Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Interview Maj Sjowall

Tien boeken schreef Maj Sjöwall (1935) samen met haar inmiddels overleden man Per Wahlöö (1926). Politieromans die voor het eerst in de geschiedenis mensen beschreef in plaats van helden. De policiers zorgden er op slag voor dat intellectuelen uit de jaren zestig de misdaadroman als volwassen genre aanvaardden en niet meer zagen als achterkamertjeslectuur. Maj Sjöwall en haar man waren daarmee tevens de grondleggers van de Scandinavische misdaadroman die tot op dat moment niet bestond. Het werk van het schrijversechtpaar is inmiddels wereldberoemd, vele malen verfilmd en herdrukt. In juni 2010 komt een nieuwe serie herdrukken op de markt.

























De stem van Maj Sjöwall is zwakjes, maar haar geest is scherp.
Moeiteloos reproduceert zij gebeurtenissen uit het verleden, haar mond af en toe verlegen verschuilend achter haar handen. Haar blik dwaalt regelmatig af naar verre einder die alleen voor het geestesoog zichtbaar zijn. Zij is meerdere malen in Amsterdam geweest. Een prachtige stad, maar helaas net als Stockholm ten prooi gevallen aan de nietsontziende slopershanden van de overheid. Zo uitgesproken links als vroeger is ze niet meer, maar haar kritiek op maatschappij en overheid is onveranderd groot. Ze beschouwt zichzelf als een kind van haar tijd, dat het wantrouwen tegen de gevestigde orde met de paplepel ingegoten kreeg. “Iedereen wilde vrij zijn, iedereen was tegen de oorlog in Vietnam. Iedereen wilde vrede en harmonie.”

WO II
De jonge Maj werd in 1935 geboren in het centrum van Stockholm als dochter van Will Sjöwall en Margit Trobäck. “Ik heb een gelukkige jeugd gehad, waarin ik dankzij een bibliotheekkaart, enorm veel gelezen heb. Ik speelde vaak met mijn twee jaar oudere broer en later met mijn jongere zusje op straat, maar in wezen was ik een dromer. Ik zat altijd in stille hoekjes waar niemand me kon vinden. Ik was een loner, erg verstrooid ook. Mijn moeder noemde me “de kleine professor”. Van de Tweede Wereldoorlog heb ik niet veel meegekregen. Daar was ik te jong voor. We zijn wel tijdelijk naar een boerderij op het platteland verhuisd. Mijn vader was weliswaar reserveofficier bij de marine, maar hij werd niet opgeroepen. Hij werd bovendien manager van een hotel, zodat we ondanks de schaarste die ook Zweden trof nooit honger hadden. Het enige dat in Stockholm en op het platteland van de oorlog te merken was, was dat alles leek stil te staan. Er gebeurde niets. De tijd stond echt stil. Ik was in die tijd wel een lezer, maar geen studiebol. Ik heb later de middelbare school ook niet afgemaakt. Toen de oorlog voorbij was en de grenzen opengingen, vertrokken veel van mijn tienervrienden en vriendinnen naar Parijs. Iedereen was in de ban van Juliette Gréco. Ik ook, maar ik mocht van mijn ouders niet naar Frankrijk. Daar ben ik in de jaren zestig pas, liftend, naar toe gegaan. Maar goed, het reisverbod van mijn ouders riep natuurlijk weerstand op. Een jaar voor het eindexamen ben ik van school gegaan en ben ik journalistiek gaan studeren omdat ik per se journalist wilde worden. Ik wilde reizen, andere culturen zien.”

