Blogpost: Paul van Leeuwenkamp

Feit of fantasie; waar hebben we het over, en wat maakt het uit?

Je kon er op zitten wachten. Wanneer een literair tijdschrift zich met een fantastisch genre bezig gaat houden, in dit geval Maatstaf met sciencefiction, volgt eerder vroeg dan laat het volgende literaire tijdschrift. En ja hoor. De Revisor komt met een fantasy-special. Over een jaar of wat zal Hollands Maandblad wel komen met een nummer over horror. En dat terwijl de genres volgens de schrijver en uitgever Jürgen Snoeren MBA, Master in literature, niets te maken hebben met literatuur! De aankondigingen van De Revisor zijn in dat opzicht ook wat dubbelzinnig. Met “Hoe verhouden genreliteratuur en ‘hoge’ literatuur zich tot elkaar?” lijken ze te stellen dat ook fantasy literatuur is, zij het niet hoog. Ze spreken over de “literaire fantasy-auteur” Natalie Koch, maar bedoelen ze daarmee dat de literaire auteur Koch ook fantasy schrijft, of dat de fantasy die ze schrijft literair is? Fantasy zou een “mainstream genre” zijn, dat “sterk gescheiden is van de literaire hoofdstroom”. Door dat “sterk gescheiden” lijkt dat genre en literatuur weer náást elkaar te zetten.

De eerste reacties uit de wereld van het genre zijn sceptisch, want je moet je eigen territorium natuurlijk verdedigen tegen buitenstaanders. En ja, soms komen die buitenstaanders slechts met oude koeien en nieuwigheden die al lang achterhaald zijn, en geven ze daarmee een onjuist beeld van de hedendaagse fantasy.

Fantasy zou door J.R.R. Tolkien en J.K. Rowling een populair, mainstream genre zijn geworden. Maar klopt dat wel? Tolkien publiceerde als eerste fantasy voor kinderen, The Hobbit, or There and Back again, in 1937. Die wereld bouwde hij uit in The Lord of the Ring, de trilogie die werd geschreven tussen 1937 en 1949 en pas in 1954/1955 werd gepubliceerd. De trilogie werd door Max Schuchart in het Nederlands vertaald en door Het Spectrum in 1956/57 uitgegeven. Daarna ook nog in 1965, maar pas in de jaren zeventig werd het een groot succes. Tolkien’s vriend C.S. Lewis was met zijn kinderboeken, de Narnia-reeks, aanvankelijk succesvoller. Voor sciencefiction waren er al duidelijk herkenbare SF-reeksen, maar fantasy bestond nog niet als een gelabeld genre; het was letterlijk fantasie, verhaaltjes voor kinderen over dwergen, elfen, draken en tovenaars.
Het was misschien Lin Carter die het begin maakte van een duidelijk herkenbaar genre door bij Ballantine in 1969 een fantasy-reeks te beginnen. Voor alle duidelijkheid benoemde hij het nadrukkelijk “Adult” Fantasy.
Bruna gaf van 1971 tot 1976 de FeH-, de Fantasy en Horror-reeks uit, met vooral horror van Lovecraft. Bert Bakker gaf van 1973 tot en met 1976 de Tintagel-reeks uit, met vooral werk van William Morris en Lord Dunsany, maar in 1973 ook al een studie over Tolkien, en in 1975 diens Avonturen van Tom Bombadil. Toen begin jaren tachtig de belangstelling voor SF verdween, transformeerden de SF-reeksen zich tot fantasy-reeksen en werd fantasy een algemeen herkenbaar genre.
J.K. Rowling heeft daar niet zoveel mee te maken. Haar eerste boek, Harry Potter and the Philosopher’s Stone, verscheen in 1997, en pas in 1999, toen er al drie Harry Potter-boeken verschenen waren, werden ze een succes. En die boeken vind je nog steeds bij de kinderboeken. Eerder zou The Gormenghast-trilogie van Mervyn Peake moeten worden genoemd, maar ook al is die vertaald en verfilmd, die is toch minder bekend. Tegenwoordig lijkt fantasy steeds meer op te duiken als “YAF”, Young Adult Fantasy. Een onbewuste erkenning dat fantasy toch vooral voor kinderen is?

