Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Kort verhaal: 'Honger' van Tom Thys

door Hebban Crew 1 reactie
De Vlaming Tom Thys publiceerde verhalen in bloemlezingen, literaire tijdschriften en online. Met zijn verhaal 'De Wondertoren' won hij de Fantastels Feniksprijs. Ook behaalde hij de eerste plaats in de prozawedstrijd van Woordenstroom.org en de tweede en derde plaats in de W.J. Maryson Talent Award (Paul Harland Prijs).
In oktober 2014 verscheen zijn eerste verhalenbundel, 'Volmaakt monster', waarin hij de grenzen van horror, magisch realisme, sciencefiction verkent. Hebban Kort mag een van de verhalen uit deze bundel publiceren: 'Honger'.
Daarnaast maak je tot en met 31 december kans op een exemplaar van dit boek: doe dus zeker mee aan onze giveaway.


Honger

Ze hebben je al drie keer vermoord, maar je leeft nog steeds. De eerste keer was het zo’n irritante slager die zijn hakmes in je schedel had geplant. Hij kwam langs achter en voor je het wist zat het blad al diep in je hersenen. Nog geen uur later strompelde je weer door de stad, op zoek naar vlees. De tweede keer was het een bloedmooie blondine die je hoofd tot moes had geslagen met een honkbalknuppel, de derde keer een droge knal van een sluipschutter die zich op het dak van een supermarkt verschanst had. 

Er is veel veranderd sinds het virus uitbrak. De stad ligt er doods en verlaten bij. Auto’s staan kriskras door elkaar, deuren van huizen hangen wagenwijd open in hun scharnieren. Het panorama van wolkenkrabbers is herleid tot sombere glazen geraamtes en de altijd zo drukke wegen zijn slechts lege spiralen in een niemandsland. Niets leidt naar nergens. De lucht smaakt bedorven. De oorspronkelijke bewoners zijn gevlucht, gebeten of hebben zelfmoord gepleegd. Op een aantal groepjes na. Zij verschuilen zich in supermarkten of sterk beveiligde gebouwen en hebben zich tot de tanden bewapend.
Het wordt steeds moeilijker om aan vlees te komen. Met wat geluk krijg je af en toe zo’n eikel te pakken die de held probeert uit te hangen. Of een verdwaald kind. Maar er is niet genoeg voedsel voor iedereen en je vraagt je af wie het eerst zal verhongeren: jij of de laatste mensen.
Hoewel je dood bent voel je nu meer dan ooit, ook al zijn je spieren en zenuwen niet meer in staat om er uiting aan te geven. Probeer maar eens te huilen of te lachen met wegrottende kaken en uitpuilende oogbollen. Je slaag er slechts in een combinatie van gereutel en roestige keelklanken voort te brengen. Je zintuigen zijn erop achteruit gegaan, behalve je reukzin, die is optimaal. Je ruikt vlees vanop tientallen meters afstand. Helaas ruik je ook jezelf, zeker nu de verschroeiende hitte het rottingsproces van je dode lichaam versnelt.
Herinneringen heb je ook nog steeds. Ze dwalen als echo’s van bittere schuldgevoelens door je hoofd. Elke minuut van de dag denk je aan Lilly en jullie dochter Ella. Je vraagt je af waar ze zijn. Zouden ze nog leven? De laatste keer dat je iets van hen vernam was toen je Lilly belde om te vragen of zij Ella van school kon halen. Je zat bij de tandarts: de klootzak die je gebeten heeft. Nu de zon stilaan ondergaat en het duister als een onheilspellende schaduw over de stad klimt, mis je Lilly en Ella nog harder dan overdag. Het is alsof de nacht je eraan wil herinneren hoe eenzaam het leven van een gebetene is.