Jonge, ongehuwde, moeder
“Alles ging snel, zo gaat dat als je jong en idealistisch bent. Mijn ouders wilden dat ik naar de universiteit ging, maar ik wilde actrice of journalist worden. Ik ging zo snel mogelijk het huis uit, werd journalist, leerde een aardige jongen kennen en op mijn twintigste was ik zwanger en moeder van een dochter. Ik ben bewust ongetrouwd gebleven omdat ik wel een kind, maar nog geen man wilde. Daar maakte ik het mezelf overigens niet gemakkelijk mee, want er moest wel brood op de plank komen. Het was het einde van mijn droom als reizende reporter. Ik begon voor tijdschriften te schrijven. Maar omdat ik meer wilde, ben ik naar de grafische school gegaan. Daarna kon ik als art director aan de slag, o.a. bij uitgeverij Wahlström and Widstrad. In 1961 leerde ik Per Wahlöö (1926) kennen. Hij had al enkele politieke romans geschreven waarin misdaad ook een rol speelde. Hij kende die wereld omdat hij als politieverslaggever gewerkt had. Hij en ik gingen naar dezelfde kroeg, waar alle verslaggevers destijds kwamen. We rookten en praatten en een paar maanden later woonden we samen.”

Samenwerking met Per
“Toen ik met Per ging samenwonen was hij nog getrouwd. Ik vond hem een interessante man. Hij was politiek verslaggever en was onder Franco’s regime Spanje uitgezet. Per had, net als ik, een dochter. Ik was negen jaar jonger dan hij, maar net zo politiek bevlogen. We waren links, net als al onze vrienden. Maar wie was dat niet in die dagen? Per stelde voor om samen boeken te gaan schrijven. Hijzelf had al drie politiek getinte boeken op zijn naam staan en hij vond dat in de boeken die wij samen zouden gaan schrijven de politiek ook een grote rol moest gaan spelen. Eerst vroeg hij mij of ik wilde proberen zijn vierde politieke roman aan te vullen. Dat was niet moeilijk. Daarna gingen we nadenken over politieromans die we van begin tot einde samen zouden schrijven. Eerlijk gezegd is politiek in onze boeken nooit uitgebreid aan de orde gekomen, ook al zeggen sommige critici van wel. We hebben wel maatschappijkritiek geuit in onze boeken. Goed verweven in het verhaal. We wilden laten zien dat de rijken steeds rijker werden en de armen steeds armer. Maar we beschreven ook mildere vormen van maatschappijkritiek. Kijk maar naar De vrouw in het Götakanaal. Daarin wordt beschreven hoe allerlei instanties langs elkaar heen werken. Ons voornaamste doel was op een zeer realistische wijze over het politiewerk schrijven. We wilden laten zien dat het oplossen van misdaden door een collectief gebeurt en niet door een heldhaftige man.“

Politiewerk
“In de jaren zestig dat wij begonnen, schreef in Zweden helemaal niemand over politiewerk.
Wij wilden onze linkse ideeën over de maatschappij verwerken in politieromans. We hadden van tevoren vastgesteld dat we dat in tien boeken zouden doen. Niet meer en niet minder. We wilden een tijdsbeeld weergeven waarin we de maatschappij van die tijd zouden beschrijven, met alle problemen die daarbij hoorden. We wilden niet eindeloos met dezelfde romanpersonages opgescheept zitten. Maar onze boeken zijn in de eerste plaats bedoeld als entertainment. Als we een politieke boodschap hadden willen overbrengen hadden we pamfletten moeten schrijven, geen misdaadromans. Je moet onze boeken echt zien als amusement, met een beetje maatschappijkritiek. Het leuke is dat onze boeken in Zweden, maar ook in andere landen, een barrière hebben doorbroken. Totdat onze boeken verschenen kon je in de trein hooguit met goed fatsoen Kafka lezen, maar geen detective. Onze boeken daarentegen werden door een breed publiek, ook de intellectuelen, omarmd. Omdat we een slecht contract hadden zijn we er financieel niet veel wijzer van geworden. Pas toen andere landen onze boeken in vertaling uitbrachten begonnen we iets te verdienen.“

