Blogpost: Rosemarijn Milo

Brief 2 uit Hautepierre

Ik kom terug op mijn belofte iets te zeggen over de totstandkoming van ‘Een vervlogen droom – verslag van een te kort leven’. De vroege dood, op 26-jarige leeftijd, van mijn grootmoeder van moederskant heeft me altijd al geïntrigeerd, maar pas nadat mijn beide ouders waren overleden ben ik de werkelijke doodsoorzaak aan de weet gekomen, een goed bewaard familiegeheim. Dat gegeven is lang, zo’n 20 jaar, in mijn onderbewuste blijven sudderen. Ik heb in die periode wel eens iets aan archiefonderzoek gedaan, maar daar is het bij gebleven tot ik in de zomer van 2017 op een ochtend wakker werd en wist dat ik een boek zou schrijven over de geschiedenis van mijn grootmoeder. Ik ben daar diezelfde dag nog aan begonnen. Al schrijvende bedacht ik me pas dat het huwelijk van mijn grootouders bijna helemaal samenviel met de eerste Wereldoorlog en dat ik daar maar heel weinig van af wist. Ik heb dus een enorme inhaalslag moeten maken om het verhaal te kunnen schrijven. Ik heb er ongeveer zes maanden over gedaan en het grootste deel van die tijd heb ik moeten besteden aan die inhaalslag en het zoeken naar en uitpluizen van registers van de burgerlijke stand en bevolkingsregisters. Het verhaal zelf, de brieven die mijn grootmoeder veronderstellenderwijs aan een vriendin heeft geschreven, schreef zich bijna vanzelf. Het was alsof ik het in mijn onderbewuste in al die jaren al voorbereid had en ik het alleen nog maar hoefde ‘neer te pennen’. Het was een bijzondere ervaring, dit schrijven in een soort trance, zonder er echt over na te denken. Soms, na weer een nieuwe brief, zei ik tegen mezelf “o, het zat dus zo!”. Of dat werkelijk zo was kan niemand me meer vertellen maar ook niet tegenspreken. Het is mijn verhaal en daarmee mijn waarheid geworden.

Nu los ik nog een belofte in:

Brief 2 uit het ziekenhuis Hautepierre in Straatsburg

Gelukkig komt Yves me een beetje gezelschap houden want het wachten is lang. En dan staan er, plotseling, tegen 11 uur, twee klerenkasten van kerels in mijn kamer die vrolijk aankondigen: “c’est parti !!” Voor ik het weet, na Yves nog wel even een kus te hebben gegeven, word ik vakkundig door gangen en in en uit liften gezwiept en ergens beneden afgeleverd. Ze stellen me gerust met “het zal nu niet lang meer duren”. Voor mijn gevoel duurt het nog wel heel lang; ik lig daar tot 12 uur. Ondertussen komt de anesthesist nog twee keer langs; de tweede keer is een vergissing (“o, bent u dat nog altijd”) en komt Dr Helmlinger me zeggen dat ze Dr Thoma komt assisteren. En ik maar kijken, als ik even m’n ogen open doe, naar dat bordje boven de deur, waarop - natuurlijk weet ik dat, maar ik heb geen bril op - “SORTIE” staat, maar ik lees telkens “KOFFIE”; ik smacht ernaar ! Eindelijk is het zover en komt de anesthesieverpleegster me voorbereiden voor de narcose en word ik de operatiezaal in gereden. Die grote blauwe lamp boven me is hoogst indrukwekkend. Mijn armen worden met warme katoen ingezwachteld en extra voorzichtig neergelegd. Zij weten dat ik cello speel. Ik krijg een zuurstofmasker op mijn neus en ik weet niets meer…
Hoe laat het is, als ik wakker word op de uitslaapkamer, al kwart over drie?, weet ik niet precies. Het is er druk, er lopen veel mensen op en neer. Dr Thoma komt me vertellen dat de operatie goed is gegaan. Op mijn kamer gekomen, met Yves aan mijn zijde, lig ik aan de ‘kerstboom’ met glucose/zoutoplossing, een anti-inflammatoir medicijn en een zak met pijnstillers. Er komen nog allerlei verpleegsters en daarna nachtzusters langs voordat ik kan gaan slapen.
Een dag later…
Er komt weer een heel circus langs van vriendelijke en vrolijke bloeddruk- en thermometers; er worden zakken aan de kerstboom verwisseld en nog zo wat. Yves is bijna net zo moe als ik. Hij heeft al een paar weken rugpijn en heeft zich erg nerveus gemaakt. Gisteren is hij ook nog eens gevallen in de tram! Gelukkig heeft zijn rug tot op zekere hoogte van de nood een deugd gemaakt want sinds die val gaat het duidelijk beter. Weer een dag later…
Ik word om tien voor zes wakker; ik begin dus al aan het ziekenhuisritme te wennen, en bedenk me dat mijn kamer weliswaar praktisch maar toch niet erg gunstig gelegen is, direct naast de zusterpost. Het was me gisteren al opgevallen, en frappeert ook nu, dat het naast mij gonst van de stemmen, gelukkig meestal opgewekt, en van telefoongesprekken, dat er voortdurend dingen van en naar vervoerd worden, deuren dichtklappen, kortom dat er wel veel lawaai is voor mijn persoontje dat probeert bij te komen van de zware operatie.


Reacties op: Brief 2 uit Hautepierre