Lezersrecensie
Een ontroerende tobber
De hoofdpersoon in deze roman slaat zich door zijn moeizame bestaan, zoals Hans Dorrestijn zich met zelfspot door een lied heenslaat. De treurigheid van een 'overbodig' bestaan (man, niet jong meer, wit van kleur) wordt ver voorgevoerd, waarbij de roman op twee pijlers rust. Aan de ene kant een herkenbare existentiële levensangst, en aan de andere kant het ontembare verlangen naar een vrouw. Het spreekt in dit geestig opgeschreven universum vanzelf dat de tragedie niet uit kan blijven. Met een medogenloos zelfinzicht pleegt de ik-figuur vivisectie op zichzelf. In de eigengeschapen gevangenis van zijn identiteit doolt hij met groeiende wanhoop rond, terwijl het leven in al zijn onbereikbare glorie aan hem voorbij trekt. Zijn moeder sterft, de schaarse geluksmomenten uit het verleden verliezen hun betekenis en de vrouw van zijn dromen gaat er ook nog eens vandoor met z'n enige vriend. Dat zo'n gegeven niet tot een larmoyante klaagzang hoeft te leiden bewijst de auteur met de stijl waarmee zijn rake observaties geformuleerd zijn, waarbij beschrijvingen van de realiteit moeiteloos overgaan in dagdroom en fantasie. Als lezer ga je de zelf-destructieve kant van de hoofdpersoon steeds beter begrijpen. Ik vond het een een grappig en tegelijkertijd benauwend boek, en zeker een geslaagd debuut.