Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Vlaanderen Thrilt #1 • Toni Coppers

Vlaanderen is het stukje België waar Nederlanders door moeten, willen ze beter weer bereiken. Een langgerekte zucht naar de Franse soleil. Vlot bollend transitland waar het leven wat minder strak is dan thuis en mensen pas open bloeien met een kroes bier binnen handbereik. Vlaanderen wordt bevolkt door Bourgondiërs, plantrekkers en opportunisten. Door lui die van dagelijkse deugden levenslange geneugten maken. Die meer doen met dwaasheid en gebazel dan een noorderling kan vatten. Vlamingen zijn kunstenaars voor het leven. Zij schilderen heuvels die ze bergen noemen. Zingen over lichtjes aan hun stromen, over het kabbelen van hun veel te kleine zee. Schrijven boeken die ze thrillers noemen, waarin al dat leven mag wemelen.

Het is tijd voor de Vlaamse thriller. Vanachter de brede rug van Pieter Aspe gluren heel wat kandidaat vaandeldragers. Het wordt tijd dat we ze op hun waarde schatten, hen aan het woord laten, deze Vlaamse reuzen in wording.

Of u wilt of niet, het thrilt voortaan in Vlaanderen. We starten deze reeks met een van onze toppers. Dames en Heren, hier is To-ni Coppers!

TONI COPPERS

De man die over vrouwen schrijft

Toni Coppers woont in Deurne bij Antwerpen, op een boogscheut van waar ik ooit zelf woonde. Hij deelt zijn woonst met zijn vriendin, de kat Mr. Jones, Marley en Sweetie, een koppel konijnen in de tuin. Daar moeten we trouwens door om in Toni’s heiligdom te geraken, de schrijfkamer, meteen de plaats delict waar zes thrillers rond Liese Meerhout werden gepleegd. Wanneer ik een opmerking maak over de wajangs die ik op een kast zie staan, zit Toni meteen op zijn praatstoel.



Tekst: Raymond Rombout Foto's: Leo Goossenaarts





“Ik ben een radioman. Ik begon als snaak op de toenmalige BRT. Interviews, reportages en documentaires, alsook productie voor reisprogramma’s, die vaak op zaterdagochtend werden uitgezonden. Voor programma’s als Lopend vuur was ik constant op reis. Ik leefde uit de koffer. Het schrijven van reisverhalen leek me toen een logisch vervolg. Ik maakte van mijn debuut, De beha van Madonna, een brievenroman, geschreven naar vrienden vanuit verschillende plekken op de wereld. Die literaire structuur bood mij de gelegenheid iets te vertellen over het land waar ik was en de dingen die mij daar bezig hielden. Het boek werd goed ontvangen zodat ik zin kreeg verder te schrijven. De volgende stap bestond uit twee komische romans (Dixit en Heilige nachten). Ik ben anglofiel, lees veel Engelse auteurs, vooral de farces. Het hoofdpersonage van dat tweeluik was een soort Noël Slangen avant la lettre, een marketingman die gebakken lucht verkoopt.”

Goede toon en humor, slimme romans, niet spannend. Dat waren zowat de commentaren die ik erover las.
“Absoluut juist. Het was de strategische keuze van de uitgeverij die boeken als thriller op de markt te brengen, maar recensenten prikten die ballon gauw door. De commentaren waren dan ook eensgezind: goed, maar niet spannend. Maar het thrillerzaadje begon te rijpen. Wel, men wilde thrillers, men zou thrillers krijgen. Ik trok mijn stoute schoenen aan en klopte aan bij Uitgeverij Manteau. Ik bereidde mijn zaak goed voor en presenteerde mijn nieuwe heldin Liese Meerhout, een vrouwelijke inspecteur van Kunstzaken. De uitgever was zeer geïnteresseerd, mits ik me engageerde voor een serie.”

