Advertentie

Hebban vandaag

Column /

Vertalersgeluktournee: Een normale vertaler is meestal een ander

In 2020 viert het Letterenfonds het tienjarig jubileum van de Europese Literatuurprijs. Op Hebban vind je de komende maanden onder meer de lezingen van de voor deze prijs genomineerde vertalers. Gerda Baardman vertaalde 'Normale mensen' van de Ierse auteur Sally Rooney. 'Soms moet je iets tegen iemand zeggen om een bepaalde spontane reactie uit te lokken.'

Door: Gerda Baardman

Meestal gaat het voor een vertaler zo: je verdwijnt in een boek en duikt er een paar maanden later een beetje verdwaasd uit op. Al die tijd was je afwisselend de auteur en de personages (‘hoe praat zo iemand, hoor ik hem of haar zo’n woord in de mond nemen, is hij of zij daar niet te jong voor, of te oud, te hoog opgeleid of juist te volks? En als ze dat woord niet gebruiken, wat zeggen ze dan wél? Heeft de auteur hem of haar expres zo’n gemarkeerde term in de mond gelegd en zo ja, waarom?’) en leefde je elke dag hun leven, waar je onderzoek naar deed totdat je het precies voor je zag. Internet heeft het veel makkelijker gemaakt om dat te doen zonder op reis te gaan: via Google Maps kun je door de straat lopen waar de personages wonen, informatie lezen over en beelden bekijken van de universiteit waar ze studeren, de stemmen van hun medestudenten horen en ronddwalen in de streek waar ze zijn opgegroeid. Zo werk je aan hun boek – en dan is het ineens afgelopen. Je komt nog één keer hun leven binnen bij het verwerken van de persklaar, dan begroet je ze nog even in de proef en daarna gaan ze de wijde wereld in, zij gaan voor de leeuwen en jij verdwijnt in het volgende gezelschap, je wordt een andere auteur en trekt op met andere personages. De boeken uit de tijd daarvoor raken op de achtergrond. Momenteel ben ik een Schotse journaliste die is opgegroeid in een conservatief arbeidersmilieu in een kleine industriestad. Ze heeft haar zinnen gezet op een universitaire studie en haar ouders zijn daar om allerlei redenen fel tegen. In het echt leiden zij en ik totaal verschillende levens, maar in dit boek overlappen we elkaar even, alsof zij een personage in een film is en ik de acteur ben die haar moet spelen.

De Ierse Sally Rooney en de hoofdpersonen van haar coming-of-age-roman, Marianne en Connell, bevolkten mijn leven alweer ruim anderhalf jaar geleden, maar anders dan veel andere romanpersonages zijn zij me sterk bijgebleven, ik denk nog geregeld aan ze, en niet alleen omdat veel Nederlanders hen blijkbaar net zo enthousiast hebben omarmd als ik.

Aan hun taalgebruik ligt dat niet eens zozeer, ze gebruiken nauwelijks sterk gemarkeerde uitdrukkingen, ze spreken geen straattaal of jongerentaal, maar keurig Engels, ontspannen spreektaal, niet eens sterk Iers getint. Alle aandacht gaat naar de inhoud.

Bij Marianne en Connell ligt alles in de dingen die ze zeggen of juist uitdrukkelijk níét zeggen. Die lees je tussen de regels door en dat moet in het Nederlands ook zo zijn, precies zo suggestief, precies zo expressief, niet meer en niet minder. Soms ging dat vanzelf, soms was het erg moeilijk en soms moest ik er even voor naar buiten. Fly on the wall zijn ergens, in een tram, in een café. Mensen horen praten, goed luisteren (natuurlijk zonder te laten merken dat je op ze let). Vergelijkbare situaties en mensen opzoeken en goed nadenken. Soms moet je iets tegen iemand zeggen om een bepaalde spontane reactie uit te lokken – ja, precies, zó zegt iemand dat. De mensen in mijn omgeving zijn wel gewend dat ik bijvoorbeeld zeg: ‘We zitten samen op de bank, jij denkt aan een bepaalde film en die hebben we in huis. Je hebt hem al eens gezien, je probeert je te herinneren hoe een bepaalde scène ging. Wat zeg je dan?’ Na hun antwoord roep ik blij: ‘Jaaa! Dank je wel!’ en ren terug naar mijn bureau. Huisgenoten van vertalers zullen dat misschien herkennen, buitenstaanders reageren vaak verbaasd.

