Advertentie

Hebban vandaag

Column /

Jelmer Jepsen: Logboek van een barmhartige boekenbaldag 

Vrijdag 6 maart 2015.

Na een rusteloze nacht stap ik om kwart voor zeven uit bed. Er was iets vandaag, maalt het door mijn nog wazige hoofd, maar wat ook alweer? Oja, de hond.


In de woonkamer hoor ik haar al aan de deur krabbelen, zoals ze dat altijd doet, ongeveer vijf seconden nadat ik mijn voeten zo geruisloos mogelijk op het slaapkamertapijt heb gezet. Het gekrabbel van Joni gaat al snel over in springen, en daarna blaffen. Kom op baasje! Eruit! Spelen! Eten! Het bos in!
 Maar vandaag niets van dat al. Het zal vandaag allemaal anders lopen, alleen weet zij dat nog niet.


Een uur later lever ik haar hevig gepikeerd en verbaasd af bij de dierenarts. ‘Een spannende dag,’ glimlacht die vriendelijk. ‘Maar niets om u zorgen over te maken, hoor. Het is een standaard ingreep. Sneetje in de buik, eierstokken en baarmoeder eruit, en weer dicht met die hap. Over een uur of drie kunt u haar al weer komen halen.’

‘Is er dan veel bloed?’ vraag ik bezorgd, want er was vandaag nog iets anders aan de hand, heb ik mij ondertussen gerealiseerd. Begin van de middag moet ik de trein in, naar Amsterdam. Ja, als ik Joni weer kom halen zal ik mijn nette pak aan hebben. Mijn boekenbal-outfit, welteverstaan, en ondanks dat het thema van deze boekenweek ‘waanzin’ is, wil ik mijn allereerste entree op dit gerenommeerde event niet meteen op de spits drijven.
‘Geen bloed,’ verzekert ze me. ‘Drie hechtingen onderhuids, meer niet. Ze zijn tegenwoordig heel knap met die dingen.’

Terwijl ik mij in de auto terug naar huis afvraag wie die ‘ze’ eigenlijk zijn – ik dacht toch echt dat de dierenarts deze ingreep zelf ging doen – probeer ik tegelijkertijd te bedenken welke kleur schoenen je eigenlijk aan moet onder een bruin pak. Bruine? Zwarte? Of een heel andere kleur, misschien? Ik heb ergens nog een paar groene galaschoenen liggen.

Drie uur later en met mijn zwarte schoenen aan blijkt dat er inderdaad weinig bloed is. Wel is Joni compleet stoned en trakteert ze mij op de weg naar huis vanaf de achterbank op een onafgebroken hoog gehuil: hoofd in de nek, borst vooruit, snuit omhoog, zoals wolven doen. Gelukkig is de andere baas inmiddels ook thuis gearriveerd, en moet ik een half uur later met pijn in mijn hart de deur achter mij sluiten om naar het station te gaan. The show must go on!
 Weer een uur later stap ik uit lijn tien, het Leidsche Plein op. Het is inmiddels halverwege de middag en Amsterdam baadt in het eerste lentelicht. Verderop zie ik mensen die bezig al zijn de schouwburg te versieren, voor vanavond. Ik draai mijn hoofd weg. Deze dag neem ik in porties. En de eerste portie is inchekken in mijn hotel, en dan uit eten. Willeke Alberti schijnt ook aan te schuiven, want zij zit bij dezelfde uitgever. Als mijn moeder mij nog in haar leven had geduld, was ze vast trots geweest.

Maar even later in het restaurant blijkt: geen Willeke. ‘Die moet straks optreden met Dimitri,’ fluistert mijn redacteur me toe terwijl ze naar de andere tafels wijst. ‘Maar het zit hier vol met medewerkers van andere uitgeverijen, en het is nog een verrassing, dus: sssst.’ 

Het eten is heerlijk, en aan het feit dat ik na ruim anderhalf uur tafelen gewoon nog een toetje bestel, lees ik af dat het met de spanning wel meevalt. Of zou dat door die flessen witte wijn komen, die maar voorbij bleven vliegen?