Liese Meerhout is heel wat anders dan wat we bij de collega’s lezen, die meestal werken met een speurdersduo. Ik noemde het ooit het Vincke- en Verstuyftsyndroom. Hoe ontstond het personage van Liese?
“Ik was sick and tired van al die clichés waarmee Inspector Morse ons heeft opgezadeld. De norse, vierkante vrouwenhater, een zuiplap die langs de zijlijn staat omdat hij een groot probleem heeft met vrouwen en drank. Ik koos voor een jonge vrouw, die in het midden van het leven staat. Tot overmaat van ramp plaatste ik haar in Brussel, voor veel Vlamingen een afgrijselijke keuze. Na de creatie van Liese doken echter vrij snel twee problemen op. De keuze voor kunstcriminaliteit had zijn oorsprong in het fijne contact dat ik had met iemand die op die dienst werkte. Een man van de wereld die indruk maakte op mij, en naar wie ik Liese heb gemodelleerd. Net als zij reed die kerel in Brussel rond met een Vespa. Bovendien ken ik zelf wat van kunst, dus dat leek mij wel tof om Liese daarin te betrekken. Maar die dienst houdt zich uitsluitend bezig met kunsthandel, kunstroof en –zwendel. Na twee boeken had ik door dat dit niet zo slim was als ik eerst dacht. Indien er al eens een moord gebeurde, toch wel elementair in een thriller, mocht Liese die niet rechtstreeks onderzoeken. Ik detacheerde haar dan wel naar de sectie moordzaken, maar dat kon ik niet blijven doen. Kunstcriminaliteit als topic werd onhoudbaar.”

En het tweede probleem?
“Dat was mijn keuze voor Brussel, waarvan ik stilaan moest toegeven dat ik dat had gekozen uit snobisme. Ik wilde bewijzen dat Brussel een kosmopolitische stad is, weliswaar met waanzinnig veel problemen, maar die best aangenaam kan zijn. Ik ergerde me aan die clichés waarmee de stad in de krant komt. Mooie dingen komen nooit aan bod. De meeste Vlamingen kennen Brussel van het station naar hun werk en willen daarna zo rap mogelijk naar huis. Na een tijdje begreep ik dat ik mijn boeken niet mocht misbruiken voor een politiek statement. Ik moest niet al te krampachtig aan de stad als locatie vasthouden.”

Vandaar de carrièrewendingen van Liese? Brussel via Oostende naar Antwerpen.
“Je vergeet nog de Brusselse rand. In Iris is haar naam speelt het Zoniënwoud een grote rol. De plot vroeg om een groot bos, dus week ik automatisch uit naar de Vlaamse rand: Overijse, Tervuren, die kant. Liese zat intussen bij de moordbrigade. De plot van Stil bloed had dan weer een haven nodig, dus kwam Oostende in het vizier. De verhuis naar Antwerpen heeft dan weer te maken met mijn persoonlijke situatie. Samen met mij zal Liese definitief in Antwerpen blijven.”

Je zadelde haar op met een nieuw stel collega’s: Sofie De Laet, een pientere vrouw, het groentje Laurent, en Michel Masson, een intellectueel, die zo met een quiz kan meedoen, specialiteit Grieken en Romeinen. Ben jij zelf een quizzer?
“Vroeger wel. Het is plezant om al die onbelangrijke weetjes te onthouden. Ik weet bijvoorbeeld al heel mijn leven waar de afkorting DDT voor staat. Vraag me niet waarom dat altijd in mijn hoofd blijft zitten, terwijl ik zoveel andere dingen vergeet die belangrijk zijn. Een brein werkt soms raar.”

Van rare breinen gesproken. Hoe ga je als man om met een vrouwelijk brein? Hoe doe je dat aan de schrijftafel als je de schakelaar moet omklikken? Is dat voortdurend vechten tegen vooroordelen en clichés?
“Die fase komt pas later. Eerst is de plot het belangrijkst. Lezers moeten zich niet ergeren aan de losse draadjes of foute deus ex machina’s. Het omturnen naar de wereld van Liese groeide organisch. In het begin ging dat heel krampachtig, dat moet ik toegeven. Ik had dat aspect ernstig onderschat bij de voorstelling van mijn project. Een vrouwelijke flik, alles goed en wel, maar wat doe ik met haar leven na het werk, welke emoties moet ik bij haar oproepen, hoe denkt ze over seks, daar had ik allemaal niet bij stilgestaan. Ik heb peentjes gezweet, was voortdurend benauwd voor een Suske en Wiske-gehalte. Ik heb toen twee vriendinnen ingeschakeld, die ik vertrouwde. Hen constant dingen laten lezen en gevraagd of een bepaalde emotie of reactie typisch mannelijk, vrouwelijk of gewoon menselijk was? Vaak maakte ik me zorgen om niets. Gaandeweg is dat karakter van Liese gegroeid en vandaag zit Liese zo in mijn vingers dat ik daar niet meer over nadenk. Gelukkig is het zo dat mijn partner heel actief meeleest en meedenkt over zowel Liese als het algemene verhaal. Het is eigenlijk best grappig dat ik wel eens commentaar kreeg op die zogenaamd vrouwelijke handelingen toen mijn 'vrouwencomité' meelas, maar niet meer toen ik het zelf beredderde. Zelfs over die zogenaamd vrouwelijke kant bestaat geen eensgezindheid.”

