nederlandse dwangarbeiders overkwam (hun angst, de saamhorigheid, het gemis van thuis, het zoeken naar ontspanning, de steeds nijpender wordende omstandigheden), maar ook over hoe Duitsers zich voelden. Ook daar was angst. Ik denk aan horlogemaker Früh die alles van waarde in zijn kelder inmetselde. Subtiel snijd je een aantal kwesties aan, zoals het vermoorden van geestelijk beperkte mensen en de ontreddering van moeders van wie de echtgenoot sneuvelt. Het lijkt alsof je op deze manier evenwicht zoekt in het verhaal.

“Dat evenwicht kwam bijna als vanzelf. Uit de verhalen van mijn vader kwam ook het leven van de gewone Duitser naar voren. Ik vond dat van belang om te vertellen. In de meeste boeken over de Arbeitseinsatz komt dat aspect nauwelijks aan bod. Veel Duitsers probeerden in de oorlog hun tijd zo goed mogelijk door te komen. Kritiek op de oorlog of de nazipartij stond gelijk aan opsluiting in het concentratiekamp. De meesten waren het tegen het einde helemaal zat, alhoewel ze wisten dat het geen pretje zou worden als de Amerikanen het land eenmaal waren binnengevallen. De echte nazi’s bleven fanatiek tot het eind. De zaak was allang verloren, maar van opgeven was geen sprake. Dat heeft nog onnodig veel levens gekost, waaronder ook dat van talloze burgers.”

115625c8bf24bcd4d6d6fc30539b9299.jpg

Je werkt ook regelmatig met tegenstellingen. In de twee verhaalstructuren zet je heden en verleden tegenover elkaar. Tegen het eind van de oorlog gaat het gerucht dat Hitler nieuwe wapens gaat inzetten. Daar zet je de Volkssturm tegenover. Aan het eind van de oorlog bijvoorbeeld: alle Duitse mannen van 16 tot 60 jaar werden opgeroepen wat een van hen de uitspraak ontlokt: “Wij oude apen zijn Hitlers nieuwe wapen.” En zo zegt de hospita van Koos: “We vrezen het einde, waar we vreselijk naar verlangen.” Waarom die tegenstellingen?

“Ik houd van tegenstellingen. Het benadrukt datgene wat je wilt overbrengen. Zwart is nog zwarter met alleen maar wit eromheen. Het feit dat mijn vader naar het restaurant ging, nadat hij in het lager had vernomen dat zijn lotgenoten van het eerste uur op rantsoen werden gezet, is een stuitende tegenstelling die echter feilloos weergeeft hoeveel beter mijn vader het had. Nog mooier vind ik spiegelingen in een verhaal. De treinreis in het heden weerspiegelt de reis in 1943. Dat gegeven komt ook terug bij de geestelijk gehandicapte jongen.”

 

Je schrijft: “Mijn vader koesterde geen wrok tegen de Duitsers. Misschien omdat hij zijn tijd zo goed was doorgekomen, wellicht meer nog omdat hij het onderscheid kon maken tussen fanatieke nazi’s, meelopers, opportunisten en burgers die de oorlogstijd ongeschonden probeerden uit te zitten.” Aan de andere kant (weer die tegenstelling) verliest Koos zijn lief, zijn vrienden en heeft hij na de oorlog nauwelijks meer contact met hen, heeft ze uit het oog verloren. Wat heeft dat met hem gedaan? 

“De enigen met wie hij langdurig contact heeft onderhouden zijn Rinus van Aalst en Herman van Munster, beiden teruggekeerd naar Duitsland vanwege de liefde. Hoe slecht Rinus het ook heeft gehad in de oorlog, het weerhield hem niet om, net als Herman, te trouwen met een Schwäbische. De meeste jongens in Nederland spraken niet over hun tijd in Duitsland, veelal uit schaamte. In Nederland werd hen verweten dat ze voor de vijand hadden gewerkt. Sommigen hebben het dermate slecht gehad, dat ze die tijd zo snel mogelijk wilden vergeten. Tijdens en na de opbouw van het verwoeste vaderland waren verhalen over de heldendaden en het verzet veel interessanter. Pas enkele decennia later kreeg men oog voor al die jongens die gedwongen tewerk waren gesteld.”

