Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Interview René Appel

Vanaf het moment dat René Appel (Hoogkarspel, 1945) besloot om Nederlands te gaan studeren, stond zijn leven in het teken van taal. Zijn specialisatie: verwerving en didactiek van het Nederlands als tweede taal, droeg hij jaren uit als bijzonder hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Op journalistiek gebied was hij werkzaam voor bladen als Propria Cures en NRC Handelsblad. Bij een groot publiek werd hij echter bekend met de circa 25 misdaadromans die hij schreef en waarmee hij tot tweemaal toe De Gouden Strop verwierf, de hoogste prijs op thrillergebied. De laatste jaren mogen zijn psychologische, en onmiskenbaar literaire, thrillers zich verheugen in steeds hogere oplagecijfers. Zijn nieuwste boek heet Weerzin en gaat over de obsessionele liefde van een hotelmanager voor zijn jonge assistente.


























Op een steenworp afstand van het borstbeeld van Simon Carmiggelt dat mild verstild naar Amsterdam’s zonderlingen blikt, woont René Appel. Op stand, aan een chique Amsterdamse kade met beeldschoon uitzicht op het water. Een hoge trap leidt naar een ruime dubbele kamer, voorzien van veel boeken. Een zacht strijklicht vult de ruimte met een aangename gloed. René Appel past voortreffelijk in de entourage die rust uitstraalt. Zijn sonore, kalme stem is een weldaad in een wereld die piept en kraakt onder de kredietcrisis. Zijn stem schijnt te zeggen: “Het komt allemaal wel goed.” Wij vertrouwen erop.

Schrijvende vrienden
Wie, zoals René Appel een leven lang in de wereld van schrijven en journalistiek rondloopt, kent hele generaties, al dan niet beroemd geworden auteurs. Een kennismaking die al plaatsvond in zijn studententijd en die van grote invloed is geweest op het verloop van zijn carrière. “Ik was niet zo’n jongetje dat de schoolkrant volschreef. Het willen lezen van verhalen is bij mij langzamerhand omgevormd in het bedenken en schrijven van verhalen. En dat is gestimuleerd omdat ik veel omging met mensen die al dan niet bedekt die ambitie hadden. Ik studeerde Nederlands en in die tijd kende ik nogal veel mensen die later in de schrijverij terecht zijn gekomen. Adriaan van Dis, Ton Anbeek, Hans Dorrestijn, en Charlotte Mutsaerts. Het was natuurlijk niet helemaal toevallig dat we naar elkaar toetrokken. Langzaam groeide bij mij het idee om ook te gaan schrijven. Eerst schreef ik gedichten en daarna ben ik, begin jaren zeventig, korte verhalen gaan schrijven voor Maatstaf, Holland Maandblad en een paar andere bladen. Realistische verhalen die in die tijd nog “in” waren en die uit de Propria Cures-traditie kwamen. In de trant van Hans Vervoort, Mensje van Keulen, Jan Donkers etc. Ik kon het redelijk. Die verhalen zijn bijna gebundeld, maar Bert Pol zei: ``Eén derde is goed, één derde moet je herschrijven en één derde is niet goed genoeg daar moeten nieuwe verhalen voor komen.` Ik vond dat hij gelijk had en toen is er van die verhalenbundel niets gekomen. Ik schreef in die tijd ook als aspirant redacteur voor Propria Cures, naast mijn full time baan als wetenschappelijk medewerker bij het Instituut voor ontwikkelingspsychologie. Het was niet te combineren. Dat maakte dat het schrijven op de achtergrond raakte.`

