Advertentie

Hebban vandaag

Nieuws /

Ellen de Ruiter zet complete thriller gratis online als feuilleton

door Hebban Crew 3 reacties
De afgelopen maanden werkte Ellen de Ruiter gestaag aan haar eerste thriller De Moordclub. Het boek wordt vanaf morgen in 24 delen in het geheel gepubliceerd op haar site. Hebban heeft vandaag de primeur.

Vier vriendinnen. Een etentje. Eén plan: de wereld een stukje mooier maken. Hoe? Nou, gewoon door de klootzakken, de monsters en de pisvlekken uit de weg te ruimen. Die missie hebben Michelle, Lisa, Abigail en Faiza zichzelf toebedeeld. Zolang er drank is, lijkt het een prachtig idee. Nobel zelfs. Maar dan de volgende ochtend... Wat doe je als blijkt dat jij de enige bent die de hele boel wil cancelen? Zeg je dan doei-bedankt-tot-ziens of haal je dan drie keer diep adem en ga je door? Diep ademhalen dan maar.

De Moordclub is een boek bestaande uit 24 delen waarvan wekelijks een aflevering wordt gepubliceerd op de site www.moordclub.nl. De vriendinnen Abigail, Faiza, Michelle en Lisa vertellen ieder een deel van het verhaal.

Het verhaal is geschreven door voormalig journalist Ellen de Ruiter (1978), nu werkzaam als pr- en communicatieadviseur bij Fier, een organisatie voor slachtoffers van geweld. Trouwe bezoekers van Crimezone.nl zullen haar naam mogelijk kennen. Ellen won in 2014 de eerste prijs in de Crimezone schrijfwedstrijd voor haar spannende korte verhaal Glas.

Op haar site vertelt Ellen dat het idee voor De Moordclub ontstond tijdens een diner met vriendinnen in een Italiaans restaurant. 'Een van hen vertelde een vreselijk verhaal over een goede bekende. Wat die goede bekende was overkomen was niet al te fraai en dus werd de sfeer grimmig. Moordneigingen doken op, complotten werden gesmeed, denkbeeldige trekkers overgehaald. En het idee voor De Moordclub was geboren. De hoofdpersonages zaten bovendien al aan tafel. Mooier kan bijna niet', aldus de schrijfster.

Collegaschrijfster Olga Hoekstra over het boek: 'With friends like these, who needs enemies? De Moordclub is een wervelwind aan sterke karakters, die je omverblazen met hun soms dappere, soms domme keuzes. Een verhaal dat het verdient gelezen te worden.'

Het eerste deel van het 24-delige feuilleton is vanaf morgen te lezen op www.moordclub.nl, maar op Hebban is de primeur: het eerste hoofdstuk van De Moordclub!

De Moordclub

Lees hieronder het eerste hoofdstuk of download het fragment als pdf-bestand.

