Advertentie

Hebban vandaag

Nieuws /

Kort verhaal: Soldaat van Eva Kelder

De afgelopen twee weken plaatsten we op vrijdag een kort verhaal van Eva Kelder. Vandaag mogen we daar het derde en laatste verhaal aan toevoegen, 'Soldaat'.

i

We waren op weg naar het zwembad. Koeien hingen loom in de wei. De cup van mijn nieuwe topje kleefde aan mijn huid. Suus fietste naast me. Haar benen waren sterker dan die van mij, slanker ook. Ze stak haar tong uit. ‘Ik bek met de lucht,’ zei ze en likte langs haar lippen. Ik vond het er vies uitzien, maar zei niets. Suus was een vriendin, maar nu ik er aan terugdenk weet ik geeneens of ze me wel mocht. Die zomer waren we vriendinnen en daarna zagen we wel verder. Suus en haar blonde haren in golfjes, Suus die aan haar ijsje likte als ik een hap nam.
‘Heb jij eigenlijk al eens geneukt?’ vroeg Suus. Nee, natuurlijk niet! Ik keek naar het gras dat verdroogd tussen de tegels woekerde. Het klimaat verandert, dacht ik. ‘Ja echt wel,’ zei ik. Bijna haakte mijn stuur in dat van haar. Mijn fiets maakte een slinger.
‘Lekker hè?’ zei Suus. Voordat ik bedacht had of het een vraag was of een feit, slaakte ze een gil. Het klonk nep, maar haar mond hing open en Suus gaf om dat soort dingen. Dit was echt.
Op het fietspad lag een dood konijn. ‘Suus, wacht!’ zei ik. Suus stond op haar trappers. Ik remde af, reed cirkels om hem heen. Sliertjes darm glansden roze in de zon. ‘Kom, nou, we komen te laat.’ Suus’ stem bibberde. Zo ver weg was ze al. Haar blonde haren leken in de fik te staan. Warme lucht deed ze trillen.  

In het zwembad, Tropical Heaven, zagen we de anderen. Bobby met één arm, Isabel in een bikini, Rogier - die Suus in haar billen kneep terwijl iedereen keek - en Tim. Het rook naar chloor en patat. Mijn badpak kroop tussen mijn billen. Aan de voorkant trok de boel alles strak. Ik dook het zwembad in voordat iemand het zou zien. In het water was alles losser.
‘Moet je die mongool zien!’ Rogier wees naar de tropische glijbaan waarin een dikke jongen klem zat. Zijn handen drukten tegen de wand als kinderlippen tegen een autoruit. We lachten. Tim het hardst. Zijn gezicht werd paars. Zijn mond, die mij als eerste zou zoenen, dat wist ik zeker, een streep. ‘Help,’ vormden de lippen van de dikke jongen. Hij keek me recht aan. Ik lachte nog harder dan Tim. Verbaasd keek hij opzij. Samen werden onze stemmen schel.

