Blogpost: Nico van der Sijde

Mijn boekenjaar 2019

Tja, waarom schrijf ik eigenlijk een blog over dit boekenjaar, als ik van tevoren al weet dat dit boekenjaar net als alle vorige onuitputtelijk was? En dat de herinnering eraan ook nu weer doordesemd zal zijn van vertekeningen van het altijd onnauwkeurige en onrechtvaardige geheugen? Maar aan de andere kant: waarom niet? Om de een of andere reden vind ik het leuk om te doen, en waarom zou ik moeten begrijpen waarom ik het leuk vind?

Het hoogtepunt van 2019 stond eind 2018 al vast: toen begon ik met het herlezen van "Op zoek naar de verloren tijd" vanaf deel 2, en in begin 2019 herlas ik dus "Sodom en Gomorra", "De kant van Guermantes", "De gevangene", "De voortvluchtige" en "De tijd hervonden". En weer werd ik helemaal bedwelmd door het ongelofelijk sensitieve en detailgevoelige proza van Marcel Proust: de man die alle facetten van elke belevenis tot in het oneindige uitdiept omdat hij daarmee maximale diepte en rijkdom wil geven aan alles wat hij heeft beleefd. Zodat hij daarmee een monument opricht waarin zijn leven schijnt en schittert als nooit tevoren, ook tot in de meest naargeestig of negatief of banaal lijkende details aan toe. Nergens wordt het leven zo intens geleefd als via de herbeleving ervan in literatuur, aldus Proust. Volkomen onaannemelijk, maar als je zijn boeken leest geloof je niettemin meteen dat het zo is. Ik in elk geval wel, en ik hoop over een jaar of tien de hele cyclus nog weer een keer opnieuw te herbeleven. En daarna wederom voor even met Proustiaans oog naar mijn eigen wereldje te kijken, dat dan voor even schittert als nooit tevoren. 

De grootste verrassing afgelopen jaar was voor mij echter Herman Hesse. Een schrijver die ik altijd doelbewust vermeed, omdat het mij een sentimentele en dweperige neuzelaar leek. Dus schrok ik mij wezenloos toen een goede vriendin mij "Het kralenspel" gaf (in het Duits) voor mijn verjaardag. Maar tot mijn verbijstering vond ik dat boek echt geniaal van stijl en inhoud. Het is een imponerend monument voor het vrije en ongebonden spel van de geest (tot uiting komend in filosofie, literatuur en muziek) dat zich niet aan politieke of sociale beperkingen stoort en ons vrolijk verzoent met tegenslag en dood. Maar opmerkelijk genoeg is het tegelijk ook een ode aan de altijd ontevreden zoekende ziel die steeds radicaal nieuwe en onbekende horizonten wil exploreren, zelfs nog voorbij dat vrije spel van de geest. Daarna las ik nog het mierzoete maar wel intrigerende "Siddharta", en de twee formidabele prachtromans "De steppenwolf" en "Narziss en Goldmund". Die laatste roman vond ik geloof ik de allerimponerendste van alle Hesses, omdat hierin zo prachtig vorm en inhoud gegeven wordt aan het verlangen van de artistieke ziel om alle uithoeken van de ervaring in te drinken en de essentie van die ervaring te doen oplichten door er vorm aan te geven in de kunst. Maar "Het kralenspel" zal altijd mijn lievelingsboek van Hesse blijven, omdat dat het boek was dat mij deed ontdekken dat ik deze schrijver ten onrechte altijd als de lepra had geschuwd.

Het jaar 2019 was ook het jaar dat ik kennismaakte met Jon Fosse. De man die soms een hele roman laat bestaan uit een enkele zin, vol komma's en puntkomma's en dubbele punten, maar zonder punt. Ademloos proza dus, dat aan alle kanten verbijstering uitademt over het mysterie van de wereld, een mysterie dat bezongen wordt in uiterst religieuze beelden vol van religueze twijfel, en in onnavolgbaar prachtige beschrijvingen van het nooit voltooide artistieke vormgevingsproces. En het mondt allemaal uit in een besef van overweldigd zijn, van totaal paf staan en niet meer weten, van woordloos ontzag voor alles wat de mens te boven gaat. Zodra personages van Fosse losbarsten in gebed raak ik helemaal ontroerd, hoe agnostisch ik ook ben. En de fraaie gedachte dat ook schilderkunst niets meer is dan zo'n woordeloos en vertwijfeld gebed krijgt bij Fosse wel heel imponerend vorm. Ik vond vooral "Trilogy" heel prachtig, maar ook zijn "Melancholie I" en "Melancholy II" (dat ik in het Engels las). En het eerste deel van zijn "Septologie" imponeerde mij eveneens behoorlijk. De volgende delen daarvan koop en lees ik meteen, en ook ander werk van Fosse zal ik de komende jaren verslinden.

