Verhalenwevers #10 In het rijk van de steenvorsers

op 22 oktober 2017 door

Johan Klein Haneveld schreef als kind al zijn eigen verhalen. Tijdens zijn studie Biomedische Wetenschappen in Leiden stond het schrijven op een laag pitje, maar hij bleek toch niet zonder te kunnen.
In 2001 verscheen zijn eerste boek, de SF-thriller Neptunus. Zijn uitgever vroeg hem in 2002 het actieboek voor de maand van het spannende boek van de christelijke uitgevers te schrijven. Dit resulteerde in de titel Het wrak.
Vervolgens worstelde Johan Klein Haneveld zo met stress dat hij nauwelijks aan schrijven toekwam. Pas toen hij in 2012 kampte met wondroos, drong het besef door dat juist schrijven verlichting bracht van de stress. De verbeelding stroomde weer, de ziekte bleef weg.
In 2013 werd Neptunus opnieuw uitgegeven, samen met het vervolg De derde macht. In 2016 volgde De krakenvorst boek I: Keruga, het eerste deel van een fantasyduologie. Het tweede deel, Kartaalmon, verschijnt naar verwachting in december van dit jaar.
Ook als auteur van korte verhalen timmert Klein Haneveld aan de weg. Hij won de wedstrijd Trek Sagae in 2014 en publicaties van zijn hand waren al te lezen in onder andere de tijdschriften SF Terra, The Flying Dutch en de bundels Edge Zero en Ganymedes.
Klein Haneveld is eindredacteur van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Hij is een fervent lezer en hoe kan het ook anders, hij leest met name graag fantasy en sciencefiction. Samen met zijn vrouw woont hij in Delft waar hij geniet van het verzorgen van zijn vier aquaria en dwerghamster Dipper. Je kunt hem tegen het lijf lopen tijdens een bezoekje aan een dierentuin, fantasyfestival, stripbeurs of museum. Ook op Facebook kun je deze sympathieke auteur tegenkomen.
In zijn bijdrage aan Verhalenwevers komt zijn liefde voor sciencefiction en de biomedische wetenschappen duidelijk naar voren. 

In het rijk van de steenvorsers

Soma schrok wakker. Zijn hart ging zo tekeer dat zijn schouders bij elke slag leken mee te trillen. Vlak voor hem bevond zich een stapel as met zwarte stukjes erin. Er gloeide ondertussen niks meer. 
Het had lang geduurd voor hij genoeg takken had gevonden voor een vuur. En nog langer voor hij zich ervan had overtuigd dat ze werkelijk dood waren. Nu was er zelfs geen rood glimmertje overgebleven. Hij was doodop geweest. Maar hij had niet durven slapen. Dus was hij bij de vlammen gaan zitten, zijn armen om zijn opgetrokken knieën geslagen, terwijl hij staarde naar het spel van gele en oranje slangen, tegen het zwart van de nacht al snel het enige dat nog leek te bestaan. En even, heel even maar, had hij zijn ogen dichtgedaan. 
Nu kon hij zichzelf erom vervloeken. De lucht was grijs, de wolken voortdurend in beweging. De zon was niet te zien, maar het was duidelijk al lang geen nacht meer. En ergens achter de kale, droge heuvels, had een schreeuw geklonken. 
Haastig duwde Soma zich overeind. Hij trok zijn mantel om zijn magere schouders. Snel hees hij zijn watertas op en hij begon te lopen, weg bij zijn kamp. Hij wilde rennen, maar de afgelopen dagen had hij zich weinig rust gegund en nu voelde het bij elke stap alsof er een pin in zijn spieren werd geslagen. Het zorgde ervoor dat hij niet rechtuit kon rennen. In plaats daarvan zigzagde hij, als een dronkenman. Wel kwam hij steeds dichter bij de bergen, een rij van ongenaakbare pieken, de toppen verborgen in de grauwe slierten. 
Ploffende geluiden van achter hem. De voetstappen van een reus. Soma wierp een blik achter zich. Een monster was verschenen bovenaan de helling. Een monster? De man was perfect geschapen, gespierd als een smid, benen als de zuilen van een tempel, het gezicht symmetrisch als een afgodsbeeld, met glanzend haar wapperend achter hem. Maar hij was drie keer zo groot als Soma, volledig donkergroen, met bruine bast op zijn schouders en zijn rug, en bladeren in zijn kapsel. Zijn ogen waren volledig zwart, zonder zichtbare emotie. En met grote schreden kwam hij Soma achterna. 
De pijn in zijn benen was opeens vergeten. Hij rende sneller dan ooit tevoren, alsof een zwerm horzels hem op de hielen zat. Het was echter een verloren zaak. De dreunen kwamen steeds dichterbij. Hij nam een glimp van beweging waar, van rechts van hem. Een grote hand, de bruine nagels lang, zwaaide zijn kant uit. Hij dook naar de grond. De reus greep mis. Soma rolde door, kwam direct overeind en rende verder. 
Hij had geen oog gehad voor de omgeving. Vlak voor hem waren rotsen verschenen, de toppen besprenkeld met oranje en grasgroene mosvlekken. Ertussen een donkere opening, de toegang van een grot. Daar moest hij wezen! De zanderige bodem liep naar beneden als een trechter. Soma wilde afdalen, maar na een paar passen verloor hij zijn evenwicht. In een wolk van stof gleed hij omlaag, de als een muil opengesperde holte in, en kwam tot stilstand op een stenen vloer. Uit een gat in het gesteente boven hem bloeide een wolk van vlammen op, loeiend, schrijnend. Van achter zich hoorde Soma een getergd gekrijs. Tegen het vlak daglicht zag hij schokkende ledematen, omgeven door rook. Toen viel een grijs luik omlaag en bevond hij zich in diepe duisternis.

