Advertentie

Hebban vandaag

Nieuws /

Kort verhaal: Ludwig van Eva Kelder

Vanaf vandaag drie weken lang op vrijdag een kort verhaal van Eva Kelder. We trappen af met Ludwig en in samenwerking met Meulenhoff verloten we elke vrijdag een exemplaar van Eva’s debuut Het leek stiller dan het was!

Ik leerde Ludwig kennen in een periode van mijn leven dat het niet zo lekker ging. Wat er precies aan de hand was, doet er niet toe. Laten we zeggen dat de dingen niet gingen zoals ik het wilde. Zelfs de postbode trok zich daar niets van aan en bezorgde keer op keer dezelfde mediabox waar ik nooit om had gevraagd.

Het was op zo’n ochtend toen ik de deur uitging met de mediabox onder mijn arm geklemd dat ik bijna tegen Ludwig opbotste. Hij vertrok geen spier, alleen zijn staart sloeg één keer van links naar rechts. Het was niet moeilijk om Ludwig over het hoofd te zien. Niet door het gebrek aan persoonlijkheid, integendeel, maar door de omvang van de buurman. Die omvang waardoor Ludwig altijd in de schaduw stond.
‘Moggûh,’ zei de buurman.
‘Moggûh,’ zei ik. Ik heb de neiging me aan te passen, dat heb ik altijd al gehad.
‘Hoe gaat het met u?’ Ik boog door mijn knieën, de mediabox smakte op de stoeptegels, stak mijn hand uit en aarzelde.
‘Hij bijt niet,’ zei de buurman die A.W. Moorlach heette, en die ik in gedachten Andreas had gedoopt; zo zag hij eruit.

Ik streelde de hondenkop en voelde hoe het vet van zijn huid tussen mijn vingers kroop.
Vanavond zou ik naar hond ruiken. Sebas, mijn vriend, had een hekel aan geuren, en zou mijn vingers niet in zijn mond nemen. Ik wilde altijd al een hond, maar er waren allergieën. Vroeger, thuis. Vandaag zou ik mijn handen wassen zonder zeep.

Op mijn werk keek ik naar het raam. Niet eruit, want het raam was ver weg en het enige wat ik zag een streepje lucht boven het kozijn. Om mij heen piepten telefoons. Ik hoorde de Lambada, dat was de telefoon van mijn collega. Ze wiegde in haar stoel.
‘Leuke ringtone,’ zei iemand.
‘Je moet toch met je tijd meegaan hè,’ zei de collega. Ik keek naar mijn roerloze telefoon en dacht aan wanneer ik Ludwig weer zou zien. Het contact was kort geweest vanmorgen.

Die avond belde ik aan bij A.W. Moorlach. Hij deed open in een kamerjas met glanzende patronen. Tijgers en paradijsvogels, iets met de jungle. Hij kwam vast uit wat vroeger Nederlands Indië was. Hij had iets sjieks en droevigs tegelijkertijd. Misschien beeldde ik het me in, maar ik dacht dat ik sambal rook.
‘Jij komt vast voor Ludwig,’ zei hij alsof ik een moeder was die haar kind kwam ophalen na een dag spelen.
‘Graag,’ zei ik alsof het al vanzelfsprekend was allemaal. Hij rekte zich uit en pakte de riem die hoog aan de kapstok hing. De kamerjas viel open en ik zag een kier van bleek mannenvlees.
‘Hij kan ook zonder riem, maar voor de zekerheid op straat. Ludwig is een denker, snel afgeleid,’ zei hij trots.
‘Natuurlijk,’ zei ik en keek naar de penning. Ludwig Moorlach.

‘Kom, Ludwig,’ zei de buurman. Hij sprak de g uit als een k. Ludwig kwam aangelopen. Kalm, geen ademteug te veel. Hij rekte zijn hals en keek me aan.
‘Veel plezier,’ zei de buurman. We liepen het donker in.

Vanaf die avond was Ludwig vaste prik. Maandag tot en met vrijdag van A.W. Moorlach. ‘s Avonds en in het weekend van mij. Sebas ging nooit mee op onze wandelingen.
‘Ik zie je daarna wel,’ zei hij door de telefoon.
‘Ok,’ zei ik en kwam expres te laat.

De dingen werden anders sinds Ludwig. Ik maakte vrienden op het veldje. Dat deed Ludwig. Hij trok ze aan.
‘Wat een mooie hond,’ zeiden de mensen en streelden hem over zijn rustige kop. ‘Ludwig is mijn stiefhond,’ zei ik dan. ‘Hij heeft nog een ander baasje, maar is graag bij mij.’

Het werd al snel duidelijk dat Ludwig anders was. Hij overzag het veldje vanaf zijn eigen rots. Soms werden de honden gek. Ze gromden als leeuwen in een dierentuin, gedempt, maar toch bloeddorstig. Wie het startsignaal gaf was onduidelijk, niet Ludwig natuurlijk. Beheerst wandelde hij van de kluwen vandaan. Langharig werkschuw tuig in mijn park. Dat was vroeger wel anders. Van een afstandje keek hij toe. De honden vielen elkaar aan als yuppenmannen, jongens eigenlijk nog, die de kinderwagens geparkeerd hadden en elkaar blauw schopten tijdens een ‘mooi partijtje fussbal’. Ludwig en ik keken ernaar en gingen naar huis.