Menselijke hoofdpersonen
Wij trokken in ieder geval een nieuwe lezersgroep. Ik denk dat dat voor een belangrijk deel te danken was aan het feit dat wij zo realistisch schreven. Wij lieten onze hoofdpersoon Martin Beck een doodnormale rechercheur zijn die al zijn privéproblemen mee naar zijn werk nam. En hij had behoorlijk wat problemen: zijn huwelijk was in het slop geraakt, hij had veel last van maagpijn, een zwakke rug en snel geïrriteerde luchtwegen. Als vader stelde hij niet veel voor, omdat hij nooit thuis was. Martin Beck is meer met het politiecorps getrouwd dan met zijn vrouw. Hij is een man zoals er miljoenen rondlopen, dus heel herkenbaar. Ook als politieman is hij een gewoon mens, zonder speciale capaciteiten. Ja, hij kan goed verhoren, maar hij is geen superheld. Dat was destijds nieuw. Lezers waren niet gewend dat schrijvers over het privéleven van hun karakters schreven, zeker niet als dat leven zo problematisch was. We konden ook niet al te ver gaan. Dus we hebben de problematiek van de vader die zijn kinderen in wezen verwaarloost en alle puberproblemen grotendeels buiten beschouwing gelaten. We noemen het wel, maar gaan er zelden op in. Verder beschreven wij het seksleven van de politiemannen, dat wat ze aten en dronken, hoe ze sliepen en wat ze deden als ze vermoeid waren. Allemaal nieuw voor de politieroman van toen.”

Onderwerpen
Maj en Per schreven hun boeken in de avonduren als hun kinderen naar bed waren.
De onderwerpen die in de boeken voorkomen zijn voor een deel ontleend aan de realiteit en voor een deel aan de fantasie. “Zo laten we in een van onze boeken onze eigen zoon van vier een rol spelen, die in een typische kindertaal aanwijzingen geeft aan de politie. En zo werd het idee voor het boek De vrouw in het Götakanaal geboren toen we op het passagiersdek van een schip stonden en een bloedmooie Amerikaanse vrouw van ergens in de twintig zagen. Ik zag haar in gedachten overboord gegooid worden. “Daar staat onze ideale moordzaak,” zei ik tegen Per.
En zo is het ook gelopen. Die werkelijk bestaande vrouw werd als imaginaire vrouw in ons boek vermoord, aan boord van een schip. We schreven onze boeken globaal tussen 1965 en 1975, elk jaar een. Eerlijk gezegd hebben we er nooit veel research voor gepleegd. Ik in ieder geval niet. De dialogen die zo natuurlijk en vakkundig overkomen, zijn allemaal in de fantasie geboren.
Je hebt natuurlijk wel dat je, als je samen schrijft, veel associatieve momenten. Als we iemand vreemd zagen lopen, dachten we natuurlijk allebei, “dat is een geschikt personage voor ons volgende boek.”

Andere bezigheden
Maar denk niet dat we alleen maar aan schrijven gedacht hebben. We hebben veel gereisd, waren beiden politiek bewust en hadden dus genoeg gespreksstof om niet alleen aan onze boeken te hoeven denken. In tegendeel. Regelmatig zette Per een fles whisky tussen ons in op tafel en zei: “Zo, nu drinken en alleen maar aan ons volgende boek denken en schrijven. Dat soort concentratiemomenten hadden we nodig. Het nadenken over het geraamte van een verhaal duurde bij ons langer dan het daadwerkelijke schrijven. Zoals gezegd, aan research deden we niet. De politie in die dagen was niet erg vriendelijk tegen ons. In ieder geval niet dusdanig dat we hun werkwijze mochten bestuderen of mochten horen hoe een verhoor werd gedaan. Maar vanuit fantasie schrijf je sneller dan vanuit eindeloze research, denk ik. In ieder geval spontaner.
Ik was dol op het schrijven van dialogen omdat die veel over het karakter van mensen zeggen. Dialogen kunnen heel goed de beschrijving van iemands karakter overbodig maken.“