Abigail

‘Hij moet dood.’
   Het was alsof een moker ons tafeltje in tweeën spleet. Drie simpele woorden met een geweldige impact. Een paar seconden lang reageerde niemand en hoorden we alleen het getik van bestek en het geroezemoes van de overige gasten. Lisa prikte overdreven in haar gebakken lamshaasjes, terwijl Faiza afwezig knikte en voor de zoveelste keer een klodder roomsaus van haar kin veegde. De pappardelle smaakte haar overduidelijk goed. Zelf sloeg ik zo onopvallend mogelijk mijn chianti achterover. Michelle verbrak als eerste de stilte.    ‘Wat moet, dat moet’, zei ze simpel. Lekker praktisch, onze verpleegkundige. Doen wat er gedaan moet worden, de boel grondig reinigen, hier en daar een kont afvegen, zo nodig een injectie geven, een pleister erop en verder geen vragen stellen.
   ‘Ja’, zei Lisa kortaf, terwijl ze haar platinablonde haar naar achteren gooide. Hoe deed ze dat toch? Beter gestyled dan het hele koningshuis bij elkaar. Zo onopvallend mogelijk keek ik naar mijn eigen afgekloven vingernagels. In gedachten zag ik mezelf in de spiegel. Een vogelverschrikker was er niets bij. Verdomme. Het enige waarover je je bij Lisa nog een beetje kon verkneukelen, was het litteken op haar rechterwang, vlak naast haar mond. Hoewel er vast kerels zijn die zoiets übersexy vinden, Lisa kreeg er in ieder geval genoeg plat. We hadden in de loop der jaren al van alles voorbij zien komen. Profvoetballers, advocaten, zakenlui, allemaal hadden ze geld en allemaal wilden ze maar één ding: neuken met Lisa.
    ‘Precies’, voegde Faiza eraan toe. ‘Allah weet het, dood is voor zo iemand de beste optie.’ Ze liet het servet in haar bord vallen, als teken van overgave. Het zou niet lang meer duren voor ze een volgende portie liet aanrukken en de rest van ons in protest zou uitbreken. Nog geen drie kwartier geleden hadden we haar plechtig moeten beloven dat we haar geen tweede hoofdgerecht zouden laten bestellen. Twee toetjes mocht dan weer wel, omdat die zo goddelijk lekker waren bij Fellano.
    Ik zuchtte diep. ‘Ik weet het niet hoor.’ De rest keek me aan alsof ik zojuist iets afschuwelijks zei. Alsof ik degene was die de boel ging verpesten. Ook al zeiden ze het niet met zoveel woorden, de beslissing was al genomen. Freddy moest dood. Wat kon ik anders dan me erbij neerleggen?
    ‘Echt meiden’, zei Lisa. ‘We moeten van hem af. Ga maar na: hij dood, alle problemen in één keer opgelost. De wereld weer een stukje mooier. Kunnen we allemaal verder met ons leven.’ Ze stopte een stukje vlees in haar mond en begon gestaag te kauwen.
   Ik liet haar woorden in me omgaan, ‘verder met ons leven’. Dat van haar en Petra, bedoelde ze zeker. Dit hele gedoe met die Freddy, ik sliep er geen minuut minder om. Oké, het was vreselijk, zeer verdrietig en ja, om woest van te worden, maar om nu gelijk iemand af te maken? Toch waagde ik het niet om voor de tweede keer mijn twijfel op tafel te gooien. Ik keek wel uit. Mijn vriendinnen konden aanvallen als piranha’s. En dat wilde je niet, zeker niet in een restaurant als Fellano. Dus hield ik het maar gezellig.
    ‘En er zijn er meer hoor’, ging Lisa verder. ‘Meer van dit soort klootzakken die…’
    ‘Hoe doen we het?’, onderbrak Michelle haar. ‘Freddy moet dood. Klaar. Maar hoe? Hem opwachten in een donker steegje en hem dan z’n keel doorsnijden?’
    Een vreemd gevoel bekroop me. Gebeurde dit echt? Waren we nu echt een moord aan het bespreken? Ik bekeek mijn vriendinnen één voor één. Ze zagen er bloedserieus uit. In hun ogen lag een ernstige blik. Een onverbiddelijke, eentje die een tegenstribbeling van mijn kant onmiddellijk zou afslachten. Michelle leek nog het meest neutraal, voor zover dat bij haar mogelijk was. Zij had zo vaak met de dood te maken, dat een leven meer of minder haar waarschijnlijk weinig meer deed. Een extra lijk, who cares?
    Faiza zwaaide opgewekt naar de ober. We lieten haar begaan; we hadden immers wel iets anders aan ons hoofd dan Faizas dieet. ‘Waarom niet?’, zei ze, terwijl ze achteroverleunde en de ober een knipoog gaf. ‘Dat doen we bij ons thuis ook, weet je. Tsják, de luchtweg en de halsslagader in één keer doorsnijden en de dood is snel.’
Ze zei het op z’n Faizas: monsterlijk luid. Ik kon alleen maar bidden dat niemand het hoorde. Fellano zat, zoals gewoonlijk, overvol.
   ‘Ssst’, siste ik zachtjes richting de andere kant van de tafel, maar Faiza leek me niet te horen. Lisa gaf me een por in mijn zij en schudde met korte rukjes haar hoofd. Om mezelf stil te houden, begon ik op de velletjes van mijn nagelriemen te kauwen.
    ‘Alsjeblieft zeg’, zei Lisa, ‘het hoeft voor mij niet halal hoor. Kunnen we niet iets minder bloederigs verzinnen? Kun jij ‘m niet gewoon een spuitje met het één of het ander geven?’ Ze keek naar Michelle. ‘Pijpers, daar kun je toch gemakkelijk aankomen in het ziekenhuis? Cyaankali of weet-ik-veel-wat.’