Marianne en Connell beïnvloeden elkaar heel diep. Ze leren elkaar kennen in hun ‘formative years’, op de middelbare school, maar gaan daar niet met elkaar om. Connell is de populaire, sportieve, knappe jongen, Marianne is het buitenbeentje, de eenling, het meisje dat zo gewend is te worden buitengesloten en uitgelachen dat ze geen enkele moeite meer doet om ergens bij te horen. In de pauzes zit ze in haar eentje te lezen. Connell en Marianne spreken elkaar alleen als Connell na school zijn moeder komt ophalen als die klaar is met haar werk als schoonmaakster in de villa van Mariannes familie. Toch krijgen ze een relatie en die houden ze geheim. Connell is als de dood dat iemand erachter komt, bang als hij is dat het zijn plaats in de pikorde op school in gevaar zal brengen. En misschien juist omdat niemand ervan weet, omdat niemand er een mening over kan hebben, voelt hij zich in die relatie voor het eerst helemaal op zijn gemak. Marianne heeft niemand om het aan te vertellen, dus die kan er ook helemaal in opgaan. Maar als het afscheidsfeest na hun eindexamen nadert, heeft Connell niet de moed Marianne mee te vragen. Hij vraagt een populair meisje dat zich tegenover Marianne altijd onsympathiek gedraagt. Connells moeder verwijt hem zijn slapheid, Marianne wil hem niet meer zien en gaat helemaal niet naar het feest.

Het jaar daarop studeren ze allebei aan Trinity. Nu zijn de rollen omgedraaid: Marianne woont op zichzelf, bevrijd van haar kille moeder en gewelddadige broer, en bloeit op, krijgt vriendjes, gaat er steeds beter uitzien, is populair. Connell kent er niemand, vindt moeilijk aansluiting bij de anderen en wordt onzeker, maar gaat wel als een bezetene lezen en verslindt de literaire canon. Toevallig komen ze elkaar weer tegen, Marianne stelt hem aan haar nieuwe vrienden voor, hij lijkt zijn draai te vinden en de relatie zet zich voort. Of niet? Wat zijn ze eigenlijk van elkaar? Wie en wat zijn ze zelf? De roes van Mariannes nieuwe vrijheid trekt weg en geleidelijk merkt ze hoe beschadigd ze eigenlijk is door haar liefdeloze jeugd en haar eenzame middelbareschooltijd. Connell krijgt andere vriendinnetjes. Marianne krijgt andere vriendjes. Een van Connells beste vrienden van school, een jongen die er alles voor overhad om erbij te horen, pleegt zelfmoord en daardoor raakt Connell in een crisis. Ze wilden allemaal zo graag ‘normaal’ zijn, normale dingen doen en normale dingen voelen, maar lieten hun gedrag geheel door hun omgeving bepalen en waren als de dood om uit de toon te vallen. Hij huilt ineens heel gemakkelijk en toont onwillekeurig emoties die hij niet voelt. Rooney beschrijft het zo:

‘Things happened to him, like the crying fits, the panic attacks, but they seemed to descend on him from outside, rather than emanating from somewhere inside himself. Internally he felt nothing. He was like a freezer item that had thawed too quickly on the outside and was melting everywhere, while the inside was still frozen solid. Somehow he was expressing more emotion than at any time in his life before, while simultaneously feeling less, feeling nothing.’

Dat was eerst (zelfs in de eerste drukken nog):

‘Alles overkwam hem, de huilbuien, de paniekaanvallen, en het leek allemaal van buitenaf te komen, niet van binnenuit. Vanbinnen voelde hij niets. Het leek wel alsof hij uit de vriezer was gehaald en aan de buitenkant te snel ontdooide en smolt terwijl de binnenkant nog keihard bevroren was. Op de een of andere manier toonde hij meer emotie dan ooit tevoren terwijl hij tegelijk minder voelde, niets voelde.’

