Blogpost: Frans Tolsma

Het Jachthuis

Wij deden vroeger alles lopend. ’s Ochtends van de Waliënsestraat door het Willinkplantsoen, over het paadje langs het Raadhuis en daarna voorbij de Bewaarschool naar de St. Jozefschool die de Grote School genoemd werd. Tussen de middag naar huis om warm te eten en weer terug naar school en daarna om een uur of vijf weer naar huis. Daar aten we en speelden daarna op straat, voornamelijk piefverstoppen maar ook hinkelen en knikkeren. De straat kende toen geen auto's en boeren hadden geen trekkers, de straat was voor paard en wagen.In de bijkeuken stond een houten tobbe en een wasbord voor het schrobben van de was want er was nog geen wasmachine en trouwens ook geen koelkast. De televisie was onbekend evenals de computer, ze kwamen pas veel later in huis en werden beschouwd als tekenen van vooruitgang. Maar je kon er niet mee spelen, dat bleef nog voorbehouden aan de straat.Toen we wat ouder werden, zeg vijf of zes jaar, gingen we ook wat verder weg. We liepen de Waliënsestraat af, gingen linksaf, kwamen langs houthandel de Struker en een korenveld, gingen linksaf voor een brug  een smal pad in en stopten in een bocht bij de beek waar we zwommen. Het was een vertrouwde beek, hij was krom zoals alle beken. Een rechte beek zou zeker niet vertrouwd zijn geweest. Ook speelden we aan de andere kant van het dorp bij Het Stenen Bruggetje aan het eind van het Hilbelinkspad waar we stekelbaarsjes vingen in een net van een oude nylonkous. Daartegenover lag de Huininkmaat, een van oudsher gerenommeerde vuilnisbelt. Het Stenen Bruggetje is nu van hout en de vuilnisbelt is omgetoverd tot een rustieke hondenuitlaatplaats waar je ook kunt wandelen waarbij het opvalt dat er veel mensen wandelen met een plastic zakje in hun hand. Zouden ze al wandelend daar hun boterhammen opeten? Als ik ’s avonds terugkwam van het spelen bij het Stenen Bruggetje, kwam ik over een smal pad langs het oude Kerkhof waar bij het pad aan de andere kant van de beukenhaag het lijkenhuis stond. De gele maan stond erboven en het leek alsof rondom het huisje ijle gedaanten rondzwierven. Ik probeerde er altijd zo zachtjes mogelijk langs te komen en wanneer ik het gepasseerd was, verdween de beklemming en rolde de angst van me af. Dat overkwam me vooral in de herfst wanneer de jagersmaan aan de hemel stond, voor mij een maan die op jacht was naar de dood. Er waren enkele plekken waar een taboe op rustte. Dat waren het Oostervoort, het gebied achter het Hilbelinkspad en later het Wooldse Veen en het Korenburgerveen. Het waren drassige gebieden waar je in kon wegzakken. Er werd niet over gesproken, alsof alleen al het woord je zou kunnen laten wegzakken in de drab. Ze waren gevaarlijk. Wij wisten dat zonder dat er over gesproken werd. Ze waren taboe en daarmee basta.  De Waliënsestraat was een rechte straat die voorbij het dorp en het Jagtmansbos overging in een rechte weg, de Waliënse Weg die zich splitste in twee wegen, één naar Meddo en één naar Vreden in Duitsland. De weg naar Vreden was recht, de weg naar Meddo krom, zeer krom. Ik liep in de zomer regelmatig naar Meddo om bij boer Elsinghorst bessen te plukken maar niet via de weg maar over het Kerkpad dat toen een zandweg was en bij café Spiekerman overging in een harde weg.  Het Jagtmansbos was een geheimzinnig bos en we hebben er daarom nog eens een geheime ondergrondse hut gebouwd. Er was ook een wasserij aan de beek die voorbij het Jachthuis onder een brug doorliep, een wasserij die altijd in het donker lag zodat je niet echt wist of het een wasserij was want zo groot was die beek nu ook weer niet. Wat echter de meeste indruk maakte was het Jachthuis. Het leek alsof er iemand woonde die je niet zag, een jager misschien die alleen ’s nachts op pad ging maar dat leek nogal overdreven. Meer waarschijnlijk was het dat er geen hij in het Jachthuis woonde maar een “Het”.  En dat “Het” markeerde de grens tussen bekend en onbekend, eigenlijk meer tussen vertrouwd en spannend, tussen thuis en vreemd, tussen dorp en buitengebied, tussen spelen en voorzichtig onderzoeken of het vreemde ook vertrouwd kon worden en de beek een eigen beek, de verre weg een eigen weg en het buitengebied niet magisch maar gewoon een raar woord voor de buurtschappen. Want dat waren het, geen abstracte buitengebieden maar fraaie landschappen waar soms burgerwoonhuizen wat verlegen tussen de bomen doorkeken, met Saksische boerderijen die heel vroeger ook Jachthuizen geweest moesten zijn. En dan liepen we terug en wisten we dat we deel uitmaakten van iets groots, iets dat bij jezelf hoort als het water bij de beek en het lopen bij de weg.  

Lees verder op mijn site

Reacties op: Het Jachthuis