Sjowall en Wahloo
`Later vatte het idee echter toch weer post. Ik was getrouwd, ik had een baan en in die tijd was het in om Sjowall en Wahloo te lezen. Verder las ik eigenlijk geen misdaadliteratuur. Maar met de politieromans van dat tweetal kon je voor de dag komen, ook in intellectuele kringen. Het was een reeks van 10 boekjes die bedoeld waren om de schandelijke kapitalistische Zweedse consumptiemaatschappij aan de kaak te stellen. Die boodschap wilden ze verpakken in de vorm van misdaadboeken. Het was interessant, maar die kwaliteit van die reeks ging met elk volgend boek achteruit. Omdat de boodschap ging overwegen en het verhaal, de intrige, de plot, werd minder. Het tiende deel was De terroristen. Het zou bij wijze van spreken in de huidige tijd kunnen spelen. En dat boek vond ik zo slecht. Daarom kwam het idee bij me op om er op een fel, Propria Cures/achtige wijze een stuk over schrijven. En dat stuurde ik toen naar het NRC Handelsblad, dat toen een cultureel supplement had, waarin boekenrecensies stonden. De redactie vond het een prima stuk en ik kreeg het aanbod om hun vaste misdaadrecensent te worden. Zo ging dat toen he. Ik moet je zeggen dat ik het genre nauwelijks kende. Ik was helemaal opgegroeid in de sfeer van Neerlandistiek. Dus Hermans enzo. Het was in de tijd van de serie Crime de la Crime van de Arbeiderspers, waarin ook Dick Francis en Dashiell Hammett werden uitgegeven. Al schrijvend, leerde ik het genre een beetje kennen. Want ook al ken je het genre niet, je kunt natuurlijk wel over een individueel boek schrijven. Is het een interessante plot? Zijn de karakters goed? Taalgebruik etc. In die tijd maakte ik pas kennis met de boeken van Patricia Highsmith en Ruth Rendell. En toen dacht ik: verdomd, als ik weer wil gaan schrijven, dan wil ik dat soort boeken schrijven. Dus psychologische romans. Op een gegeven moment kreeg ik een idee voor een kort verhaal, maar het was zo’n lang kort verhaal dat ik er een roman van gemaakt heb. Dat is toen mijn eerste boek Handicap (1987) geworden.

Handicap
Handicap werd redelijk succesvol ontvangen. Dat kwam omdat ik de eerste in Nederland was die psychologische thrillers schreef. En dat is tamelijk lang zo gebleven. Na een hele tijd kwamen er andere bij die zich ook op dat genre toelegden. Als schrijver heb ik mijn hart aan dat subgenre verpand. Daar voel ik me het meeste in thuis. Dat type misdaadromans vind ik het prettigste om te lezen en ik kan ze zelf ook het beste schrijven. Kijk, ik vind Michael Connelly ook erg goed, maar dat type boeken kan ik niet goed schrijven. Dat ligt me niet, dus ga ik het ook niet proberen. Dan ontwikkel ik liever iets waarvan ik denk dat ik er goed in ben, dan dat ik krampachtig iets anders ga proberen. Maar ik lees het wel, Connelly, Pelecanos al is het lang niet alles. Sommigen zijn heel erg goed, anderen zijn heel erg slecht. Ze verschillen enorm van kwaliteit.“.


Schrijfdruk
Het eerste boek was relatief gezien het gemakkelijkste. Daar had ik alle tijd van de wereld voor. Bij het tweede boek wordt meer van je verwacht. Niet dat de druk toenam, dat niet. Mijn boeken hebben vanaf het begin redelijk verkocht, al heb ik nooit bestsellers geschreven. Ik heb maar één keer echte schrijfdruk ervaren, dat was een paar jaar gelden toen Loverboy (2005) verscheen en ik in diezelfde periode ook het cadeauboekje voor de maand van het Spannende boek had geschreven. Van Loverboy waren 25.000 exemplaren verkocht. Dan doe je het hartstikke goed in Nederland. Toen wilde ik eigenlijk een beetje gas terugnemen, maar dat heb ik niet gedaan. Ik heb het volgende boek binnen een jaar afgeleverd, maar dat had ik achteraf gezien beter niet kunnen doen. Ik moet me niet meer op laten jagen. Dat heb ik ook niet meer nodig. Dat neemt niet weg dat ik voor mijn boeken Schone handen (2007) en Weerzin (2008) wel weer een contract heb getekend om twee boeken in twee jaar tijd af te leveren. Dus daar zat een zekere druk achter. Maar ach, als het boek niet af is, dan is het niet af. Dan kan je 100 keer zeggen dat er een contract is, maar dan is het gewoon niet af. Je kunt niet een half manuscript gaan drukken. Vandaar dat veel boeken aangekondigd worden die helemaal niet verschijnen of pas na lang wachten.”