Het was een luchtsluis, maar dat begreep Soma pas later. Hij was toch te uitgeput om oog te hebben voor zijn omgeving. Het leek alsof zijn longen waren verschrompeld tot pruimen en er dreven knipperende rode vlekjes door zijn gezichtsveld. Sissende geluiden. Er was gas dat in zijn neus en ogen brandde. Vervolgens iets anders, zo heet als stoom. En als laatste het piepen en kraken van het stenen raderwerk waarmee de deur aan de binnenzijde werd opengetrokken. Door de steeds groter wordende opening scheen warm kaarslicht, dat een band op de vloer vormde. Die breidde zich al snel zo ver uit dat hij ook Soma omvatte. Tegen die tijd was hij zover bijgekomen dat hij zichzelf omhoog kon duwen. Hij veegde zijn vettige haar uit zijn ogen.
Een man wachtte op hem. Hij stond wat voorovergebogen en in zijn hoge voorhoofd stonden diepe rimpels gegroefd. Op de rug van zijn neus rustten brillenglazen, gevat in een montuur van plastic, en hij had een puntbaardje waar hij met zijn hand herhaaldelijk over streek. Hij ging gekleed in een witte jas, met bruine vlekken op de mouwen. ‘Welkom,’ zei hij. ‘Soma, zoon van Eshe.’
‘Hoe kent u mijn naam?’ vroeg Soma hees. Hij corrigeerde zichzelf. Er was iets wat nog belangrijker was. ‘Is dit het rijk van de steenvorsers?’
‘Wij zijn de steenvorsers,’ bevestigde de man. ‘Maar om een paar tunnels en kamers een rijk te noemen, gaat wel wat ver.’ Hij wenkte Soma. ‘Je kunt veilig verder komen.’
Soma aarzelde.
De man keek over zijn schouder en glimlachte. ‘We hebben hier nog voedselvoorraden genoeg. Zelfs koffie.’
Dat brak hem los uit zijn verstijving. Soma liep achter zijn gastheer aan door een uit de rotsen gehakte gang, met aan weerszijden deuropeningen. In houders aan de muren brandden kaarsen in uitgehakte houders. Ze liepen de eerste twee deuren voorbij, maar de derde gingen ze binnen. Ze kwamen in een grote zaal, verlicht door kristallen kroonluchters, waar enkele witte tafels stonden. De man gebaarde naar Soma dat hij op een van de kunststof klapstoelen kon gaan zitten. Op de tafel stond al een dampende mok bij een bord met bruine bonen.
‘Je was naar ons op zoek,’ zei de man, die nu weer op Soma neerkeek.
Soma had net zijn mond vol. Hij knikte en slikte. ‘Al twee jaar. Sinds de komst van de reuzenboom. Jullie weten wat er toen gebeurd is. De monsterzaden…’
Hij stokte. De woorden brachten herinneringen bij hem boven, gruwelijkheden die hij zich eigenlijk liever niet voor de geest wilde halen. Mensen die veranderden in gedrochten, planten die tot leven kwamen, houten bouwsels die met elkaar versmolten. Hij zag begrip in het open gezicht van zijn gastheer. ‘We weten ervan,’ zei die. ‘Niet voor niets moesten we je van zaden en kiemen reinigen. We leven in de tijd van Ygdrasil.’
Soma keek de man aan. ’Mijn moeder heeft me ooit over jullie verteld. Dat jullie na de Grote Staalroof werkten aan het herstel van de technologie. Maar niet op basis van hout. Op basis van steen.’
‘Dat klopt.’
‘Ik dacht dat jullie een sprookje waren.’
De man moest lachen. ‘Ik weet dat ik eruitzie als een tovenaar, maar ik ken heus geen spreuken.’