We zwommen. De jongens zaten aan de meisjes. Nou ja. Rogier aan Suus, Tim aan Isabel en Bobby aan niemand natuurlijk, want die had maar één arm. Ik zei dat ik mijn onder-water-handstand wilde oefenen. Eerst hadden we niet door dat we niet alleen waren. Er waren een heleboel mensen natuurlijk, maar die letten niet op ons. Te druk met elkaar of met zwembandjes om kinderarmpjes schuiven. Zo had mijn vader een keer mijn buurmeisje bijna laten verzuipen. Hij deed een zwemband om haar nek. Zo’n grote waar je je armen om heen slaat om te blijven drijven. Ze zonk onmiddellijk. Zeg maar niks tegen haar ouders, had mijn vader op de terugweg gezegd.
Daar waren de mensen dus mee bezig. Op één man na. Hij droeg een roze zwembroek met pelikanen erop. Hij zwom niet. Hij stond onder het watergordijn en keek naar Suus. Om de paar minuten hield het watergordijn even op en dan zag het er best vreemd uit hoe hij daar stond, nat terwijl het droog was. Na een tijdje waren we verveeld. Mijn mond voelde droog en mijn huid bobbelig. ‘Waar is Suus?’ zei iemand. ‘Hoe moet ik dat nou weten,’ zei Rogier terwijl de vraag niet aan hem was gesteld. Hij keek bezorgd. We keken om ons heen, het gekrioel maakte je duizelig. In Tropical Heaven kon je maar beter naar één ding tegelijk kijken. Naar Tim bijvoorbeeld die een duik nam van de hoogste.
Even vergat ik Suus. Pas in de fietsenstalling zag ik haar weer. Van achteren. Haar hoofd knikte heen en weer alsof het los zat. Ik kwam dichterbij. Het was helemaal achterin, waar de brommers stonden. Mijn voet bleef hangen in een pak verweekt papier. Ik struikelde over iemands krantenwijk. De man uit het zwembad was er ook. Hij had me niet gehoord. Hij bonkte tegen Suus aan. Steeds sneller alsof er haast bij was. Suus zag me. Haar lippen seinden gesmoord als de roep van de jongen in de zwembuis. Dit keer moest ik niet lachen. Ik werd misselijk. Ik wilde iets zeggen, iets van ‘Suus, gaat het?’, maar ik maakte geen geluid.
Het brommerslot was zwaarder dan ik dacht. Bijna glipte het uit mijn vingers. Modder maakte de schakels glad. Ik haalde uit. De schakels suisden, maar het kan ook mijn adem zijn geweest of die van Suus. Er zat een hand om haar keel. Het barsten van zijn schedel klonk vertrouwd. Als het knappen van een dennenappel onder mijn laars. Het bloed kwam sneller dan ik had verwacht. Overdreven veel ook. Het maakte me nieuwsgierig. Ik boog me over zijn wond. ‘Wauw,’ zei Suus. Ik schrok op van haar stem. Met een groot oog keek ze me aan. Het ander had hij dichtgeslagen. Op haar kin kleefde bloed. We keken naar de man. Naar zijn schedel die nu ook roze was net als zijn zwembroek. Suus sloeg haar armen om zich heen. Ze spuugde een klodder bloed op de grond. Haar adem piepte, ik verstond amper wat ze zei: ‘Is-ie dood?’

ii

Mijn moeder begreep het niet. ‘Je gooit je hersens weg,’ zei ze. Niet één keer maar elke dag, een jaar lang. ’s Avonds schoof ze pacifistische blaadjes onder de kier van mijn slaapkamerdeur door. En stencils, gekopieerd op haar werk - als niemand het zag, stelde ik mij voor - met passages uit Mein Kampf. Hoe ze er aan kwam, mag Joost weten. Ik verbrandde de stencils na een blowtje met mijn vrienden op het veldje achter het huis. Na een jaar pakte ik mijn rugzak, stapte in de trein en deed pas weer mijn ogen open toen ik op de basis aankwam.

Ik was een dag met verlof. Mijn kisten had ik uitgetrokken bij de keukendeur. Toch lagen er plakken modder op het marmer. Mijn moeder gooide een zak voorgesneden groente in een wok. ‘Lekker met vis,’ zei ze. Ik keek naar de eerste vetrollen die zich voorgoed aan haar zijde hadden vastgezogen. ‘Ik stel me verkiesbaar voor de gemeenteraad. Voor GroenLinks.’ Ze snoof boven het fornuis. ‘Ik schijn de juiste snaar te raken, bij de kiezers.’ Mijn vader zei niet veel. Hij pakte een flesje ketjap uit de koelkast en goot het leeg in de wok. ‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij en keek me aan. Misschien dacht hij aan hoe rond mijn wangen vroeger waren, wanneer die kinderwangen vervangen waren door mijn strakke jukbeenderen, ingevallen door het trainen met de anderen. Waar hij was toen het gebeurde en waarom hij de andere kant opgekeken had.