Om half negen gaan we op weg naar de schouwburg, vanaf het restaurant maar een klein stukje wandelen. Op de rode loper is het koud en winderig, maar iedereen is uitgelaten en we zetten elkaar uitgebreid op de foto. In de schouwburg is het warm en druk. We blijken prachtige plaatsen te hebben met een goed zicht op het podium. Tot mijn vreugde is de presentatie van de avond in handen van Margreet Dolman. Een jaar geleden mocht ik ter gelegenheid van mijn debuut al eens te gast zijn in haar TV-programma, in de beroemde vensterbank. Het was hilarisch en overweldigend tegelijk, en datzelfde kunstje flikt ze vanavond weer. De zaal draagt haar op handen, en ze weet moeiteloos te wisselen tussen kolder (het interview met de Vlaamse dichteres Maud Vanhauwaert) en ernst (het gesprek met Maarten Biesheuvel).

En dan is het zaalprogramma afgelopen en kan het echte feest beginnen. Ik confisqueer eerst twee glazen champagne, en rook op het AJAX-balkon drie sigaretten. Dan gaan we terug het gebouw in, dat inmiddels veel gelijkenis toont met een stomende mierenhoop, waar iedereen zijn eigen paadje loopt en zijn eigen taak of doel heeft. Ikzelf heb geen doel, ik zou niet weten wat, en dus ga ik maar snel naar de dansvloer. 
Want eigenlijk heb ik toch stiekem een doel. 

En dat is niet voorgesteld worden aan Connie Palmen. Veel mensen uit boekenland weten dat ik haar erg bewonder, en er zal vanavond maar een gek tussen zitten die ons beiden herkent, en…
Nee. Gewoon: nee.

But in the flesh how would it be? / If you could really see / The weaknesses you never knew / Alive and staring back at you.

Dit is een citaat uit het nummer Heavenly Nobodies van de geweldige band Lush, én een advies dat ik jaren terug al zeer ter harte heb genomen. Geen praatje met Kristin Hersh, toen dat kon, backstage in Tivoli. Niet op de foto met Linda Hopper toen zij naar mijn chaperonne van die avond schreeuwde dat best te willen. Tori Amos, scheer je weg, die keer dat ik in het publiek zat bij Paul de Leeuw en de floormanager die ik kende wel wat voor me kon regelen. En jij nu dus ook Connie! Gaat heen. Ik doe het niet, ik wil het niet.

En dus danste ik, want de dansvloer leek me bij uitstek een plek waar La Palmen haar goddelijke kontje niet zou vertonen. Ik danste, dronk en rookte, totdat ik iedereen kwijt raakte, deels weer vond, en weer kwijtraakte. 

En om twee uur stond ik ineens weer buiten. De bastonen in de muziek waren het laatste half uur overschaduwd geraakt door een bepaald geluid. Een geluid dat mijn naam had geroepen. Een geluid waardoor dat hele boekenbal ineens niets meer voorstelde. Wat deed ik hier eigenlijk, zo ver van huis, midden in de nacht?

In snelle pas liep ik terug naar het hotel.

Slapen en naar huis.
En dan terug naar het geluid.

Ja.

Ineens was het wolvengehuil van mijn lieve, gewonde Joni het mooiste geluid dat ik me voor kon stellen. Alive and staring back at me, als het even kon.

Jelmer Jepsen (1976) debuteerde twee jaar geleden met zijn roman Vallen als het heet is. In mei van dit jaar verschijnt zijn tweede roman, De Circusvrouw. Op Hebban schrijft Jelmer maandelijks over bijzondere ervaringen in zijn schrijversbestaan en over de ontwikkelingen rondom zijn tweede boek.



Over de auteur

Jelmer Jepsen

42 volgers
6 boeken
0 favorieten
Auteur


Reacties op: Jelmer Jepsen: Logboek van een barmhartige boekenbaldag 

 

Gerelateerd