De zon is nu helemaal onder en de bleke maansikkel hangt als een dreigende zeis in de zwarte nacht. Het is tijd om op jacht te gaan. Dit is het moment waarop het gekreun in de verte aanzwelt en spookachtige schaduwen van strompelende lijken de straten ontsieren. Soms hoor je een korte gil of een lang, aanhoudend geschreeuw van een mens. Een man of een vrouw, dat valt meestal niet uit te maken. Je vindt het vreselijk, maar ook jij moet eten. Je scheurt van de honger.
Ter hoogte van een kruispunt loopt een man. Voedsel, is het eerste wat je denkt. Hij is helemaal alleen. De man kijkt behoedzaam over zijn schouder en loopt vervolgens de wapenwinkel op de hoek binnen. Als je het goed aanpakt, is hij van jou. Je probeert je zo snel mogelijk naar de winkel te begeven, maar dat is niet eenvoudig met beenspieren die voor de helft verteerd zijn. Je linkerbeen maakt een slepend geluid op het asfalt. Tien meter scheiden je van je prooi. Je reflexen zijn waardeloos, dus je moet hem verrassen.
Te laat. Een horde van een tiental doden komt van achter de hoek gewankeld. Eén voor één wurmen ze zich de winkel binnen. Het duurt niet lang voor je een ijselijk geschreeuw hoort, gevolgd door twee schoten, gerinkel van glas en daarna het kreunen van de eters. Met bebloede monden komen ze weer naar buiten. Ze hebben hem te grazen genomen. Kans gemist.
Soms vraag je jezelf af hoe lang je dit nog volhoudt. De stad is niet meer zoals ze ooit was, net zoals haar inwoners niet meer zijn wie ze ooit waren, of ooit nog zullen zijn. Zelfs de maan lijkt niet meer hetzelfde als twee weken geleden. Ze lijkt naar je te grijnzen. Alles is in korte tijd veranderd, onherkenbaar geworden. Die gedachte bezorgt je een kil gevoel vanbinnen, alsof alles wat je dierbaar is voor je ogen verbrokkelt.
Tijdens het mijmeren mis je bijna een subtiele beweging in je ooghoek. In de schaduw van een aftandse kerk loopt een meisje dat angstig om zich heen kijkt terwijl ze zich met nerveuze pasjes door de straat begeeft. Alsof ze verdwaald is.
Deze keer mag je jouw prooi niet laten ontsnappen. Je strompelt naar haar toe en omzeilt de door maanlicht verlichte stoep. Het is muisstil. Je kan de wind zelfs horen fluisteren, kil en onheilspellend, en voor het eerst in dagen valt er op de achtergrond nergens gegil of gekreun te bespeuren. Jullie zijn helemaal alleen. Door haar weifelende pasjes slaag je erin om ongezien te naderen. Af en toe kijkt ze om zich heen, maar ze is waarschijnlijk zo bang dat de werkelijkheid niet tot haar doordringt. Wanneer ze halt houdt in een steegje om haar veter vast te knopen, maak je meteen tien meter goed. Bij elke stap die je zet, slinkt de afstand. Je hoop dat ze het gesleep van je voet niet hoort. Gelukkig staat de wind goed, dus wellicht ruikt ze je niet.
Aan haar morsige en verscheurde kleertjes te zien leeft ze al een tijdje op straat. Ze draagt een rokje met gaten en haar blanke beentjes zijn besmeurd met vegen. Op één van haar knieën zit een wonde. De geur van die wonde maakt je helemaal gek. Haar gezichtje kan je niet goed zien, maar haar haren zitten in de war. Je kan niet wachten om je tanden in haar jonge vlees te zetten. Nog vijf meter.
Wanneer je per ongeluk met je voet tegen een leeg bierblikje stoot, kijkt het meisje geschrokken op. Een ogenblik is ze verstijfd van angst, maar dan rent ze weg. Nog voor je jezelf kan vervloeken omdat je alweer je kans verkeken hebt, struikelt ze over de stoeprand. Ze blijft huilend liggen. Het lijkt erop alsof ze haar enkel verstuikt heeft. Heel even probeert ze op te staan, maar dan zakt ze weer door haar benen en tracht ze krampachtig van je weg te kruipen. Tussen het snikken door schreeuwt ze: ‘MAMA!’
Je had nooit durven hopen dat het zo gemakkelijk zou gaan. Ze ligt daar zomaar voor het grijpen. Wanneer de afstand tussen jullie nog slechts twee stoeptegels bedraagt, stort je je op het meisje dat vol afgrijzen haar gezicht van je afwendt en krijst voor de pijn die komen gaat. Je bijt haar op de plaats waar haar vlees het sappigst is, in haar hals, net naast haar luchtpijp. Terwijl ze je met hulpeloze schopjes van zich af probeert te stampen, laat je je tanden in haar blanke vlees zinken. Ze schreeuwt. Haar stem slaat over en echoot in de lege straat als een macabere symfonie. Dan sterft haar stem en biedt ze geen weerstand meer. Je neem nog een hap uit haar.
Op dat moment hoor je een schelle vrouwenstem die het woord “Ella” vormt. De stem klinkt woest, maar tegelijkertijd bang en wanhopig. Pas wanneer de betekenis van dat ene woord tot je doordringt, besef je wat je gedaan hebt. Je draai het lijkje van het meisje met haar gezicht naar je toe en kijkt in de dode ogen die je daarnet in je razernij niet herkend had. Hoe kon je niet zien dat dit frêle lichaampje je lieve dochtertje toebehoorde? De honger had je vast helemaal verblind.
De stem die haar naam nogmaals roept is afkomstig van Lilly. Dagenlang heb je ervan gedroomd om haar terug te zien, maar nu wens je dat dit moment nooit had plaatsgevonden. Wanneer Lilly het bloedbad ziet, stormt ze als een furie op je af. Natuurlijk herkent ze je niet. Voor haar ben je een zoveelste levende dode, een eter, een moordenaar. Ze neemt de revolver die onder haar trui verborgen zat. Zonder verpinken, maar met een gezicht vol tranen en een blik die koude haat uitstraalt, richt ze de loop op je hoofd en haalt de trekker over. Je doet een vergeefse poging om haar tegen te houden, om haar te tonen wie je bent. Terwijl je achterover valt hoor je de luide knal nog nagalmen.
De stekende pijn in je hoofd werkt verlammend. Binnen een tweetal seconden ben je dood, slechts voor even, want straks strompel je weer door deze vervloekte stad. Het enige wat je kan hopen is dat je deze keer niet wakker wordt.

(c) 2014 Tom Thys

Dit korte verhaal van Tom Thys is opgenomen in de verhalenbundel 'Volmaakt monster'. 



Over de auteur

Hebban Crew

1674 volgers
3 boeken
3 favoriet


Reacties op: Kort verhaal: 'Honger' van Tom Thys

 

Gerelateerd

Over

Tom Thys

Tom Thys

Tom Thys (Antwerpen, 1983) is de auteur van meerdere verhalenbundels, waaronder ...