Je zette heel wat lijnen uit voor de volgende boeken, nietwaar? Behalve haar collega’s heb je nog de correcte commissaris Frans Torfs, en inspecteur Grootjans, de minkukel van de dienst. Potentiële conflicten in het verschiet.
“Dat gevoel heb ik ook. Ik kan nog jarenlang met het Antwerpse gegeven door.”





Je kent Antwerpen redelijk goed, veronderstel ik? Hoelang woon je hier nu?
“Bijna twee jaar. Ik vind het hier een schitterende buurt.”

In het boek vielen me enkele typisch Antwerpse dingen op. Bij de start van het verhaal doe je ons geloven dat een giraffenkop deel uitmaakt van een droom, maar in feite is het de realiteit die Liese ziet vanuit haar appartement, dat uitgeeft op de dierentuin. Ik ken die buurt. Daar is inderdaad een lange blinde muur en de giraffen huizen langs die kant, maar dat kun je niet fantaseren zonder dat effectief te hebben gezien. Hoe wist je dat als niet-Antwerpenaar?
“Ik vind die vraag zelf zo voor de hand liggen, maar niemand lijkt dat op te vallen. De beste vriendin van mijn vrouw woont daar. En effectief, vanuit haar keuken kijk je naar het Egyptische paviljoen van de dierentuin. Als je daar ’s avonds zit en de terrasdeuren openstaan, hoor je soms bijvoorbeeld een leeuw brullen. Een stukje jungle in volle stad, dat wilde ik absoluut in het boek. Dierentuinen zijn voor mij trouwens pure nostalgie. Staat symbool voor het plezier dat ik had met mijn ouders, op schoolreis, noem maar op.”

De Van Schoonbekestraat daarentegen is slechts acht minuten te voet van het appartement van Liese, terwijl ze wel twintig minuten op een lift wacht.
“Dat klopt, en ik kan alleen maar schuldig pleiten. Dat betekent dat je het DNA van die stad nog niet in de vingers hebt. Als ik vrij ben, ga ik er tegenwoordig op uit met een fototoestelletje, naar de wijken van de stad die ik nog niet ken. Sfeer opsnuiven, geuren, mensen.”

Je deed uiteraard research naar politiemethoden. Details die me opvielen zijn de Tyvek-pakken en dat moordbusje.
“Research vind ik een van de tofste onderdelen van het schrijven. Ik doe dat ongelooflijk graag maar vind dat alles moet kloppen. Aanvankelijk was ik daarin heel maniakaal. Ik vroeg mijn contact in Brussel eens om met de Vespa een bepaald traject af te leggen. Of ik verspilde drie maanden om te weten hoe een kantoor van een kolonel op de NAVO er kan uitzien. Tot een wijkagent, out of the blue, kwam vragen waarom ik zo in de NAVO was geïnteresseerd. Uiteindelijk mocht ik constateren dat het meubilair bij wijze van spreken uit de IKEA kwam. Dat doe ik niet meer, dat is over. Nu, elke thriller in Vlaanderen is schatplichtig aan Jef Geeraerts, al is het maar omdat hij het genre salonfähig maakte. Alleen heb ik nooit ingezien wat de toegevoegde waarde is van drie pagina’s technisch geleuter over een revolver. Dat is showing off: ik ken die revolver, heb ermee geschoten en mijn huiswerk gemaakt. Research mag je voelen, niet zien. Nu wat dat moordbusje betreft, dat leerde ik van hoofdcommissaris Frank Van Saelen. Die man heeft een heel goede reputatie als speurder. Hij ontwikkelde een procedure bij moordonderzoek, die helemaal anders is dan waar ook in Vlaanderen. Die intussen school maakt. Rechercheurs die als eerste op een plaats delict komen, zoals je dat ziet in politieseries, dat is totaal onmogelijk in Antwerpen. De technische mensen onderzoeken de plaats delict eerst, en noteren alles in een logboek. Pas dan mag de inspecteur zijn Tyvek-pakje aantrekken.”

Wordt Fabian de nieuwe Simon de Vere?
“Ik was een beetje uitgekeken op Simon als partner voor Liese. Ik had dat personage nodig in de kunstwereld, maar hij is redelijk saai, heeft weinig diepgang. Ik heb er dan ook weinig in geïnvesteerd. Wanneer ik aan Simon dacht kwam er nooit iets. Maar Fabian, een patholoog, daar heb ik wat aan. Ik ga er bij hem wel een kantje af doen, want hij is nog wat flauw in dit boek.”