Angst voor herlezen
Hoe goed de boeken van Appel ook besproken worden, hoeveel lof er ook over hem wordt uitgestrooid, zekerheid biedt het hem niet. “Ik herlees mijn boeken nooit. Daar heb ik een zekere angst voor. Ik weet zeker dat ik dan denk dat ik dingen anders had moeten doen. Dat ik had gedacht: kijk, die oplossing was misschien ook leuk geweest. Dat wil ik gewoon niet. Ja, ik ben dus bang dat ik daarmee een soort zekerheid ondergraaf die je moet hebben als je achter die computer gaat zitten. Dan ga je steeds denken, zou het ook anders kunnen? Natuurlijk, je moet je eigen werk kritisch bekijken, maar wel vanuit een soort zekerheid. Bij lezingen vragen mensen wel eens wat ik mijn beste boek vind. Dan zeg ik: heeft u kinderen? Ja, zegt men dan, drie kinderen. En wat is de liefste van de drie? vraag ik dan. Nee, dat kunnen ze niet zeggen. Het punt is: al die boeken hebben een bepaalde betekenis voor me. Dat kan zijn door een vondst of door het thema of bepaalde karakters die in het boek zitten. Daardoor is het heel moeilijk om aan te geven welk boek ik het beste vind. Maar goed, ik heb een keer een boek geschreven, Geweten uit 1996, en dat is naar aanleiding van een moord onder middelbare scholieren, vlak na de tweede wereldoorlog. Dat verhaal heb ik een keer gehoord, toegedekt omdat men het nog steeds te pijnlijk vond voor de betrokkenen. En dat heb ik altijd intrigerend gevonden. Daar heb ik een boek over geschreven. Het boek heeft en bepaalde vorm omdat het voor een deel in het heden (1995) speelt en een deel in het verleden (vlak na 1945). Het eindigt op bevrijdingsdag (1995). Dat zat helemaal rond in tijd. Door vorm en inhoud heeft dat boek wel een heel speciale betekenis voor me, ja. Dat boek wordt door Anthos in het voorjaar opnieuw uitgebracht, dat doet je schrijvershart goed. Een boek dat niet meer verkrijgbaar is, ja dat is weg. Niet dat het niet meer bestaat, maar tot op zekere hoogte, voelt het wel zo.”

Van kwaad tot erger
“Het leukste aan schrijven vind ik dingen bedenken. En dat kan zijn hoe je een spanning opbouwt, maar dat kan ook zijn een onverwachte wending in het verhaal of een raar karakter dat je introduceert. Een klein voorbeeld. Ik had plotseling bedacht dat de vrouw van de hoofdpersoon in Weerzin, een stemmetje moet inspreken voor een kinderprogramma. Dat komt omdat ik de vrouw ken die Ieniemienie inspreekt. Ik vond het leuk om daar iets mee te doen en om haar een mannelijke collega te geven die zogenaamd een kindervriend moet zijn maar die in werkelijkheid een gefrustreerde auteur is die lullig doet. Vaak is het zo dat ik een personage dicht bij de hoofdpersoon introduceer en dat ik me dan pas realiseer dat ik veel meer met dat personage kan. Ik put de inspiratie voor mijn boeken uit dingen die mij opvallen in de krant of op de televisie. Dat is nooit een volledige misdaad met alles erop en eraan. De laatste tijd zijn er nogal wat mensen die tegen me gezegd hebben dat Joran van der Sloot iets zou kunnen zijn voor een boek. Nou nee, niet op die manier. Als ik over zijn zaak nadenk, dan kan het mij inspireren tot een verhaal waarin een jongetje van goed komaf dat niet wil deugen een rol speelt. Dat jongetje heeft dan een vader bij de rechterlijke macht. Vanaf dat punt ga ik dan verder denken, maar dan komt er geen Aruba of Thailand aan te pas. Dus het kan inspireren, maar niet direct. Kijk, bij mij gaat het toch meestal om conflicten van mensen die uit de hand lopen en die kan je overal zien, meemaken en horen. Ik houd erg van `het kwaad tot erger`scenario. Ik heb ook ooit een verhalenbundel met die titel gepubliceerd. Dat vind ik een mooi gegeven.”