Ik miste het niet, thuis, omdat ik nu iemand anders was. Ik maakte nieuwe vrienden op de basis. Mannen vooral, oudere mannen, als ik eerlijk ben. Ze waardeerden mijn directheid, mijn humor, zeiden ze. Ik maakte harde grappen, niet over Marokkanen als de rest, maar over seks die een beetje misging. Grappen die mannen maakten, maar ik was een meisje. Ik liet mijn haar groeien en schoor mijn benen iedere dag. Het voelde als compensatie voor iets waarvan ik niet wist dat ik het miste totdat mijn moeder die ochtend dat ik vertrok zei dat ze nu geen dochter meer had. Vrouwen waren niet gewelddadig. Ik kon niet uitleggen waarom ik dat geweld nodig had. Wat er door mij heenging als een onderofficier zich tijdens een schietoefening in zijn eigen poot geschoten had. Ik de paniek in zijn ogen zag en wist dat ik alleen hem kon redden. Lopen of kruipen, fier of mank, dat verschil was ik. En dat ik zijn taal sprak. ‘Hoe lang zit je al bij de Baas?’ zei om zijn angst te dempen.

Ik haalde mijn AMV en mocht mezelf Algemeen Militair Verpleegkundige noemen. Ik was slim, zeiden ze, daarom ging het snel. Eén keer per jaar ging ik naar huis. Met Kerst. Tijdens de reebout vertelde ik dat ik wist wat ik wilde. Ik werd aardbei. Een luchtmobiel getrainde militair. Ik zag ze soms lopen. Kinnen in de lucht. Baretten de kleur van rood fruit. ‘Een aardbei?’ Mijn moeder verslikte zich. Ze vroeg vanachter haar hand: ‘Onschuldige burgers neermaaien vanuit je heli?’ ‘Elsbeth, nu ga je te ver!’ zei mijn vader. Hij kneep even in mijn arm. Eén keer per jaar was te kort.

Hij heette Hans en was getrouwd. We hadden fantastische seks. En hetzelfde gevoel voor humor. ‘Het enige verschil tussen jou en mijn maten zijn je tieten en je berenmuts,’ zei Hans terwijl hij zijn neus in mijn poes duwde. Hij trok me naar zich toe en keek me zo indringend aan dat ik mijn hartslag in mijn oren hoorde bonzen. ‘Je bent een soldaat, meisje,’ zei hij, ‘je hoeft niet zo stoer te doen, je bent een soldaat.’ Misschien had hij gelijk. Deed ik te veel mijn best. Als eerste en enige vrouw tussen de aardbeien haalde ik mijn huid open aan de touwbaan. Als een schoon gestroopt konijn kroop ik ’s avonds kermend in bed. Tijdens de oefeningen eindigde ik steevast als laatste. Eerst namen de mannen me niet serieus, maar al snel moedigden ze me aan: ‘Je kan het! Knallen, verbanddoos!’ De geuzennaam die ik aan mijn tijd bij de geneeskundige dienst had overgehouden.

Mijn vader belde iedere week.
‘Met papa. Hoe gaat het met je?’
‘Wel oké.’
‘Je moeder vraagt steeds naar je.’
‘Oh ja?’
Hij zuchtte en zweeg.
‘Ik ga morgen op mijn eerste missie, pap. Je dochter gaat de heli in.’
‘Kind, ik ben zo trots,’ zei mijn vader. Angst in zijn stem. ‘Je moeder is verkozen. Kom langs voor je gaat.’ Geen tijd, had ik gezegd en per ongeluk opgehangen zonder terug te bellen.

