Lezersrecensie
Asielzoekers in Deventer. Kijk door de ogen van Alissa van den Berg en leer ze kennen.
Alissa van den Berg geeft anderhalf jaar Nederlands op een bijzondere school voor asielzoekers. Het is een taalschool, maar vooral een plek waar alle leerlingen gezien worden en thuis kunnen zijn. Een leerling merkt op dat het tafeltje daar in de klas, het tafeltje waar ze iedere dag de les volgt, eigenlijk de enige eigen plek is in haar leven van nu.
Alissa van den Berg schetst in een vijftigtal korte hoofdstukjes wat ze ziet. Wie ze leert kennen. Wie die mensen zijn. Zij kijkt heel goed, met haar ogen, haar verstand en haar hart, en ze denkt na over wat ze ziet.
Op haar eerste dag hoort ze dat één van haar leerlingen is komen lopen. Uit Iran. ‘s Avonds thuis zoekt ze op Google Maps op hoe ver dat eigenlijk is. 5557 kilometer. 62 uur rijden met de auto. 1168 uur lopen. Haar leerling deed een jaar over de tocht. En ze heeft gehoord dat hij 10 kilometer in 36 minuten kan rennen – onhaalbaar voor de meeste mensen. En dan schrijft ze: “Op dat moment weet ik: niet alleen kunnen ze van mij leren, ik ook van hen hen.”
Ze schrijft heel precies wat ze ziet en wat haar raakt. En de lezer kijkt dus door haar ogen met haar mee. Maar ze denkt ook na over zichzelf en haar verhouding tot al die bijzondere individuen. Zij ziet zich tegenover hen staan, als Amsterdams meisje die in het bestaan heel erg veel de wind mee heeft gehad. Zij gaat integer en vanzelfsprekend uit van totale gelijkwaardigheid. Maar toch is niet te ontkennen dat de levens van haar leerlingen, op de vlucht gegaan en nu een bestaan van wachten en en al maar wachten en van leegte, verlangen, boosheid of wanhoop, zo heel anders zijn dan het hare. Bovendien is er sowieso een verschil: zij is de leraar, zij zijn de leerlingen. Soms moet ze doorpakken. Iets dwingen of proberen niet te dwingen maar wel iemand in beweging zien te krijgen. Ze blijft heel alert en ze blijft opletten, en ze aarzelt soms hoe ze moet reageren op een situatie. Maar ze vaart op haar intuïtie en dat pakt, om die reden, altijd goed uit.
Ze komt binnen op de school zonder ooit iets dergelijks gedaan te hebben. Ze heeft geen ervaring met het werken met vluchtelingen. Ze is onbevangen, misschien in de goede zin naïef. Ze oordeelt nooit maar geeft aandacht en ruimte en ze weet om te gaan met hun woede en frustratie Er is basaal een werkverhouding – zij moet taalles geven - maar dat sluit niet uit dat zij zich oprecht met hen wil verhouden. Niet met iedereen hetzelfde, natuurlijk niet. Sommigen blijven op afstand, maar anderen worden echte vrienden.
Het is een aangrijpend boek. De schrijfster maakt het tot een gelaagd verhaal. De lezer mag binnenkomen en door haar ogen kijken naar die wereld en krijgt ook toegang tot haar reflecties op haar eigen positie. De vluchtelingen worden, zoals de titel zegt, door haar gezien. Echt gezien. En nu worden ze ook door de lezer gezien. Maar de lezer ziet ook Alissa zelf, iemand met een ongelofelijk talent voor precies dit. Zij weet hoe ze ieder van haar haar leerlingen het essentiele kan bieden, hoe ze ze kan bereiken en tegelijkertijd weet ze de lead te nemen zonder ooit “de docent” of “de hulpverlener” te worden.
Ze kijkt naar hen en ze beschouwt zichzelf. Zo beschrijft ze hoe ze, als ze even niet alert is, in de les aan een leerling vraagt wat hij doet in zijn vrije tijd. Dan realiseert ze zich dat dat een stomme vraag is, want wat is vrije tijd voor deze asielzoekers? Haar leerling antwoordt schouderophalend dat hij niets doet. Ze vraagt: Wat doe je dan, als je “niets” doet? Gewoon, niets, zegt hij.
Ze schrijft het verhaal zo op (pag 12) : “ ‘We doen helemaal niets. We wachten.’ Hij stelt het voor alsof wachten een actieve bezigheid is, zoals lezen of koken. Alsof je de hele dag druk kan zijn met niets doen.
Ik ben blij dat Yazan bij ons op school zit. Vier dagen per week, van negen tot vier. Dat hij taalles krijgt, mensen ontmoet en manieren vindt om de stad te ontdekken, en niet hele dagen buiten ronddoolt of op bed ligt tot het donker wordt. Hij kan iets doen terwijl hij wacht. Hij pakt schoorvoetend potloden en penselen op, eet linzensoep, schouder aan schouder met mensen die in dezelfde situatie zitten. (…)
Ik kijk op de klok, het is vijf voor negen. Snel ga ik naar beneden. Daar schep ik een koffiefilter vol, vul het waterreservoir en zet de kan onder de machine, het knopje aan. Een tijdje sta ik de koffie in de kan te kijken. Vijf minuten duren lang wanneer je niets anders doet dan wachten.
Boven zit Yazan nog steeds als versteend. Ik zet een mok voor hem neer en maak een torentje van vier suikerklontjes op zijn tafel. De scherpe koffiegeur vult het lokaal Hij kijkt op, zijn ogen stellen scherp. Hij legt zijn hand op zijn hart. ‘Dank u wel’ zegt hij met schorre stem. Hij pakt de suikerklontjes beet en gooit er alvast drie in het kopje. Het laatste klontje houdt hij tussen duim en wijsvinger, met een hoekje in het warme zwarte water. Hij brengt zijn hoofd dichtbij en houdt het proces secuur in de gaten: hoe het kristalwit bruin kleurt en tussen zijn vingers uit elkaar valt.”
Zo precies neemt ze waar en zo schrijft ze het allemaal op. En zo leer je ze allemaal kennen. De hoofdpersonen de asielzoekers, en de hoofdpersoon Alissa. En de interactie.
Al die verschillende leerlingen in haar klas, al die individuen, al die levens. Het blijven individuen, maar door haar aanwezigheid en haar talent kunnen zij zich verbinden. Met elkaar en ook met haar.
Ik zou eigenlijk al die hoofdstukjes wel willen citeren. Maar daar is een recensie niet voor. Dat is het boek zelf. Koop het dus en lees het in één ruk uit!