Ook wil ik komende jaren meer gaan lezen van Thomas Bernhard: "Houthakken" (mijn eerste Bernhardtje) vond ik een subliem crescendo van steeds toenemende wanhoop en woede, en dat smaakt echt naar meer. Ook Claude Simon smaakt naar meer: "Georgica" (dat ik toevallig op zolder vond, ik was vergeten dat ik het had) vond ik echt een betoverende poging om overweldigende ervaringen - zoals angst voor de dood, onderdompeling in oorlogsgeweld, totaal paf staan van de onbegrijpelijke natuurpracht- weer te geven in hun ruwe, chaotische, nog niet door het verstand geordende vorm. En misschien ga ik ook meer lezen van Georges Bernanos: ik vond "Meneer Janeu" (mijn laatste boek van 2019) in elk geval een ongelofelijk indringende reflectie op de ambiguiteit van het bestaan, juist omdat dit boek doordesemd is van prangende vraagtekens zonder hoop op enig antwoord.

In 2019 won Peter Handke de Nobelprijs. Who cares, want die prijs is niet heilig, maar dat was wel de aanleiding om eindelijk eens gehoor te geven aan mijn al jaren sluimerende nieuwsgierigheid. Eindelijk ging ik dus eens checken of Handke wat voor mij was. Wat ik dus eerder had moeten doen, want nu heb ik meer dan tien Handkes gelezen, en ik heb er nog lang geen genoeg van. Misschien zijn "De korte brief bij het lange afscheid" en "Ongezocht ongeluk" de highlights, maar ja, "Het uur van het ware gevoel" vond ik bijvoorbeeld ook prachtig. Om nog maar te zwijgen over "Essay over de gelukte dag". De Handkes die ik nu ken combineren steeds totale vervreemding met ongehoord originele poezie: eerst wordt de conventionele betekenissamenhang van de wereld helemaal afgebroken, wat tot werkelijk schitterend beschreven zinloosheid en leegte leidt; vervolgens wordt naar nieuwe buiten- conventionele betekenispatronen gezocht, wat nog schitterender beschreven tastende vergezichten oplevert. Nee, met Handke ben ik nog lang niet klaar! En ook de andere Nobelprijswinnares, Olga Tokarczuk, blijf ik gewoon volgen. In 2019 deed ik dat ook al, door mij prima te vermaken met het caleidoscopische "De Jacobsboeken". 

Maar ja, ik las dit jaar 68 soms vrij dikke boeken, meestal met veel plezier. Die ga ik niet allemaal noemen, want dat wordt een warboel. Ik ga in dit overzicht dus veel vergeten, afraffelen, ten onrechte straal negeren of te weinig recht doen. Ik moet echter wel Franz Kafka memoreren, omdat ik enorm genoot van de glasheldere nieuwe vertalingen van "Het kasteel" en "De brief aan de vader en ander proza". Wat kun je toch van Kafka genieten als je jezelf niet blindstaart op wat het allemaal betekent, maar gewoon inzoomt op de grillige poezie en enorm originele beeldende kracht van vele van zijn details. Die details kreeg ik bovendien nog wat scherper voor de bril door het eigenzinnige en mythische Kafka- boek "K" van Roberto Calasso. Uitbundige pret had ik met "Zalige tijden, breekbare wereld" van Robert Menasse: pure LSD, want een geweldige combi van Leesplezier, Stijl en Denken. "Baron Wenckheim keert terug" is naar verluidt helaas het laatste boek van de geniale Hongaar Laszlo Krasznahorkai, maar het was weer volkomen verpletterend in al zijn briljante zwartgalligheid. Ademloos proza, dat zelfs de meest onervaarbare angsten en gemoedsbewegingen invoelbaar maakt. Ik werd bovendien weer erg geroerd en geamuseerd door de blijmoedige relativist en pluralist Karel Capek, dankzij zijn roman "Hordubal"  en zijn verzamelde krantenstukken in "Believe in people". Ik had ook jubelende pret met Christoph Ransmayr, met name met "Cox, of de loop van de tijd" en "De laatste wereld". Wonderen van stijl en bizarre verbeeldingskracht, die boeken. En ik had de grootste pret met het in nieuwe vertaling herlezen van die geweldige Russen: "Werken" en "De dappere egel" van de onnavolgbare absurdist Daniil Charms, de opnieuw vertaalde verzamelde verhalen en de herziene vertaling van "Dzjan" van de onnavolgbaar tragi- komische Andrej Platonov, waarin het communisme op even onnavolgbare wijze wordt bezongen als geridiculiseerd, en "Misdaad en straf" van Fjodor Dostojevski waarin de ongure afgronden van de menselijke geest als in weinig andere boeken tot op de bodem worden gepeild. Van Dostojevski las ik daarnaast ook nog een opnieuw vertaald deel van het verzameld werk, "De kleine held en andere verhalen", met vroeg Dostojevski-proza dat ik niet kende maar wel heel graag leerde kennen: met name de geniale tragikomische kluchten "Wat oom had gedroomd" en, vooral, "Stepantsjikovo en de mensen die er woonden". Aan die dekselse Russen heb je voor je leven genoeg, merkte ik ook dit jaar weer. 