Maar bij nader inzien vond ik niet dat ‘alles’ hem overkwam – dat staat er ook niet. Ze ‘kwamen’ ook niet zomaar van buitenaf, ze ‘overvielen’ hem (descend, daalden op hem neer, overvielen hem). ‘Alsof hij net uit de vriezer was gehaald’ werd ‘Als iets wat net uit de vriezer kwam’, want dat ‘item’ mocht niet zomaar sneuvelen: het moest juist een ‘iets’, een ‘ding’ zijn. En toen ik toch aan het snoeien was, vond ik dat het ‘de’ van ‘de een of andere manier’ ook wel weg kon, want dat maakt het te precies, te aanwijzend, terwijl hij juist geen vinger achter die ‘een of andere manier’ kon krijgen. Het moet hier ongrijpbaar blijven. En zo peinst, wikt, weegt en herkauwt de vertaler heel wat af.

Het werd dus:

‘Er overkwamen hem dingen, zoals de huilbuien, de paniekaanvallen, maar die leken hem van buitenaf te overvallen, niet van binnenuit te komen. Vanbinnen voelde hij niets. Als iets wat net uit de vriezer kwam en aan de buitenkant te snel ontdooide en smolt terwijl de binnenkant nog stijf bevroren was. Op een of andere manier toonde hij meer emotie dan ooit tevoren terwijl hij tegelijkertijd minder voelde, niets voelde.’

Uitgevers gaan er meestal van uit dat een vertaling ongeveer tien tot vijftien procent langer wordt dan de brontekst, maar dat hoeft lang niet altijd (zoals ook al blijkt uit het fragment hierboven). Het overkomt me zelfs een enkele keer dat mijn vertaling minder woorden telt dan het origineel. Dat verschil zit vooral in de dialogen. ‘My dear’ wordt bijvoorbeeld: ‘Liefje’. Tenzij een oudere dame het tegen een meisje zegt, dan houd je toch liever: ‘Lieve kind.’ ‘That’s nonsense’ wordt ‘Onzin.’ ‘That’s a lot easier, isn’t it?’ wordt: ‘Veel makkelijker, toch?’ of ‘Veel makkelijker, hè?’

Als je je voltooide vertaling voor het inleveren nog eens extra stofkamt op dit soort dingen, kan er vaak heel wat weg zonder dat je het register van de oorspronkelijke tekst geweld aandoet. Het ruimt lekker op en de tekst wordt er helderder, frisser, bondiger en leesbaarder van.

Een boek met erg veel informele dialoog kan in het Nederlands dan korter worden dan in het Engels. Voorbeeld (niet uit deze roman): Begin jaren negentig. Student komt op bezoek bij een jaargenoot die antikraak woont en net een nieuwe stek heeft. ‘That’s a cool house, man,’ zegt hij. Bij mij werd dat: ‘Gaaf huis, man.’ Dat scheelt weer twee woorden – of drie, als je ‘‘s’ als een volwaardig ‘is’ meetelt. Dat doen uitgevers trouwens meestal niet. Daar had ik nooit bij stilgestaan totdat een collega een uitgever erop aansprak en er een punt van maakte (we worden immers per woord betaald). De uitgever weigerde en beide partijen volhardden in hun standpunt. De opdracht is er uiteindelijk op gestrand. Vervolgens bood de uitgever mij de opdracht aan, maar natuurlijk mailde ik eerst de collega, want het ging om een auteur die zij altijd vertaalde en ik was nog niet op de hoogte van het meningsverschil. Toen ik wist hoe het zat, kon ik de opdracht natuurlijk niet aannemen. Solidariteit is belangrijk, zeker in beroepsgroepen als de onze.

Gerda Baardman (1952) vertaalt sinds de jaren tachtig Engelstalige literatuur, o.a. van A.S. Byatt, Margaret Atwood, Jonathan Safran Foer, Yann Martel, Jonathan Franzen, A.M. Homes, Dave Eggers, Michel Chabon, Eimear McBride, Paul Beatty en Isabella Hammad.

Foto Gerda Baardman door Lonneke Stulen

Sally Rooney (1991) groeide op in County Mayo, in het westen van Ierland. Ze studeerde aan Trinity College in Dublin. Haar korte verhalen verschenen eerder in onder andere Granta. Haar debuut Gesprekken met vrienden werd enthousiast onthaald. Met Normale mensen stond Rooney op de longlist voor de Man Booker Prize. Momenteel bewerkt ze Normale mensen voor een tv-serie voor de BBC. 

 

 Naar het vertalerskanaal



Over de auteur

Nederlands Letterenfonds

14 volgers
0 boeken
0 favorieten
Specialist


Reacties op: Vertalersgeluktournee: Een normale vertaler is meestal een ander

 

Gerelateerd

Over