Liese doet in dit boek één excuustelefoontje met Sura. Wordt dit de exit van Sura, nochtans een mooi personage uit je vorige boeken?
“Akkoord. Ik vond dat ook een van mijn leukste personages. Ik vond haar naam overigens op Facebook. Ik had er nu echter geen plaats voor omdat ik de breuk met Liese totaal wilde maken. Maar je hebt gelijk, ik weet nog niet wat ik ermee ga doen.”

Je geeft je personages een piercing of een tattoo. Ze gebruiken straattaal of krijgen een opmerking over een scheur in de broek. Zijn die moderne uitingen jou een doorn in het oog?
“Niet echt. Ik gebruik ze vooral voor Masson, zodat hij erop kan reageren. Die man heeft zo’n drankprobleem dat hij zich wanhopig aan het rationele wil vasthouden. Daarom haat hij alles wat mode is. Hij weet dat het einde voor hem nabij is als hij zich verliest aan het emotionele. Masson is melancholisch maar wil rationeel blijven. Hij is een uitstekende flik, in tegenstelling tot Liese, die fouten maakt als speurder. Zijn rationele geest is het enige dat hij nog heeft tussen hem en de afgrond. Hij weet dat hij dat niet mag loslaten.”

Een ander personage dat me opviel is de zwerver die poëzie brengt. Je noemt zijn hond zelfs Ovidius.
“Ik wilde iets doen rond het thema van de bankcrisis dat ons hele economische bestel op losse schroeven heeft gezet. Ik vind dat affreus. Ieder normaal mens zou moeten nadenken over het altijd-maar-meer-principe. Het maakt ons maatschappelijk evenwicht pervers. Ik snap niet dat niemand daar tegen in opstand komt. Wanneer een bedrijf driehonderd man wil ontslaan, gaat de prijs van de aandelen prompt omhoog. Dat is het beste bewijs dat er iets fout zit aan dat systeem. Dat drijft ons in ieder geval naar de ondergang. Daarom heb ik die zwerver erin geschreven. Hij is een boekhandelaar die failliet ging, maar niet meer meedoet met de ratrace. Dat hij poëzie kan declameren komt omdat hij tot voor kort zijn eigen boekhandel had. Daarom heet zijn hond ook Ovidius. Ik zal de man overigens meer aandacht schenken in het volgende boek.”





Hoe empatisch Liese ook kan zijn, ze kan behoorlijk woest worden, nietwaar? Zoals tegen Grootjans of de politicus op het einde. Haar ogen veranderen dan zowaar van kleur.
“Als het moet gaat ze door een muur. Dat ze als ambtenaar een politicus chanteert is overigens een ernstige professionele fout van haar. Ik zet haar daar toe aan omdat ze de moordenaar van Andy’s papa niet kan vatten maar ik vind dat de lezer toch recht heeft op een sense of justice. Dat van die ogen vond ik een interessante eigenschap die geldt voor alle mensen met bruingroene ogen. De kleur verandert lichtjes naargelang het seizoen, en bij mijn personage naargelang haar gemoedsgesteldheid.”

Het personage Andy is een autist. Je laat hem telkens een zin herhalen die mooi past in de Antwerpse context: de tram wacht niet. Hij speelt met poppetjes, wat zeer menselijk overkomt. Het valt op hoe je de clichés mijdt. Ken je zo iemand?
“Ik praatte met mensen die beroepshalve die taak vervullen. Hun eerste reactie was: o nee, weer iemand die foutief over autisme zal schrijven. Van hen leerde ik hoe een autist heel veel zegt, maar het niet altijd uitspreekt. Het grootste deel van het leven van een autist speelt zich af op een innerlijk niveau. Daarom beoordelen wij die mensen vaak foutief. Het uitgangspunt was echter louter nostalgie. In mijn jeugd genoot ik ontzettend van een serie Amsterdamse politieromans, Grijpstra & de Gier. Die boeken zijn hilarisch en werden geschreven door Jan Willem van de Wetering, een boeddhist avant la lettre. Hij beschreef het Amsterdam dat wij niet meer kennen, waar de mentaliteit heerste van doe-maar-gewoon-dan-ben-je-al-gek-genoeg. Die serie was misschien weer een zaadje dat me later aanzette tot schrijven. Een van de leukste personages uit die boeken was precies een autistische jongen, die zonder dat hij het weet een misdaad oplost. Mijn personage Andy is dus een eerbetoon aan het Kareltje van Van de Wetering.”