Pijpers. Michelle schaamde zich kapot voor die achternaam, maar Stefan stond erop dat ze zijn achternaam aannam toen ze trouwden. En aangezien Michelle alles doet waar Stefan op staat, was haar lot al voor het jawoord bezegeld. Sindsdien noemde Lisa haar steevast Pijpers. Als een sergeant die zijn mindere aanspreekt. ‘Pijperrrs! Gééf acht! Ingerúúkt, marrrs!’
    De trouwerij van Michelle was trouwens een treurige toestand. Faiza kwam niet opdagen omdat ze die ochtend uit haar bruidsmeisjejurk was gescheurd, Lisa belandde met de man van Stefans broer in bed en Michelle, zwanger van haar tweede, jankte zich zo ongeveer een weg naar het altaar omdat Stefan de nacht ervoor niet was thuisgekomen.
Vrijgezellenfeestje. Hij zag er bezopen uit, letterlijk en figuurlijk, had zich niet geschoren en schoof lallend van de alcohol de ring om Michelle’s vinger. Puck, die toen nog maar twee jaar oud was, en voor de duur van de ceremonie bij mij op schoot was geplant, krijste alsof haar leven ervan afhing. Iets met een griepje of zo. En alsof de ramp nog niet groot genoeg was, brak er tijdens de afterparty een heftige ruzie uit tussen Stefans moeder en de nieuwe vriendin van zijn vader. Pas toen beide vrouwen elkaar bij de haren hadden, greep Stefan in. En ze leefden nog lang en gelukkig.
    Ik dacht aan deze rampdag toen Cas me een aantal jaren later ten huwelijk vroeg en er onmiddellijk achteraan vertelde dat hij geen toestanden wilde. ‘Gewoon jij en ik’, had hij gezegd. ‘Puurder kan het niet.’ Daar was ik het volkomen mee eens. Achteraf gezien had hij heel andere redenen voor het feit dat hij zo ‘puur’ mogelijk wilde trouwen. Goddomme, had ik het allemaal maar geweten.

