Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Boekmakers #7 / Mizzi van der Pluijm: 'Ik ben aan het eind van het begin'

door Jet Steinz
Paul Brandt ontdekte Robert Vuijsje, Nelleke Geel maakte Carlos Ruiz Zafón populair, Rienk Tychon boekte monstersuccessen met Dan Brown. Maar Mizzi van der Pluijm (1962), inmiddels 30 jaar werkzaam bij Atlas Contact en sinds 2011 directeur-uitgever, kan niet zeggen wat haar grootste ontdekking is. Of haar grootste succes. ‘Ik heb niet het gevoel dat ik iets heb bereikt. En ik ben benieuwd of ik dat gevoel ooit ga krijgen.’

Is het niet al een hele prestatie dat je aan het hoofd staat van een van de belangrijkste literaire uitgeverijen van Nederland, die voortdurend goed ontvangen boeken publiceert die ook nog eens bekroond worden — dit jaar nog won Jeroen Brouwers de ECI Literatuurprijs met Het hout, Joris Luyendijk de NS Publieksprijs met Dit kan niet waar zijn en Adriaan van Dis de Libris Literatuurprijs met Ik kom terug — en die bovendien de crisis goed doorstaan heeft?

‘Nee, absoluut niet. Het is op dit moment onmogelijk te zeggen of ik succesvol ben in wat ik doe. Daar moet ik langer voor hebben gewerkt, veel langer. Bovendien gaat het er ook om wat er ná mij gebeurt. Er moet een bedrijf staan waar het DNA zó is samengesteld dat het nog heel veel jaren ijzerenheinig door kan gaan. Misschien kan ik je vraag beantwoorden als ik 103 ben. En in mijn familie worden ze ongeveer zo oud, dus dan zou je het dan kunnen proberen. Maar nu? Er moet er moet nog zoveel gebeuren, en er is nog zoveel mogelijk… ik moet alles nog bereiken. Ik ben aan het einde van het begin.’

Is het niet ook een beetje valse bescheidenheid?

‘Nee. Uit jouw vragen maak ik op dat je denkt dat ik mezelf als gearriveerd zie, maar dat is totaal niet het geval. Ik denk dat ik op dit moment meer aan het leren ben dan vroeger. Elke dag overkomt het me wel vier keer dat er ineens iets tot me doordringt, dat ik denk: verdomd, dat zit zo en zo. Ik zou niet weten hoe het moet voelen om gearriveerd te zijn.’

Je wist op je elfde al dat je uitgever wilde worden. Hoe wist je dat zo zeker?

‘Ik had een boek gestolen. Gewoon, omdat ik de omslag zo mooi vond: een portret van de Engelse uitgeefster Nancy Cunard, gemaakt door de fotograaf Man Ray. Ik had nog nooit eerder van haar bestaan gehoord, en ik had ook nog nooit eerder nagedacht over het beroep uitgever. Maar door het lezen van Cunards biografie realiseerde ik me ineens dat dat iets was wat je kon worden. Dat was de perfecte baan voor mij, dacht ik: ik was namelijk altijd alles aan het lezen, aan tafel het etiket van de pindakaaspotten, onder de douche de leuzen op het shampooflesje. Mijn hele leven lezen, dat wilde ik wel. Toen heb ik de beslissing genomen: ik word uitgever. Een onzinnige beslissing natuurlijk, want ik had geen idee wat het inhield. En het bleek ook niet te zijn wat ik me er van had voorgesteld.’

En, valt het mee of tegen?

‘Daar zou ik je in verschillende tijden verschillende antwoorden op geven. Een paar jaar geleden had ik gezegd: het valt me tegen. Nu zeg ik: het valt mee.’

Waarom viel het je tegen, een paar jaar geleden? Kwam dat door moeilijkheden bij Atlas Contact?

‘Nee, dat had niets met de uitgeverij te maken, maar alles met mijn eigen ontwikkeling. Als je begint in dit vak met het idee dat je de hele dag mag lezen, en dat blijkt niet het geval te zijn, dan moet je je daaraan aanpassen. Dat betekent dat je bepaalde dromen moet opgeven. Er komt een heleboel bij het uitgeven kijken wat ik me van tevoren niet gerealiseerd had, wat ik niet makkelijk vond. Ineens bevond ik me in een totaal andere situatie dan waar ik had gedacht dat ik in zou belanden. Maar als je je verwachtingen bijstelt, gebeurt er ineens iets waarvan je denkt: ik heb de perfecte keus gemaakt. Zo is dat in ieder geval bij mij gegaan. Ik vind het fascinerend dat je als kind op verkeerde gronden een beslissing neemt, die uiteindelijk toch de juiste blijkt te zijn.’

Op je elfde besloot je dus: ik word uitgever. Wat deed je vervolgens om dat te bewerkstelligen?

‘Ik ben begonnen met mijn best te doen op school, wat ik daarvoor niet deed. Toen ik klaar was moest ik beslissen wat ik verder wilde doen, maar niemand kon me daar verder mee helpen. Er was destijds één opleiding voor uitgevers: de Frederik Muller Academie. Ik dacht: moet ik daar nou heen? Ik wilde advies, maar ik kreeg het nergens. Toen heb ik gedaan alsof ik al op de Frederik Muller zat en een scriptie moest schrijven, en op die manier heb ik met alle toenmalige uitgevers afgesproken. Ik had twee standaard laatste vragen. Ten eerste: welke opleiding moet je hebben om uitgever te worden? Uit hun antwoorden bleek steeds dat ik beter een universitaire studie kon doen dan de Frederik Muller. En ten tweede vroeg ik of ze een baantje voor me hadden. Dat had helaas niemand, zelfs voor een koffiemeisje hadden ze geen plek. Dus heb ik uiteindelijk besloten Nederlands te gaan studeren. Op een gegeven moment, ik geloof dat ik nog niet eens met mijn studie begonnen was, kwam ik in contact met Jos Knipscheer, en die bood mij zelf een baantje aan in zijn uitgeverij De Knipscheer — om koffie te zetten. Dat kan ik dus ook.’