De titel Zwerfvuil, slaat die op de zwakken uit onze maatschappij: zwervers, heroïnehoertjes, zoals de brief van de Schim refereert? Trouwens ironisch dat vuilnis de achilleshiel zal blijken van de Schim.
“Die referenties zijn juist, maar er is er nog eentje: Andy verwerkt wrakhout tot pure schoonheid.”

In dit boek krijgen we te maken met kinderverwaarlozing, moord, drugs, autisme en zweepseks. Toch hebben je boeken allesbehalve een donker imago. Op welke manier houd je die balans?
“Allereerst door zorgvuldig taalgebruik, denk ik: een voortdurend afwegen van expliciete omschrijvingen versus suggestie. Nog belangrijker: mildheid, hoop en een vleugje humor zijn de rode draden doorheen alle Liese Meerhout-boeken.”

Ik vind het slot van de enige seksscène in het boek geweldig. Daar waar vele auteurs in dit tijdperk een variante zoeken op achterwaarts in de poes, sluit u af met: Meteen daarna waren er geen woorden of beelden meer, alleen nog maar kleuren. Mooi. Aan wat moet algemeen een seksscène beantwoorden in een politiethriller?
“Aan dezelfde criteria waaraan elke literaire seksscène volgens mij moet beantwoorden: ieder woord moet passen binnen de context, suggestie is vaak opwindender dan expliciet.”





Hoe werk jij technisch gesproken aan je romans? Gebruik je een feitenbord? Werk je eerst een structuur uit of ga je zeer impulsief en improviserend te werk?

Om die vraag te beantwoorden vraagt Toni ons mee naar zijn schrijfkamer. We wandelen door de tuin, waar de konijnen Marley en Sweetie de buurt onveilig maken. Mr. Jones, de kat des huizes, loopt met ons mee en spint zich een ongeluk, tot groot jolijt van Toni, die het nog niet heeft meegemaakt dat Mr. Jones zoveel aanhankelijkheid toont. We komen in een stemmige kamer, waar licht en geluid belangrijke functies worden toebedeeld. Waar een groepje wajangs zijn stille verwijten schreeuwt.

“Hier zie je hoe ik werk. Ik kan niet beginnen met een wit blad papier. Ik schrijf eerst alle scènes op die door mijn hoofd komen, de ene na de andere, ongeordend. Daar probeer ik al mijn ideeën in kwijt te raken. Wanneer er niets meer komt, start ik met de zoektocht naar logische orde. Daar heb ik gauw een maand voor nodig. Ik controleer de interactie van de personages. Zit voortdurend met 'wat als' in mijn hoofd. Wat gebeurt er wanneer ik die scène van hier naar daar verplaats? Wat weet een personage op dat moment van een bepaald feit? Mag de lezer het weten? Een puzzel van conflicten en mogelijkheden. Ik laat mij moedwillig verzuipen in die zee van details. Als ik dat overleef, start ik met het eigenlijke boek.”

Hoeveel 'Toni Coppers' en/of 'Lieze Meerhouten' zullen we nog lezen in de toekomst?
“Ik hoop binnenkort van mijn pen te kunnen leven. Het betekent wel dat ik veel dingen wil doen die te maken hebben met schrijven. Ik ben net gevraagd door een krant om columns te schrijven. Er dient zich altijd wel iets aan.”

Tot slot. Hoe moet een redelijk succesvolle auteur als jij omgaan met de wankele situatie van het boekwezen? In welke zin zie je veranderingen?
“Als er eindelijk écht iets komt van het leenrecht zullen we, zoals onze Nederlandse collega’s, misschien een eerlijke vergoeding krijgen voor die talloze keren dat een thriller in de bibliotheek wordt uitgeleend. Als men erin slaagt een eerlijke vergoeding voor elektronisch downloaden en lezen af te spreken, boren we misschien een nieuw publiek aan. Zelfs als de Vlaming nog maar evenveel boeken zou kopen als de Nederlander, deden we dit interview nu telefonisch vanuit de Provence.”



Over de auteur

Raymond Rombout

75 volgers
17 boeken
0 favorieten
Auteur


Reacties op: Vlaanderen Thrilt #1 • Toni Coppers

 

Gerelateerd

Over

Toni Coppers

Toni Coppers

Schrijver van misdaadromans. De 'Liese Meerhout serie' wordt momenteel verfilmd door de Vlaamse commerciële omroep VTM.