Ik had nog altijd niets gezegd, mijn cannelloni liet ik staan. Eeuwig zonde, want eten bij Fellano kost een klein vermogen. Geld dat ik niet eens had. Door die verrekte klootzak. Ik wil er niet eens over praten. Laten we het er op houden dat eten bij ’s lands beste Italiaanse restaurant far out of my league was en is.
   ‘Insuline’, zei Michelle opvallend rustig. Ze nam een slok van haar kinderdrankje: appelsap. Michelle dronk niet, want dat vond ze niet lekker, zei ze, en dus dronk ze appelsap. Liters. Om je dood te schamen. Ze bestelde nog net geen Fristi.
‘Een overdosis insuline en je bent weg’, vervolgde ze. ‘Nooit meer te traceren ook.’ Zelfvoldaan over deze kennis van formaat, streek ze met haar tong langs haar tanden. In haar blik lag iets ondeugends, alsof ze het vaker deed, mensen met een overdosis insuline injecteren. Michelle als de engel des doods; ik kon me er alles bij voorstellen. Ogend als een onschuldige appelsap drinkende verpleegster, maar ondertussen… Michelle had een steekje los, morbide interesses, debiele gewoonten, hemeltergende uitspraken. Kon geen genoeg krijgen van gore ziekenhuispraatjes – vooral tijdens het eten: kotsende, schijtende, bloedende en etterende mensen, ze kickte erop. Leek alleen tevreden met de meest getraumatiseerde en uiteengerukte mensen. En ondertussen maar poetsen en vies kijken. Michelle was eng en labiel tegelijk.
    Lisa en Faiza knikten tevreden, ik smachtte naar een derde glas chianti en een sigaret. Ik had een hele doos sigaren weg kunnen paffen die avond, van die dikke Havaanse apparaten. Het liefst stond ik op om keihard weg te rennen, maar daarvoor was het al te laat. Ik hoorde inmiddels bij de club. Een moordclub. Zwijgen is toestemmen. Bovendien: weglopen zou het einde van een jarenlange vriendschap betekenen, net nu ik de meiden zo hard nodig had. En dus bleef ik.
   Achteraf bekeken had ik moeten weglopen toen het nog kon. Toen, toen dit… dit allemaal nog niet was gebeurd. Dat had me een hoop ellende gescheeld. Waar was mijn verstandige ik? De ontwikkelde schrijfster met de vlijmscherpe blik, die zich wel een miljoen keer zou bedenken voor ze in een moordcomplot verwikkeld raakte. Ik heb er maar één verklaring voor: de wijn.
   Ja, ik had me er buiten kunnen houden, onschuldig kunnen blijven. Maar mijn vriendinnen sleurden me mee, trokken me aan onzichtbare touwen de afgrond in. Had ik toen maar geweten, wat ik nu weet… Dan was dit allemaal niet gebeurd. Nooit. Dat zweer ik op alles wat ik heb. En niet heb.

