Advertentie

Hebban vandaag

Column /

Myrthe van der Meer: Ik was strontjaloers, en zo werd je mijn voorbeeld

door Myrthe van der Meer 2 reacties
Televisiemaker Wim Brands overleed maandag. Een zelfgekozen einde. Veel collega's, uitgevers en auteurs deelden hun herinneringen de afgelopen dagen al in de sociale media. Ook Myrthe van der Meer schreef een column over haar eerste ontmoeting met Wim Brands. Je leest 'm hier op Hebban.

Beste Wim,

Jaren geleden vroeg Willem, mijn agent me door wie ik het allerliefst geinterviewd zou willen, mocht Paaz ooit echt verschijnen. Het was zomer, mijn manuscript had net een uitgeverij gevonden en mijn boek zou er een jaar later echt zijn. Ik hoefde er geen seconde over na te denken.

Het was het programma waar je als redacteur voor opstond in het weekend, en waarvan iedereen op de uitgeverij zich de rest van de week afvroeg welke auteur de volgende keer uitverkozen werd voor een interview. Alles met een lichte jaloezie richting de uitgevers die deze keer uitverkoren waren, maar vooral met welwillende afgunst richting jou, de maker. Jij presteerde namelijk het volgens de televisiewetten onmogelijke: een boekenprogramma op televisie met jouw eigen onnavolgbare mix van fictie, non-fictie, literatuur en vooral gewoon heel erg leuk. En niet opgeleukt met wilde shots van auteurs kronkelend in bed, in de stoel van de tandarts of terwijl ze een olijf kochten in de supermarkt, maar televisie in zijn meest ondenkbare, echte vorm: twee mensen die zaten en praatten, en de camera deed de rest.

Niet alleen de uitgeverijwereld volgde jou trouwens; zelfs mijn oma zette elke zondagochtend de wekker voor jouw interviews. Ik niet. Ik was een luie redacteur, en waarschijnlijk ook niet zo'n heel erg goede. Maar toen Willem mij vroeg waar ik het liefst naartoe zou willen, was dát wat ik durfde te wensen: Boeken, met Wim Brands – hoe onrealistisch het ook was, want Paaz was geen literatuur maar gewoon een registratie van wat mij was overkomen, maar ook schrijvers mogen dromen. Toen ik een jaar later de uitnodiging kreeg, was ik dan ook stomverbaasd. Mijn allereerste televisie-interview ooit. ‘Hij leest ze allemaal zélf,’ vertrouwde de dame van de schminck – foei! visagie! - me fluisterend toe. Ik vond dat een grappig soort ontboezeming, maar besteedde er verder geen aandacht aan. Ik moest daar pas weer aan denken toen ik een paar jaar later bij de visagie voor een ander interviewprogramma zat, waarbij de redactrice me net voor de uitzending met nauwelijks verholen verbazing zei dat de presentator ‘zelfs zélf mijn boek nog doorgebladerd had.’

Gek genoeg kon ik me díe presentator beter voorstellen dan jou. Want voor ik schrijver was, was ik redacteur en daarmee werkte ik in een industrie waar allang niet meer gedacht werd in lezers, maar in kopers. Waarbij overuren niet bestaan, want uitgeven doen je op de uitgeverij en lezen doe je thuis. Want als je niet van lezen houdt, wat doe je dan in het boekenvak? Dus zeulde ik elke dag een tas vol manuscripten en mogelijke vertalingen mee naar huis en nam de volgende ochtend mijn oordeel weer mee terug. Waar die tas eerst nog gevuld was met hoop en verwachting, vulde ze zich na een paar maanden steeds vaker met een naar, verzuurd cynisme. Ziek van de afwijzingsbrieven, de tegenvallende manuscripten, de geweldige boeken die niet in de uitgeverij pasten en de veelbelovende auteurs waar geen begeleiding voor was - maar nog erger dan dat alles; het besef dat ik die avond weer tot tien uur zou zitten lezen. Lezen. De ziekte waar iedereen in het boekenvak aan leed, niet alleen redacteuren, maar ook uitgevers, programmamakers en recensenten die elk boek al een keer gezien, elk manuscript al eens afgewezen hadden. Er samen over klagen op borrels schepte een band maar veel hielp het niet, want iedereen wist dat als we na de borrel thuiskwamen ze daar weer op ons lagen te wachten. Boeken.

Dus daar zat ik dan in jouw studio, negenentwintig jaar jong, een beetje verzuurd en cynisch te wezen, toen jij het gesprek begon: compleet open, onbevangen en niet bang voor verbazing. Ik was stomverbaasd – en dat bij een man die ieder boek zelf leest??? Bizar! Vroeger was ik ook een lezer, nu alleen nog maar een schrijver, maar jij was allebei vol overgave en sloeg met je enthousiasme een brug tussen die twee. Ik was strontjaloers, en zo werd je mijn voorbeeld. Ik stond nog steeds niet voor je op, maar lezen én schrijven? Dat werd toch wel mijn droom.

Eergisteren belde mijn vriend me en vroeg voorzichtig of ik het nieuws had gehoord. Wim Brands was overleden. Dat was raar. Dat is niet zoals het hoort. Als ik denk aan alle boeken die er op deze wereld nog geschreven moeten worden, en dat jij er niet meer bent om ze te lezen - dat kan niet. Je bent mijn grote voorbeeld, maar je was ook mens, en waar ik jouw menselijkheid bewonderde maakte die je ook kwetsbaar voor een ziekte die we deelden. Ik ben nog steeds jaloers, daar kan de dood niets aan veranderen, want door jou wou ik dat ik een betere lezer was. Een lezer met lef, die zich weer open durft te stellen voor een boek, zich durft te laten verrassen door de ideeën van een ander, niet bang voor teleurstellingen omdat er altijd weer een nieuwe pagina is. Want het einde van het ene verhaal is het begin van het volgende. Misschien geldt dat ook wel voor jou.
Voorlopig blijf ik maar gewoon schrijven, maar wie weet. Misschien vind ik de lezer in mij ooit nog eens terug, en word ik ooit nog eens op een zondagochtend wakker met maar één wens: Boeken!

Helaas dan niet meer met Wim Brands, maar het zou zomaar kunnen dat jij ook na je dood ooit van deze schrijver weer een lezer maakt. Tot die tijd blijf je mijn voorbeeld, en daarom wil ik je nog één keer bedanken; niet voor wat je voor Paaz hebt betekend, maar voor mij. Beste Wim, bedankt voor alles.
Het ga je goed!

Myrthe van der Meer 

Klik hier voor de betreffende uitzending.

Meer herinneringen aan Wim Brands

  

 



Over de auteur

Myrthe van der Meer

129 volgers
2 boeken
1 favoriet
Auteur


Reacties op: Myrthe van der Meer: Ik was strontjaloers, en zo werd je mijn voorbeeld