Advertentie

Hebban vandaag

Nieuws /

De inspiratie voor een koninklijke missie

door Hebban Crew 1 reactie
Onlangs verscheen van schrijver Roel Thijssen (pseudoniem van Jeroen Kuypers) Vorstelijk verraad, een actiethriller die zich afspeelt in het Laos van 1975. Een commando-eenheid van de CIA doet een poging koning Sisavang Vatthana te bevrijden, die van de nieuwe, communistische machthebbers huisarrest heeft gekregen. Voor Hebban schreef Thijssen een kort essay over het boek.

Toen ik afstudeerde als historicus mocht ik mij met het etiket 'Oosteuropadeskundige' tooien. Helaas voor mij viel net de Berlijnse Muur en werd mijn nieuwverworven status door het slijk gehaald door het typetje 'Dr. Klavan', van Koot en Bie. De reizen die ik vervolgens door Oost-Europa ondernam leken op die van een man die zijn hond uitlaat aan een strand in de ban van eb: overal trok het communisme zich terug achter de vloedlijn. In Praag, waar ik weken verbleef als freelance journalist en zelfbenoemde correspondent van een regionale krant, interviewde ik mannen die van de ene op de andere dag waren veranderd van apparatsjiks in zakenlieden. Alleen op het hoofdkwartier van de hervormde communistische partij trof ik kauwgom kauwende kerels aan die met heimwee spraken over het verloren gegane 'reeël bestaande socialisme'. Van buiten waren het nieuwlichtende sociaal-democraten geworden, van binnen bleven het ouderwetse stalinisten.

Mijn reis naar Laos leek me alsnog te zullen geven wat me in het voormalige Oostblok was onthouden: een inkijkje in het dagelijks reilen en zeilen van een communistische éénpartijstaat. In het lijntoestel van Bangkok naar Vientiane aarzelde ik bij het invullen van het immigratieformulier. Zou ik schrijven dat ik journalist was? Zouden ze mijn doen en laten dan niet argwanend gaan volgen? Op het vliegveld Wattay bleek dat ik me nodeloos zorgen had gemaakt. De beambten hadden alleen maar aandacht voor de dollars die ik voor mijn verblijf van een maand moest neertellen. We werden verwelkomd door reclameborden, zoals overal op vliegvelden. Als ik al rode spandoeken met communistische leuzen had verwacht, iets in de trant van 'Laten we leren van kameraad zus en zo', kwam ik bedrogen uit. Vientiane bleek een vrolijke stad, waar jongeren lachend op brommers rondreden, luisterend naar Thaise popsongs op hun MP3-speler.

Alleen ’s avonds, tijdens een wandeling langs de oevers van Mekong, zag ik drie rode vlaggen wapperen aan een mast. Bij nader toezien bleken ze flink gerafeld. Symbolisch voor de aftakeling die het communisme in Laos had ondergaan. Het was inmiddels onvoorstelbaar dat zoveel duizenden Laotianen een kleine veertig jaar tevoren met gevaar voor eigen leven diezelfde Mekong waren overgestoken. Thailand leek net zo onbeschut en bereikbaar als Duitsland aan de overkant van de Rijn bij Lobith.

Pas weken later zagen mijn vrouw en ik onze eerste 'echte' communisten. Tijdens een tempelbezoek in Pakse stapte een man binnen in een zwart maatpak en zwarte gesloten schoenen. Vooral het laatste was een teken van maatschappelijk aanzien, wist ik inmiddels. Maar daarnaast droeg de man een rood speldje op zijn revers. Hij had ook twee jonge vrouwen bij zich en een assistent, die er ook al zo chicque gekleed uitzagen. Instinctief beseften we: dit is een partijbons met zijn gevolg. Ruim voor het einde van de dienst was hij alweer verdwenen. Misschien had hij voldoende goed karma verzameld, of anders waren het de schurftige honden die met hun vlooien de smetteloosheid van zijn maatpak bedreigden.

Even onzichtbaar als de communisten waren de leden van de koninklijke families. Ik had gelezen dat velen in de jaren negentig waren teruggekeerd uit ballingschap, dat ze dure hotels hadden geopend en eigenaren waren geworden van exportfirma’s. Sommigen waren zelfs in dienst getreden van de regering. En toch sprak je met de 'gewone' Laotiaan niet over het koningshuis. Als het gesprek op de vroegere vorst kwam merkte je een schichtigheid die er daarvoor niet was. De oudere garde liet zich bovendien niet interviewen. In Champassak maakte een daar woonachtige Française ons opmerkzaam op de bejaarde inwoner van een schitterende koloniale villa. De prins vertoonde zich zelden buiten zijn tuinhek en meed angstvallig het contact met westerlingen, alsof een praatje hem alsnog tot een verblijf in een heropvoedingskamp kon veroordelen.

Die onzichtbare aanwezigheid van het koninklijk verleden fascineerde mij hoe langer hoe meer. Toen we het voormalig koninklijk paleis in Luang Prabang bezochten verbaasde het me dat ik in de boekhandel het ene na het andere kritische Engelstalige werk over Laos kon kopen. In een van die boeken werd het lot van de koninklijke familie na de revolutie beschreven; hun verblijf in een strafkamp waar ze door ziekte en uitputting om het leven kwamen. Tegelijk werd in het paleis zelf met geen woord of beeld gerefereerd aan het lot van de ex-koning. Er werd slechts een propagandistisch beeld gegeven van zijn rijke levensstijl. Na zijn abdicatie was hij blijkbaar in rook opgegaan. Dertig jaar na zijn dood was Sisavang Vatthana nog altijd een groot taboe. Dat taboe stond in scherp contrast met de open en warme sfeer die we overal in het land tegenkwamen. Natuurlijk gold die sfeer vooral voor buitenlanders en voor de groeiende middenklasse van Laos. Er verdwenen nog steeds mensen die al te luid een kritisch geluid lieten horen, er was nog steeds een geheime politie actief en generaals en andere partijbonzen vergaarden grote fortuinen via de handel in onder meer tropisch hardhout en waterkracht. Maar het verschil met de dictatuur uit de jaren zeventig en tachtig was enorm. Waarom dan nog dat taboe op het koningshuis?

De historicus in mij broedde op antwoorden. De journalist in mij rook een onderwerp voor een reportage. Ik maakte er verscheidene die maand, maar niet over dit thema. Dat bleek voorbehouden aan de schrijver in mij. Toen we in Pakse op de nachtbus stapten die ons weer naar Bangkok zou brengen was mijn rugzak zwaar van de boeken over Laos, een stapel die thuis verder zou aangroeien. Mijn hoofd was overladen van de indrukken en gesprekken. Terwijl we voor de laatste maal tijdens die reis de Mekong overstaken tekenden zich in mijn fantasie al de contouren van een plot af. In de verte hoorde ik Graham Marquand zuchten: opnieuw zou hij de geborgenheid van het kapitalistische Thailand moeten verlaten voor een missie in het communistische Laos. Maar ditmaal zou het een koninklijke missie worden, in meer dan één opzicht.

Roel Thijssen

Vorstelijk verraad van Roel Thijssen is verschenen bij uitgeverij Marmer. 



Over de auteur

Hebban Crew

1443 volgers
50 boeken
0 favorieten


Reacties op: De inspiratie voor een koninklijke missie

 

Gerelateerd

Over

Roel Thijssen

Roel Thijssen

Roel Thijssen (Soest, 1962) is een van de pseudoniemen van Jeroen Kuypers, een historicus, schrijver en journalist, woonachtig in Nederland en Vlaanderen. Enkele van zijn spannende romans, d...