Terwijl Faiza haar tweede hoofdgerecht naar binnen werkte – dezelfde cannelloni die ik had laten staan - hees ik een volgende glas chianti achterover en nog een. En daarmee zag het geheel er steeds beter uit. Misschien had Lisa wel gelijk. Deze man verdiende het bestaan op deze aarde niet.
   ‘Freddy is een pisvlek, een grote bult kots, die we zo snel mogelijk moeten wegpoetsen.’
   Ik had Lisa nog nooit op die manier horen praten, maar ze had gelijk: wat Freddy had gedaan, verdiende een rigoureuze tegenactie. Eentje die liet zien dat wij, vrouwen, niet ongestraft met ons lieten sollen. Het moest een waarschuwing zijn voor de rest van de klootzakken op deze wereld, de vrouwelijke varianten, de kutwijven, incluis. Hoe langer we de zaak bespraken, hoe meer ik ervan overtuigd raakte. Je zou kunnen stellen dat ik die avond ontoerekeningsvatbaar was, een goudvis met een halve hersencel. Op het droge, ook dat nog. Hoe erg kun je het hebben?
    Tijdens de tweede ronde chocolademousse met saleme del papa besloten we dat het niet bij die ene keer hoefde te blijven. Dat er meer pisvlekken zoals Freddy rondlopen, die het bestaan op deze aarde niet waard zijn. Rotte appels die we vakkundig uit het straatbeeld zouden elimineren. We konden er zo een stuk of zeven, acht opnoemen. Mannen én vrouwen. Misschien ook wel negen. Tien als je de grote leider van de Taliban meetelde. Maar zover wilden we niet gaan, althans nóg niet. Eerst Freddy, daarna zouden we verder zien.
    Ik weet nog dat ik, naarmate de avond vorderde, steeds heftiger begon te knikken. Het was voor mij zo klaar als een klontje, we stonden volledig in ons recht met ons idee van de moordclub. En het gevoel dat ik hiervan deel wilde uitmaken, groeide met de minuut. Er begon zelfs iets in me te borrelen, een strijdvaardigheid die lange tijd niet van zich had laten spreken. Ja. Ja!
    We hadden een missie, besloten we die avond in het licht van het kaarsje op onze tafel. Een missie die we zeer serieus ten uitvoer gingen brengen. Wij, de leden van de club, wilden de zwakkeren, de slachtoffers van de maatschappij, redden. Verlossen van het kwaad in hun verrot geslagen en kapot getimmerde, trieste levens. Want er waren al genoeg mensen die toekeken zonder iets te doen. Zij die hun ogen sloten voor het leed dat anderen werd aangedaan. Toeschouwers die zich met de rug naar de problemen toedraaiden zodra ze de schreeuw om hulp in de ogen van de ander zagen. Misschien wel uit angst, uit onmacht of uit desinteresse; dat lieten we in het midden. Wie waren wij om dat te beoordelen?
   Gelukkig trof die angst, onmacht en desinteresse ons niet. Zo wilden wij niet zijn. Zo wáren wij niet. Wij hadden oog voor onze medemens en voor de problematiek die er speelde, voor de onderdrukten, de zieligerds, de sneue medemens. Door onze inzet kregen zij een kans op een nieuwe start, op nog een beetje welverdiend geluk.
   En nee, we verwachtten geen schouderklopjes, geen onderscheidingen en geen medailles, want onze missie was strikt geheim. Niemand mocht van onze interventies afweten en we zworen die avond, tijdens het heffen van een glaasje Grappa (en een glaasje appelsap) totale zwijgplicht. Bij wijze van een bloed-eed spuugden we allemaal heimelijk op hetzelfde servetje, dat Faiza vervolgens netjes opvouwde en met veel gebaar in het zijvakje van haar tas stak, terwijl Michelle zichtbaar moeite deed om niet over te geven.
   ‘Geen medailles’, zeiden we met gedempte stem. ‘Dood aan de klootzakken. En de kutwijven.’
   Nogmaals, ik was mezelf niet. Het was de drank, die kuttige drank. Wie ben ik om iemand anders de dood in te wensen? Ik liet me meeslepen door de mooie verhalen van Lisa. Zoals ik dat in het verleden zo vaak heb gedaan. Het lukte haar vaak om ons te porren voor dingen waar we eigenlijk helemaal niet voor te porren waren. Zoals die fotoshoot voor een belangrijke klant voor haar.
    ‘Het moet een gezellig vriendinnentafereeltje worden’, had Lisa gezegd. ‘Gewoon blij, vrolijk. Dat kunnen jullie best.’
    Ik had nee geschud. No way dat ik ging meewerken aan een fotoshoot. Ook Faiza twijfelde. Michelle daarentegen was dolgelukkig met het aanbod. Die zag zichzelf al helemaal beroemd worden. Na veel gezeur en mooie beloftes van Lisa’s kant – ‘Jullie krijgen ervoor betaald!’ – gingen we overstag. Faiza meldde zich op de dag van de shoot ziek, zodat Michelle en ik overbleven. Lisa zelf deed niet mee: ‘Dan kan ik wel aan de gang blijven.’
   Het eindigde met ik in een rolstoel en Michelle als een blij ei erachter. Wat Lisa ons “vergeten” was te vertellen, was dat we reclame maakten voor een fonds voor mensen met een niet-aangeboren hersenbeschadiging. Waarschijnlijk was ik degene die er het meest beschadigd uitzag, dus ik mocht in de stoel. Ze hadden beter Michelle kunnen nemen.
   Bijna een jaar lang kwam ik mezelf overal in het land tegen op metershoge billboards. Ik weet niet wie er het meest debiel uitzag, Michelle of ik, maar er bestond geen twijfel over wie de organisatie bedoelde met het slachtoffer. Lara, mijn uitgeefster, was er – zacht uitgedrukt – niet blij mee. Wie nam nou een schrijfster met een hersenbeschadiging serieus?
   ‘Die heb ik niet’, hield ik vol.
    ‘Dat maakt niet uit’, zei Lara. ‘Dat weten al die mensen toch niet. Die zien alleen maar een ziek mens in een rolstoel.’
   Het waren de zoveelste haarscheurtjes in onze, toch al moeizame, werkrelatie.