Seksistisch…
In Appels nieuwste boek Weerzin wordt de gelukkig getrouwde huisvader Niels, manager van een hotel, hopeloos verliefd op zijn jeugdige assistente. De eigenaresse van het hotel is op haar beurt hopeloos verliefd op Niels. Het is het thema van “de ene wil een ander, maar de ander wil die ene niet”, waar Ramses Shaffy zo’n mooi lied over geschreven heeft. “Ja, mensen die in cirkels achter elkaar aan lopen. Je kunt er een bol van tekenen. Mijn idee voor dit verhaal is mijn eigen perfide geestesgesteldheid. Iemand die getrouwd is maar obsessief verliefd is op een jonge vrouw die bij hem in dienst komt. En dan niet omdat hij verder ongelukkig is in het leven, nee hij heeft best een goed bestaan. Hij heeft een aardige vrouw, hij voelt zich goed, maar toch… ondanks dat….! Voor sommige mensen is het natuurlijk heel herkenbaar. Het is die bliksemschicht waardoor mensen helemaal van de kaart zijn en waardoor ze allemaal heel onverstandige dingen gaan doen. Ik heb het zelf niet meegemaakt, maar ik weet uit mijn omgeving hoe zoiets kan lopen.
Het begin van het boek kan wellicht als seksistisch beschouwd worden, als de hoofdpersoon Niels aan zijn jongensjaren moet denken waarin zijn vriendjes en hij de borsten van vrouwen sappige meloenen noemden. En nu hij een mooie sollicitante op kantoor krijgt denkt hij dat weer. Seksistisch, maar ik dacht, ik houd het er toch in. Want ja, een man denkt nu eenmaal op die manier. En die man gedraagt zich verder helemaal niet als een seksist. En ja natuurlijk, een schrijver schrijft de dingen die bij zijn karakter passen, dus in dit geval toch ook met een zekere terughoudendheid.

Weerzin
De karakters van Niels en zijn vierentwintigjarige assistente Jitka veranderen in de loop van het boek. Er is een duidelijke karakterontwikkeling. “Als ik ga schrijven, weet ik wat voor soort mensen het zijn. Ik denk altijd ik moet met hen mee kunnen gaan. Als ik het niet kan, dan kan de lezer het zeker niet. Dat vind ik dus heel belangrijk voor een psychologische thriller. Je hoeft het niet met de karakters eens te zijn, maar je moet wel kunnen begrijpen waarom ze bepaalde dingen doen. Tijdens het schrijven probeer ik me in de karakters te verplaatsen. Wat zou iemand nu zeggen, denken en doen. Daar komt het op neer. Hoe reageert iemand op een bepaalde gebeurtenis.“
Verder werkt René Appel erg op het gevoel. “Het is allemaal niet heel erg bedacht en vaststaand. Het gekke is dat ik pas nadat ik al een aantal boeken geschreven had, me ben gaan realiseren wat je aan het doen bent als je probeert spanning te creëren. Maar het is een tamelijk intuïtief proces. Ik ben nooit bezig met welke procedure ik nu weer eens zal gaan toepassen. Dat zou slecht functioneren bij mij. Ja, spanning. Raymond Chandler heeft wel eens gezegd dat als hij het niet meer wist, hij gewoon een man met een pistool de kamer liet binnenkomen. Naar analogie van die uitspraak heeft Tomas Ross tegen mij wel eens gezegd dat als ik het absoluut niet meer weet ik een psychiater de kamer moet laten binnenkomen.”