Er zal ongetwijfeld een soort van definitie of omschrijving van het begrip fantasy worden gegeven, en dat zal worden gedaan door iemand die er belangstelling voor heeft, misschien wel Natalie Koch. Maar hoe breed en diep zal die belangstelling door kennis zijn gevoed?The Encyclopedia of Fantasy van John Clute en John Grant, bekroond met een Hugo én een World Fantasy Award, heeft in de St. Martin’s Griffin Edition uit 1999 meer dan 1000 pagina’s nodig om fantasy uit te diepen. Zal de definitie van De Revisor uitkomen bij die van deze encyclopedie, namelijk: "een in zichzelf coherente vertelling van a) een onmogelijk verhaal in de ons bekende wereld of b) een verhaal dat zich afspeelt in een onmogelijke  wereld, waarbij binnen de context van die wereld het verhaal op zich wél mogelijk is”?Ja ja, ik weet het, dit is wel heel kort. Natuurlijk is dit volop te nuanceren, te verduidelijken, te onderbouwen. Zal er worden ingegaan op al die subgenres die binnen de fantasy worden onderkend? Epische fantasy en high fantasy, sword & sorcery, heroïsche fantasy, steampunk, prehistorische fantasy en historische fantasy, contemporary fantasy, dierenfantasy, technofantasy en science fantasy, de urban fantasy en de dark fantasy… Met tal van internationaal bekende werken, waaronder ook De Stam van de Holenbeer van Jean M. Auel en Waterschapsheuvel van Richard Adams. Het werk van Neil Gaiman. Zullen de Schijfwereld-boeken van Terry Pratchett worden genoemd, een prachtige parodie op de genre fantasy.
Zullen de grenzen van de fantasy met de horror en de sciencefiction, met het modernisme, magisch realisme en absurdis­me worden verkend?
Zal er aandacht zijn voor fantasy-poëzie?
En vooral, zal er aandacht zijn voor de Nederlandse en Vlaamse fantasyschrijvers? Want naast De Verborgen Universiteit-trilogie van Natalie Koch hebben we het werk van de Vlaamse auteur Guido Eekhaut, waaronder de Orsenna-boeken en de Stappers-reeks, het werk van Jan. J.B. Kuipers en Marcel Orie, de Onmagiër-reeks van W.J. Maryson, maar ook de bij De Arbeiderspers verschenen Alvader en Wolftranen van Koos Verkaik, het werk van Adrian Stone (Ad van Tiggelen), de klassieker Hoe ver is Dunn? van Jaap Verduyn, de genre-schrijvers Tais Teng en Jaap Boekestein, de recente Maalstroom-reeks van Jasper Polane… 

Er zal in ieder geval één belangwekkend stuk aanwezig zijn, namelijk dat van Natalie Koch, schrijfster van de mooie fantasy-trilogie De Verborgen Universiteit, naast twee ‘gewone’ literaire boeken. Het derde deel, De Stad van de Alchemist, stond op de shortlist van de Harland Award Romanprijs 2017, een Gouden Strop voor boeken in de fantastische genres sciencefiction, fantasy en horror, die in 2016 voor het eerst was uitgereikt aan Auke Hulst voor de sciencefictionroman Slaap zacht, Johnny Idaho. De prijs ging naar En ik herinner me Titus Broederland van opnieuw Auke Hulst, en dat was een fout. Natuurlijk had de prijs naar De Stad van de Alchemist moeten gaan, en daarmee naar de hele trilogie van Natalie Koch. Niet omdat het boek van Auke Hulst geen uitstekende fantasy is, zoals vanuit het genre werd beweerd. Ook niet omdat De Verborgen Universiteit beter is; het zijn alle twee uitstekende boeken, die tonen dat goede literatuur heel divers kan zijn. Zeker vanuit het oogpunt van een fantastische genreprijs zijn ze gelijkwaardig. En als beginnende prijs kies je dan niet voor de enige auteur die je al hebt bekroond. Dan geef je de prijs aan een andere auteur, zeker als er een uitstekend boek op de shortlist staat dat iets meer tegen de hoofdlijn van het genre ligt.

Wanneer een literair tijdschrift zich met een genre bezig gaat houden, hoop je heel even op een academische consensus, een soort van literaire natuurwet. Dan weten we wat we bedoelen en hoeven we niet meer te kibbelen. Dan kunnen we de tijd besteden aan het schrijven en lezen van mooie boeken. En dat boek heet dan de ene keer fantasy, de andere keer thriller en de andere keer… ja, hoe gaan we de literatuur verder opdelen?
Maar dat is de mens niet eigen. Wanneer we zo’n consensus hebben bereikt, staat er een slimme literator op om scherpzinnig te betogen dat het toch eigenlijk heel anders is. In de literatuur zijn er geen natuurwetten, niet in de scienceficion, en zeker niet in de fantasy. Dat is altijd zo geweest, en in deze tijd van sociale media heeft iedereen zijn eigen mening en kan die breed en veelvuldig worden geuit. De rest is van academisch en dus niet van belang.

Reacties op: Feit of fantasie; waar hebben we het over, en wat maakt het uit?