Sebas en ik waren vier jaar bij elkaar.
‘Wat zullen we doen?’ zei Sebas.
‘Laten we gaan dansen,’ zei ik. ‘Dat doen we nooit meer.’
We gingen dansen. Daar was ik goed in. Mijn vriendinnen waren er ook. Ik had meteen spijt. Sebas boog zich naar mijn mooiste vriendin, de makkelijkste ook.
‘Hoe gaat het met jou?’ hoorde ik hem schreeuwen terwijl hij met zijn vingers langs de gladde stoppels in zijn hals gleed. Hij scheerde twee keer per dag en wist zeker dat hij mij in één keer zwanger zou maken. Maar er was nog steeds geen kind. Niet bij mij in ieder geval.
‘Liefdesverdriet,’ schreeuwde de vriendin en knipperde met haar wimpers.
‘Jij? Onmogelijk!’ Sebas keek naar haar, langzaam van boven naar beneden, en legde een arm om haar schouder.
‘Ik ga,’ zei ik terwijl ik hoopte dat hij achter me zou komen staan en mijn nek zou zoenen.
‘Nu al?’ zei Sebas. De vriendin keek de andere kant op. Haar wangen waren rood.
‘Nu al,’ zei ik en keek alsof ik al ergens anders was.

Ik negeerde hem een week. Eerst belde hij vijf keer per dag. Ik negeerde het vijf keer. Daarna begon hij te sms’en. Hij bedacht veel varianten op sorry zonder dat hij schreef dat het hem speet. Daar was hij goed in. De avond van de achtste dag voelde het huis leeg. Wanneer zie ik je weer? sms’te ik. Als straf at ik een blok chocola.
Op mijn werk planden ze een uitje. Paintballen. Ik kan niet mee, zei ik. Ik heb een logé. Ik hoefde niks uit te leggen. Die avond vroeg ik A.W. Moorlach of Ludwig mocht blijven slapen. ‘Dat mag,’ zei hij terwijl hij zijn kamerjas strakker om zijn buik trok. Hij keek ongerust.
‘Is het wel warm bij jou thuis?’
‘Ik laat de verwarming aan,’ zei ik.

Sebas wilde nog steeds niet mee naar het veldje. Ook al had ik hem nu zelfs gesmeekt. Op een zaterdag maakte ik het uit aan de gracht. Sebas zei niet veel. Alleen: ‘dan hielden we dus niet genoeg van elkaar.’ Mijn tranen vielen in het schuim van mijn bier. Geruisloos. Ik dacht dat ik de enige was met twijfels.

We liepen naar onze fietsen met veel ruimte tussen ons in. Toen we de fietsen van het slot haalden, sloegen de kettingen tegen het metaal van de brug. Ik voelde het tussen mijn kiezen die ik op elkaar geklemd hield omdat ik geen woorden meer had. We zeiden gedag en lege dingen als: het ga je goed. Opgelucht fietsten we allebei een andere kant op. Was het toch nog ergens goed voor dat hij in oost woonde en ik in west.

Het was een mooie dag eigenlijk. De zon scheen op het water en de mensen in bootjes dronken rosé. ‘Joehoe,’ joelde er een. Vast niet naar mij dacht ik. Ik sloeg de hoek om van mijn eigen straat. Voor mijn deur stonden mensen. Ze keken naar het water. Hun gezichten hadden een vreemde kleur, tussen rood en roze in. Hun monden hingen een beetje open alsof ze het antwoord niet wisten op een moeilijke vraag.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik. Liever was ik gewoon naar binnen gegaan, ik hield niet van aapjes kijken, maar ze stonden voor mijn voordeur. Rijen dik.
‘Er ligt een man in het water,’ zei een vrouw met kort hennahaar. ‘Hij is dood.’ Ze keek alsof ze dat zelf had vastgesteld, na onderzoek. Ik zag het zelf zo ook wel.

A.W. (Andreas Wendel) Moorlach dreef op zijn rug. Alsof hij de bootjes van dichtbij had willen bekijken, al dat vertier. Ze voeren om hem heen, in brede banen. Golfjes klotsten over zijn buik, die nu nog dikker leek of kwam dat door het water dat in zijn lichaam trok. Zijn handen lagen gevouwen op zijn borst.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik.
Zelfmoord,’ zei de vrouw alsof er maar een waarheid was. Ik zag het grijs bij haar slapen.

Ik vond het erg voor Andreas Wendel Moorlach wat ook de reden was waarom hij daar dreef. Ik dacht aan de tijgers en paradijsvogels op zijn kamerjas en de familiealbums die ik door zou spitten als enige bekende van de overledene. En de tropische geheimen die ik misschien zou ontdekken. Ik vond het erg, maar niet daarom liet ik mijn fiets vallen en gilde ik ‘laat me erdoor’ als een moeder die haar kind midden op een kruispunt ziet staan. Ik duwde de vrouw opzij en alle andere mensen tot ik aan de waterkant stond en zag waarvan ik wist dat ik het zou zien. Op de kade, tussen twee auto’s, zat Ludwig. Berustend keek hij naar mij op. Ludwig wist hoe de dingen gingen. De penning aan zijn riem hing in het water. De zon weerkaatste op zijn gegraveerde naam. Je bent een koning dacht ik. En je hoort bij mij.

Maak drie weken lang elke week kans op een gratis exemplaar van Het leek stiller dan het was van Eva Kelder!



Over de auteur

Hebban Crew

1639 volgers
3 boeken
3 favoriet


Reacties op: Kort verhaal: Ludwig van Eva Kelder

 

Gerelateerd

Over

Eva Kelder

Eva Kelder

Eva Kelder (1980) studeerde Engelse Letterkunde en Journalistiek. Tijdens het we...