‘We moeten oefenen, weet je’, zei Faiza terwijl ze de chocolade van haar vingers likte. ‘Ergens een eindje uit de buurt. In het buitenland of zo.’
   ‘Ergens waar het héél warm is’, voegde Michelle eraan toe. Haar bestek, dat ze schoonveegde aan een servet, stopte ze in haar tas. ‘Ik kan wel wat zonnestraaltjes gebruiken, hoor. Sinds de kinderen heb ik nauwelijks meer een bikini aan gehad. Het komt er gewoon niet van. Die drukte en alles, met Stefan en de meisjes. Misschien heb ik al wel in geen jaar een zonnetje gezien. Ik ben bijna net zo wit als een tl-buis.’
   ‘Frankrijk.’ Lisa zei het bijna fluisterend. ‘Baptiste!’ Ze knikte terwijl ze ons een voor een aankeek. ‘Ja, Liliana en Baptiste.’ Haar ogen lichtten zichtbaar op. Geen van ons had ook maar enig idee waar ze het over had, maar daar kwamen we snel genoeg achter.
   De jonge ober, die met het zwarte achterovergekamde haar, schonk ons voor de zoveelste keer bij. Faiza in haar eigen stompje, zoals we het noemden - een glas zonder pootje. Glazen mét poot, gingen bij Faiza steevast om, sloegen stuk tegen de grond, deden de harmonie in een restaurant letterlijk en figuurlijk versplinteren. Sinds de laatste schadevergoeding kozen we voor veiligheid: ‘Doe haar maar een stompje’.
   Lisa deed ons het verhaal van haar Franse buren Liliana en Baptiste, uit de doeken. Ja, Lisa heeft een huis in Frankrijk. Zonder weinig omhaal gaf ze de stand van zaken weer: als Baptiste de Hitler was, dan was Liliana de Jood. Liliana’s hele gezin was al jarenlang één grote kluwen van zenuwen. Zij en haar vier dochters hadden het zwaar met die nazi in huis. Baptiste was een bloedhond. Een bruut, hersenloos ventje dat als een ware dictator zijn onderdanen beschreeuwde. Tijdens de laatste vakantie die Lisa in haar vakantiehuis doorbracht, vertrouwde Liliana haar toe dat de jongste dochter had verzocht om een nieuwe vader, een lieve vader dit keer.
   ‘Vier jaar oud, en nu al weet ze wat voor misbaksel het is’, snauwde Lisa ons toe. ‘Vier jaar!’ Ze leunde voorover en keek ons indringend aan. ‘Hoe erg is dat?’ Haar ogen beten onze huid bijna kapot. Faiza, Michelle en ik lieten afkeurende geluiden horen. Volgens Lisa verdienden Liliana en haar vier dochters een beter leven. Wij knikten en spraken met dubbele tong onze ongenoegens uit. Die hufter van een Baptiste… Zijn laatste dagen waren geteld, zo veel was zeker. We proostten op onze eerste missie: operatie Baptiste. Wijn sloeg over de randen van onze glazen, mensen aan buurtafeltjes draaiden zich geïrriteerd om. Maar wat kon ons het schelen? We waren opgelucht, uitgelaten zelfs. Nog even en we waren helden. Superhelden.



Over de auteur

Hebban Crew

1670 volgers
3 boeken
3 favoriet


Reacties op: Ellen de Ruiter zet complete thriller gratis online als feuilleton

 

Over

Ellen de Ruiter

Ellen de Ruiter

Ik ben Ellen en ik schrijf. Voor mijn werk. Over mensenhandel, huiselijk geweld...