Die uitgevers die je voor je zogenaamde scriptie interviewde, waren dat mensen die je bewonderde?

‘Op dat moment wist ik nog niet zoveel van de personen achter het bedrijf, ik keek vooral naar de uitgeverijen zelf. Pas later heb ik de uitgevers leren kennen. Jos Knipscheer, voor wie ik lange tijd heb gewerkt, was voor mij een voorbeeld, maar ook voor Harko Keijzer, toenmalig uitgever van Contact, had ik grote bewondering. Hij was degene die mij een paar jaar later belde om te vragen of ik voor hem wilde komen werken. Aan de telefoon heb ik heel kalm en stoer zitten doen, maar zodra ik de hoorn neerlegde, begon ik te gillen van blijdschap.’

Van wie heb je het uitgeversvak geleerd?

‘Van heel veel mensen, waaronder in de eerste plaats Jos en Harko. Maar omdat ik zo gefascineerd ben door het vak heb ik alles gelezen wat er maar over uitgeverijen en uitgevers te lezen valt. En daar haal ik ook heel veel inspiratie vandaan. Ik praat en kijk veel met en naar personen die ik bewonder, zoals de mensen achter de Amerikaanse uitgeverij Knopf. Dat bedrijf bestaat al honderd jaar, maar heeft pas drie uitgevers gekend. Dat een uitgeverij zo verschrikkelijk lang een consistente kwaliteit weet te bewaren, dat vind ik knap. Het is niet interessant als het een jaar lang goed gaat met je uitgeverij. Dat is oké, dat is prima, maar honderd jaar lang succesvol zijn… dat is bijzonder.’

Je zit al dertig jaar in het vak. Is uitgeven veranderd in de loop der jaren?

‘Zolang als ik in het vak zit wordt er geklaagd en gezeurd; net als met het weer, dat is ook nooit goed. Als ik al die uitgeefgeschiedenissen en -biografieën lees gaat het over niets anders. Maar ik vind uitgeven vooral veel leuker geworden. De wereld staat voortdurend op zijn kop; door de crisis bijvoorbeeld, maar ook door de mogelijkheden van internet. Je moet alles van jezelf vragen. Dit is een geweldige tijd: alles ligt open, er liggen ontzettend veel vragen. Niemand kan zeggen hoe het er over vijf jaar uitziet.’

Gebruik je andere uitgeeftechnieken dan vroeger?

‘De dingen die vroeger gedaan werden gebeuren nog steeds. Je moet nog steeds posters ophangen, nog steeds krantenadvertenties plaatsen. Maar er is veel meer bijgekomen, zoals het inzetten van digitale media. Het basispakket van een uitgever wordt groter en je moet veel en veel harder werken om hetzelfde publiek te bereiken.’

Jij bent vrij actief op Facebook en Twitter. Werkt dat?

‘Wat ik probeer te doen op social media, is iets te zeggen over het boekenvak. Ik vind de berichtgeving over het boekenvak over het algemeen vrij mager, en dat is jammer. Op deze manier probeer ik daar iets aan doen. Je zult mij nooit een boek van Atlas Contact op mijn blog zien promoten; ik wil daarentegen laten zien wat er aan de hand is in de boekenwereld, en dingen delen die mensen tot nadenken stemmen.’

Heb je wel eens de behoefte gevoeld zelf een boek te schrijven?

‘Nee. Ik ben heel goed in het inkorten van een tekst, en in het schrijven van korte stukjes. Als ik een e-mail schrijf doe ik dat in twee regels; collega’s moet ik vragen om er vier alinea's van te maken. Mijn droom is om later, wanneer ik 80 ben, bij de Reader’s Digest te werken en alles terug te brengen tot één paragraaf. Dus nee — een boek schrijven is niets voor mij. Misschien moet ik haiku’s proberen?’

Ben je dan ook een heel strenge redacteur? Worden aangeleverde manuscripten door jou gehalveerd?

‘Nee hoor; ik geniet enorm van lange romans, het kan mij niet dik genoeg zijn — dan voel ik mijn ziel zingen. Boeken van mijn eigen auteurs ga ik dus zeker niet tot de kern terugbrengen. Ik heb simpelweg moeite met het zelf schrijven van lange teksten. Dat zit in mijn aard; ik kan bijvoorbeeld ook niet eindeloos met vrienden bellen.’

Misschien ben je gewoon een typische uitgever — en had de elfjarige Mizzi gelijk.

‘Iedere ochtend loop ik langs het gebouw van de universiteit waar ik vroeger studeerde. De laatste tijd word ik overvallen door een bepaald gevoel: als ik studenten buiten zie staan, zie ik mezelf buiten staan. Daar stond ik toen ook, denk ik dan, met al mijn dromen. En dan realiseer ik me: ik heb die dromen nog steeds. En ik heb inmiddels een heel interessant leven geleefd en ben dat nog steeds aan het leven. Het is leuk om te zien hoe alles gewoon doorloopt, dat je bezig bent met waar je vroeger over droomde, en tegelijkertijd blijft dromen.’

Klik hier voor eerdere afleveringen van Boekmakers.

 



Over de auteur

Jet Steinz

620 volgers
295 boeken
3 favoriet
Auteur


Reacties op: Boekmakers #7 / Mizzi van der Pluijm: 'Ik ben aan het eind van het begin'