 

Het ritme in je verhaal viel me op. Je schrijft korte hoofdstukken, bijna scenisch van karakter. Er zit versnelling in je verhaal. Naarmate de situatie verslechtert voor Koos gaat het tempo van vertellen ook omhoog en voel je de beklemming. Daar zet je dan de wat rustiger reflectiedelen van de ik-persoon tegenover. Hoe pak je zoiets aan?

“Ritme is de allerbelangrijkste pijler van je verhaal. Ritme in de zinnen is de bepalende factor of een boek ‘lekker leest’. Maar ook over het geheel bekeken: na bijvoorbeeld een verwoestend bombardement schep je rust, je laat de lezer even op adem komen. De ik-persoon brengt de rust en geeft iets bloot van de zoektocht naar aanknopingspunten die zijn vader hem gegeven heeft. Dat proces van het onderzoek vond ik interessant om weer te geven met ook hier weer de spiegeling van heden en verleden, zoals beiden in hun eentje in Stuttgart rondwaren en zich verwonderen over datgene wat ze tegenkomen.”

 d20bd9d06cd3205d525778642e5d5916.jpg

“Je schrijft in feite sober en je bent zuinig met metaforen of bloemrijke taal. Maar op de momenten dat het past komt er weer een sterke formulering. Op de binnenflap staat misschien wel de mooiste: “Als hij na het eten thuiskwam was het heerlijk om nog een wandeling te maken. Je liep de straat uit en had met het strijklicht van de avondzon een prachtig uitzicht over de velden en het bos richting Holzgerlingen. Soms kwam hij Schuster tegen wanneer die bezig was in zijn tuin. Pas als het echt ging schemeren zocht hij de beschutting van het huis weer op. Een keer was hij op de open vlakte gebleven tot na zonsondergang. Liggend op zijn rug had hij naar de honderden sterren gekeken in de wetenschap dat deze idylle ruw verstoord zou kunnen worden door het luchtalarm met de daaropvolgende formaties bommenwerpers. Maar er gebeurde niets. Een uur lang was hij zo blijven liggen, mijmerend over de tijd die achter hem lag en fantaserend over de tijd die komen zou.” Het ademt spanning, onzekerheid. Hoe doe je dat toch? Geef ons eens een blik in de keuken.

“Hoe legt een chef uit hoe hij zo lekker kookt? De passage die je aanhaalt, geeft het misschien wel het beste weer. Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden tel je hierin? Een paar slechts. Een beschrijving van een situatie of een gemoedstoestand moet niet afhankelijk zijn van allerlei bijvoeglijkheden, die het mooier, beter, interessanter, toegankelijker of beeldender moeten maken. Je merkt de bijvoeglijke naamwoorden voegen niets toe, je kan die bijzin weglaten en er staat hetzelfde. Onderschat ook de verbeeldingskracht van de lezer niet. Je hoeft hem slechts aan de hand te nemen en – in dit geval - de straat uit te lopen. Geleid hem, laat zien wat jij ziet.

Ik ben zuinig met metaforen en vergelijkingen, omdat het vaak te nadrukkelijk probeert te verbeelden wat de schrijver nou precies bedoelt. De lezer stopt, laat je hand los en gaat nadenken. Weg is de vaart in het verhaal. Het remt en je moet opnieuw in het ritme komen. Vergelijkingen zijn zelden een goede toevoeging, alhoewel een treffende vergelijking een verrijking is. De mooiste ooit komt van Simon Carmiggelt: ‘De glimlach viel als een plaksnor van zijn gezicht.’”

 



Reacties op: Ted H.P. de Wolf: “Ik houd van tegenstellingen en spiegelingen in een verhaal.”

Meer informatie

Gerelateerd

Over

Gesponsorde boeken