Moeilijkheden stapelen
“Als je mijn verhalen analyseert zie je dat ik stapel. Bij Schone handen wil de vrouw van een crimineel een ander leven. Ik wil niet zeggen dat ze feministisch of geëmancipeerd is, maar ze wil niet dat afhankelijke vrouwtje zijn dat alleen maar thuis zit en geld uitgeeft. Ze wil het moreel niet meer, haar kinderen lopen gevaar, hij gaat vreemd, ze wil zelf onafhankelijk zijn, ze wordt door de buren en op school met de nek aangekeken, dus sociaal niet meer geaccepteerd. Ik heb het zo gestapeld tot ze dacht en nu is het genoeg. Ik heb van haar een bepaald type gemaakt omdat je dan alleen maar kunt waarmaken dat ze op een gegeven moment de deur achter haar dichtslaat. Dat vind ik altijd belangrijk voor de keuzes die je moet doen, als je een boek schrijft. In mijn nieuwe boek Weerzin stapel ik ook. De moeilijkheden waarmee hoofdpersoon Niels te maken krijgt groeien steeds meer aan. Zijn liefde voor zijn assistente wordt niet beantwoord, zijn vrouw gaat dood, hij heeft moeilijkheden met zijn kind, zijn directrice chanteert hem, het hotel waar hij manager is dreigt ten onder te gaan, Etc. etc.. Het is het dominoprincipe. Valt er één om, dan vallen er een aantal stenen erachter ook om. Niels is op een gegeven moment ook verloren omdat een aantal externe omstandigheden hem op de huid zitten.”

Persoonlijke omstandigheden
“Ik heb één keer een boek geschreven dat heet Persoonlijke omstandigheden. Dat vind ik nog altijd een mooie titel. Een boek waarin heel sterk mijn uitgangspunten voor veel van mijn boeken samenkomen. Iets persoonlijks, iets wat in iemand zit, wat iemand ertoe drijft om dingen te doen die uiteindelijk niet zo goed voor hem blijken te zijn en soms heel slecht. En er zijn omstandigheden die dat bevorderen, versterken, of wat dan ook. Het slaat precies op de Boeken die ik schrijf. Dus die twee dingen zijn samengevat in de titel; persoonlijke omstandigheden en het zijn ook persoonlijke omstandigheden die de verliefde hoofdpersoon in Weerzin de das omdoen. Dus het is niet alleen maar een lotsbeschikking, want dat zou de eigen verantwoordelijkheid van de karakters wegnemen en ze zijn wel degelijk zelf verantwoordelijk voor de problemen die ze over zichzelf afroepen.“


Appels omstandigheden
Hoewel René Appel geen colleges meer geeft zit hij niet stil. Hij heeft een filmscenario en een toneelstuk geschreven. Tot juni is hij voorzitter geweest van de beroepsvereniging van schrijvers en literatoren en momenteel zit hij in het bestuur van Amsterdam Wereldboekenstad en is hij in gesprek met iemand die een thrillerserie tot hoorspel wil gaan maken. Zijn woonplaats Amsterdam bevalt hem uitermate goed en aan een terugkeer naar zijn geboortedorp moet hij niet denken. “Ik kom uit Hoogkarspel. Ik ben volledig uit de klei getrokken. Ik heb geen Weerzin tegen het platteland ontwikkeld, maar ik zou er nooit willen wonen. Nee, o nee, nooit van mijn leven. Dat iedereen kent iedereen vond ik erg benauwend. Ik houd wel van de anonimiteit van de grote stad. En je hebt hier allemaal voorzieningen. Je kunt overal naartoe. Er is altijd van alles. In een dorp is gewoon niks. Natuur en dorp zijn mooi, maar niet om in te wonen.”



Over de auteur

Kees de Bree

87 volgers
13 boeken
0 favorieten
Auteur


Reacties op: Interview René Appel

 

Gerelateerd

Over

René Appel

René Appel

Ik ben schrijver van misdaadromans, als zodanig waarschijnlijk bij veel lezers bekend.