Het was donker, de grond was ver weg, er was beweging. Verdachte figuren rond een truck vol wapens. We vroegen om toestemming. We schoten. De poppetjes verdwenen in een vuurzee van stof en kogels. ‘Yeah!’ riep iemand. Er vielen burgerslachtoffers, hoorden we later. Vrouwen, kinderen. Iemand uit mijn eigen compagnie lekte naar de pers. Het werd opgepikt tot CNN aan toe. Het woord onschuldig viel en zinloos. ‘Nog even en ze houden een fokking stille tocht,’ zei een infanterist. Even waren we helden. Ik zat in een andere heli die nacht. We redden een jongen, een soldaat van de lokale troepen, uit een inferno van glas en rondvliegende granaten. We namen een snoekduik en hesen hem omhoog. Het wit van zijn ogen stond nog net een beetje groen toe. Zeventien, hoorde ik later. Zijn naam heb ik nooit willen weten. Langzaam, tergend langzaam haalden we hem binnen als een vette snoekbaars. Alleen stribbelde hij niet tegen. Hij hing stil en keek me aan. Mijn blik liet hij niet los. ‘Je bent er bijna,’ zei ik in een taal die hij niet begreep. Het komt goed. Nog een klein stukje.

Ik stond bij mijn moeder voor de deur. Voor mijn borst hield ik een bos chrysanten geklemd. Paarse, haar lievelingskleur. Ik droeg mijn uniform. De tere blaadjes bedekten mijn onderscheiding. Mijn moeder was niet naar de ceremonie gekomen. Ik had spijt dat ik mijn uniform droeg. ‘Laat zien wie je bent,’ had Hans die ochtend gezegd. ‘Dag mama,’ zei ik toen ze eindelijk open deed. Het was koud. Het winterlicht maakte haar gezicht bleek en haar trekken hard. Ze keek naar mijn uniform. Ik duwde de bloemen naar voren. Mijn onderscheiding ving het licht. ‘Ik keek net naar het nieuws,’ zei ze. Haar blik flikkerde. Ik wachtte tot ze de hordeur opzij zou schuiven. Ik wachtte totdat ik zou begrijpen waarom ze mij niet zag zoals anderen mij zagen. ‘Ik zag je op het nieuws,’ zei ze. Ze duwde haar mond tegen het gaas. ‘Onschuldige vrouwen en kinderen.’ Haar speeksel vloog tegen de hordeur en bleef glinsterend liggen als kruiend ijs op een zonnige dag. ‘We hadden daar nooit moeten zijn, jij had daar nooit moeten zijn.’

De heli zwenkte. ‘Weg hier,’ schreeuwde iemand. Het droge geratel van mitrailleurvuur. Ik verloor mijn evenwicht en rolde opzij. ‘Raak hem niet kwijt!’ Mijn handen werden glad als spek. Ik hield hem niet, liet los, het bange dier. Ik keek naar de rug van mijn collega. Zag de spieren bollen onder zijn uniform tot zijn armen met een ruk verslapten. Hij boog zijn hoofd: ‘We hebben hem laten gaan.’ Ik durfde hem niet aan te kijken. Keek naar de sterren die veel te helder aan de hemel stonden: ‘Nee, ik heb hem laten gaan.’

We dronken bier op de basis, omdat we terug waren. Er was geen feest, toch toostten we. ‘Dankzij ons gaan mooi wel honderdduizenden kinderen weer naar school,’ zei iemand. ‘Meisjes,’ mompelde ik. De sergeant liep langs net op het moment dat een van ons overgaf in de struiken. ‘Gaat alles goed hier?’

Ik heb ze geteld. Dertien mensen redden we die nacht. Dertien plus Suus. Maar het is nooit genoeg, snap je. Ik heb een man gedood. Mijn moeder heeft gelijk. Mijn moeder, die broodjes eet met de lokale middenstand en daarna handtekeningen zet. Mijn moeder met haar helicopterview, mijn moeder met hoogtevrees.





Over de auteur

Hebban Crew

1639 volgers
3 boeken
3 favoriet


Reacties op: Kort verhaal: Soldaat van Eva Kelder

 

Gerelateerd

Over

Eva Kelder

Eva Kelder

Eva Kelder (1980) studeerde Engelse Letterkunde en Journalistiek. Tijdens het we...