‘Als er iemand is die weet hoe we de Ygdrasil en haar kinderen kunnen stoppen, dan zijn jullie het.’
‘We hebben erover nagedacht,’ gaf hij toe. ‘En er is inderdaad een manier. Weet je hoe het mogelijk is dat hout en vlees versmelten?’
Soma dacht na. ’Het ritueel van de Eeuwige?’ opperde hij toen. ‘Ulm, de moedergodin?’
De oude man fronste. ’Misschien kun je die zien als namen voor het werkelijk eeuwige. Nee, ik heb het over de overeenkomsten tussen vlees en hout. Beide leven. Beide ontlenen hun energie aan minuscule orgaantjes in hun cellen. Mitochondriën, zo werden die genoemd in de voortijd. Er zitten er tientallen, honderden in elke cel, zowel in hout als in vlees.’
‘En die zijn hetzelfde?’
‘De kennisverzamelaars van vroeger vertelden dat deze mitochondriën afstamden van kleine levende wezentjes. De allereerste cellen hebben die wezentjes, bacteriën genaamd, in zichzelf opgenomen, en zijn ze gaan gebruiken als batterijen. Maar nog steeds gedragen ze zich als de onafhankelijke bacteriën die ze ooit waren. Ze delen zich in het binnenste van de cel en worden door de moeder aan haar nakomelingen doorgegeven. En omdat zowel mensen als bomen over dezelfde mitochondriën beschikken, moeten ze ouder zijn dan beide.’
Het begon Soma te duizelen. ‘Hout en vlees zijn afhankelijk van dezelfde minuscule beestjes?’
‘Ja,’ zei zijn gastheer. ‘De kennisverzamelaars zagen er niks goddelijks in. Ze ontdekten zelfs dat de beestjes in de cel zo gedood konden worden. Met dezelfde stoffen die ze gebruikten tegen sommige ziekteverwekkers.’
‘En daarmee zouden we hout en vlees weer van elkaar kunnen scheiden?’ vroeg Soma. 
De ander knikte.
‘Hebben jullie het al eens geprobeerd?’
De man keek even in de richting van de deur. Soma draaide zich om op zijn stoel. Zijn ogen werden groot. In de opening stond iemand die hij kende. Iemand die hij voor het laatst had gezien in een omhulsel van levend hout, getekend door waanzin. De jonge vrouw, haar gezicht omkranst door glanzend blond haar, met roze blosjes op haar wangen en heldere ogen, glimlachte naar hem. Haar stem was warm. ’Goed je te zien, Soma.’
Hij wist dat al het bloed uit zijn gezicht weggetrokken moest zijn. Hij slikte. Het ging moeilijk. ’Hallo, Aska.’

Verhalenwevers #1 Houten hart Roderick Leeuwenhart

Verhalenwevers #2 Brandende vraag Liselotte Schoevaart

Verhalenwevers 3# Ontvlammende woede Kim Ten Tusscher

Verhalenwevers #4 Soma, geen jongen maar ook geen man Nienke Pool

Verhalenwevers #5 De zaden van Ulm Frank Norbert Rieter

Verhalenwevers #6 Soma's tweestrijd J. Sharpe

Verhalenwevers #7 Vuurvliegjes Anthonie Holslag

Verhalenwevers #8 De droomwever Nielse Hofmans

Verhalenwevers #9 Ygdrasils meesterboom Pen Stewart



Reacties op: Verhalenwevers #10 In het rijk van de steenvorsers

Meer informatie

Gerelateerd

Over

Johan Klein Haneveld

Johan Klein Haneveld

Johan Klein Haneveld (1976) is een schrijver in hart en nieren. Van hem verschenen zes boeken, waaronder de SF-romans ‘Neptunus’ en ‘De derde macht’, en het eerste deel van een...