Rouwproces
In 1975 overleed Per Wahlöö nog tijdens het schrijven van het tiende en laatste boek Terrorisme. Het was een van de weinige boeken waar het schrijversechtpaar onenigheid over had: “Ik wilde bepaalde zaken uit het verhaal schrappen, wat ook in goede harmonie gebeurd is, omdat ik Per te somber vond en dacht dat hij overdreef. Inmiddels heeft de geschiedenis geleerd dat hij gelijk had en dat de werkelijkheid alle fantasie overtreft. De dood van Per was een grote schok. Ik kwam in een enorm dal terecht en wilde ook niet meer schrijven. Mensen die ervoor doorgeleerd hebben zeggen dat schrijven een ideale vorm van therapie was geweest om met mijn rouwproces om te kunnen gaan. Een vorm van therapie. Ik heb dat niet gedaan. Ik had kinderen om voor te zorgen. Door mijn schrijven had ik ze toch lange tijd te weinig aandacht geschonken. Ik besloot daar verandering in te brengen. Zij zijn mijn redding geweest. Door het besef dat ik hen niet kon laten vallen, moest ik mezelf steeds weer oprapen en verder gaan. Ik denk dat kinderen of een soort zorgplicht in het algemeen, de beste remedie is om tijdens een rouwproces te kunnen overleven.
Maar ook later wilde ik niet opnieuw aan Martin Beck-verhalen beginnen. Die tien boeken rond zijn personage was een gezamenlijk project van Per en mij. Tal van landen en tal van uitgevers hebben mij gevraagd om de reeks voort te zetten. Maar uit respect voor Per wil ik dat niet.“

Vrij zijn
“Ik heb nog wel een boek met Tomas Ross geschreven, De vrouw die op Greta Garbo leek, maar dat is alles. Verder heb ik nog iets samen geschreven met een Duitse auteur. Ik vind het prettig om samen te schrijven. Alleen is maar alleen. Je moet heel geconcentreerd zijn, en wat erger is, geïsoleerd. Maar, ik wil nu geen schrijfster meer zijn van misdaadverhalen. Ik ben niet zo ambitieus. En ik laat het schrijven niet links liggen omdat ik rijk ben. Integendeel zelfs. Geldproblemen zijn mij niet vreemd. Maar het grote voordeel van schrijven is de vrijheid die je hebt. Vrijheid om niet te schrijven bijvoorbeeld. Vrij zijn kan ook zonder geld, al is je vrijheid dan toch een beetje beperkt. Gertrud Stein zei over vrijheid eens: “Vrij zijn betekent genoeg geld hebben om rond te reizen.” Hoe dan ook, ik ben een vrij mens en dat is een groot goed. Na de geboorte van mijn zoon, heb ik niet gewerkt en was ik erg arm. Maar vrij. Ik ben nu vertaalster. Dat vind ik leuk en met dat werk kan ik mijn huur betalen.”

Oude en nieuwe Stockholm
“Soms schrijf ik op verzoek korte artikelen. Als de strekking mij tenminste aanstaat. Helaas vraagt vrijwel niemand mij meer om iets te schrijven, dus kan ik ook niets weigeren of toezeggen. Maar als ik schrijf, is het over Zweden en het mooie Stockholm, zoals het vroeger ooit was, voordat ze het vernietigden. Het stadsbestuur heeft het prachtige hart van de stad vernietigd, zoals jullie stadsbestuur hier vanwege de Noord-Zuidlijn mooie huizen laat instorten. In Stockholm is het hart weggesneden. Vroeger leefden arm en rijk door elkaar, waren in het centrum kleine winkeltjes,slagers, bakkers, schoenmakers in pittoreske huisjes naast herenhuizen van handelslui, uitgevers, kiosken, theaters, hoefsmeden etc.. Het is allemaal weg. Alles is nu hoog, van cement en glas en eigendom van banken en verzekeringsmaatschappijen. Afschuwelijk. Het is gewoon misdadig.”

Niet gedateerd
Het leuke is dat de boeken van het schrijversechtpaar ondanks het feit dat ze meer dan veertig jaar oud zijn, qua inhoud nog steeds niet gedateerd zijn.”Natuurlijk is er veel veranderd: ”Politiemensen moesten toen op zoek naar een telefoon. Mobieltjes bestonden nog niet. Rapporten werden uitgetikt op een oude schrijfmachine waar de stofhoes vanaf gehaald moest worden. Nu zit iedereen achter de p.c. Maar de grote kracht van onze boeken was dat ze dreven op menselijkheid, op karakters, op eigenschappen die universeel zijn. En die raken nooit gedateerd. Mensen zijn mensen en die veranderen niet.”



Over de auteur

Kees de Bree

87 volgers
13 boeken
0 favorieten
Auteur


Reacties op: Interview Maj Sjowall

 

Over