Er is natuurlijk ook van alles dat ik niet heb gelezen. Ik hou bijvoorbeeld de Nederlandstalige literatuur erg slecht bij, en dat is een volkomen arbitraire keuze. De nieuwste Oek de Jong heb ik in huis maar nog niet gelezen, de nieuwe Buwalda, Pfeiffer of Van Essen heb ik zelfs niet eens in huis. De nieuwste van Houellebecq, Littell, Ugresic en Ben Lerner heb ik wel weer in huis, maar nog niet gelezen. Maar ja, 68 boeken in een jaar is al best veel, een mens kan niet alles lezen, en ik zie mij zelfs niet in staat om die boeken die ik wel gelezen heb een beetje goed te onthouden. Al ben ik best tevreden met wat ik wel kan lezen en onthouden, en over de boeken die ik mooi vind schrijf ik meestal ook een stukkie dat het onthouden vergemakkelijkt en waarmee ik mijn pret probeer te delen. Bovenstaand overzicht is ook gebaseerd op het kort scnannen van die stukkies. Ook dat voorkomt echter niet dat er leemten in het overzicht zullen zitten, maar dat hou je toch, en dit overzicht moet het ook gewoon maar zijn. 

Toch moet ik nog een boek speciaal noemen: "Petersburg" van Andrej Bely. Volgens sommigen een van de allerbeste Russische romans ooit geschreven, en tot mijn verbazing en ongeloof vind ik dat dus ook. Het lijkt soms erg op Gogol en Dostojevski, maar dan wel een forse graad intenser en grilliger. Gogol en Dosto on speed, zeg maar. Ik zou nooit hebben geloofd dat zoiets mogelijk was, maar dankzij Bely weet ik dat nu. En anders dan ik van tevoren vermoedde las het als een trein. Voor MIJ, tenminste. Zelden heb ik zulk hallucinant proza zo ademloos gelezen. Prachtig hoe de chaos van het door revolutie geteisterde Russische leven anno 1905 gestalte krijgt in dit boek. Formidabel hoe Bely, symbolist als hij is, ook nog eens peilt naar onkenbare dimensies die schuilgaan onder deze toch al zo onuitputtelijke realiteit. En hoe hij dus uit alle macht probeert het onbeschrijflijke TOCH te beschrijven. Geweldig hoe hij elke pagina opnieuw allerlei luiken in mijn hoofd opende met zijn briljante, steeds naar het onmogelijke tastende zinnen. Niet te geloven hoe hij totale tragiek combineert met pure slapstick, en hoe hij de beschrijvingen van volstrekt schimmige en vluchtig- illusoire werkelijkheid combineert met even idiote als nastrevenswaardige mystieke verlangens om door te breken naar onbereikbaar inzicht in alles wat die werkelijkheid overstijgt. Twee keer achter elkaar las ik het boek ademloos uit, en ik moest mij ertoe dwingen dit niet nog een derde keer te gaan doen. Zonder Proust zou "Petersburg" mijn boek van het jaar zijn geweest, en ik zal in 2020 meer proberen te scoren van deze formidabele maar mij tot voor kort onbekende schrijver.

Reacties op: Mijn boekenjaar 2019