Blogpost: Nico van der Sijde

Mijn boekenjaar 2020

Dit was voor mij - en voor ons allemaal- een vreemd jaar, en daardoor ook een vreemd boekenjaar. Het gedoe met corona en lockdowns en het nieuwe normaal hield mij tenminste wel fors bezig. Van een ramp wil ik persoonlijk niet spreken, want daarvoor heb ik veel te veel zegeningen te tellen: ik kan mijn werk prima thuiswerkend doen, mijn dierbaren en ik zijn prima gezond, mijn baan staat lang niet op de tocht, en samen met mijn echtgenote heb ik het ook in deze tijden gewoon gezellig. In een rijk land als Nederland hakt deze pandemie er bovendien beduidend minder in dan in armere landen. En hoera, er is een vaccin, en er zijn nog vaccins op komst. Maar toch, de dreiging blijft, en ik ben geen dapper mens. Bovendien raakt deze pandemie natuurlijk veel mensen direct (omdat zij of hun naasten ziek worden)  en indirect (omdat ze hun baan verliezen, of omdat zij langer moeten wachten op een urgente behandeling), en dat maakt mij op sommige momenten best wel gestresst en somber. Al is dat gezien alle net genoemde zegeningen puur een luxeprobleem, en al vermaak ik mij door de bank genomen uitstekend.

Dit hele coronagebeuren had en heeft bovendien ook wel invloed op mijn leesgedrag. Vroeger had ik 's ochtends een leesuurtje en fietste ik daarna naar het werk. Nu heb ik een wandeluurtje, en daarna ga ik aan het werk op de eerste verdieping. Ik kijk 's avonds ook vaker naar films en series op Netflix, Picl en MUBI, samen met mijn echtgenote. Pure pret, heel gezellig, maar dat gaat wel van mijn leestijd af (wat ook weer puur een luxeprobleem is, maar niettemin). Bovendien heb ik dit jaar veel meer boeken NIET uitgelezen dan in andere jaren: "Utopia Avenue" van Mitchel brak ik bijvoorbeeld na 50 pagina's af, en ook met "De spiegel en het licht" van Mantell hield ik na 100 briljante bladzijden op, onder het motto "dit is net zo geniaal als de eerdere Wolf Hall- delen, maar ik heb er NU het geduld niet voor". Ook "Duivels" van Dostojewski en "Uit het leven van een faun" van Arno Schmidt trok ik niet: te zwartgallig, te ingewikkeld, te veel concentratie vragend. Al die boeken kwamen niet op het goede moment. En dat lag niet aan die boeken, maar aan mijn stemming van dat moment. Bovendien, ook bij de boeken die ik wel uitlas merkte ik soms dat mijn concentratie en leesplezier verstoord werd door coronagepieker.

Maar goed, geen geklaag: ik heb dit jaar toch 54 soms best dikke boeken gelezen, en met veel plezier. Aan het begin van dit jaar (toen corona nog een Chinees gerucht was) las ik bijvoorbeeld vijf boeken achter elkaar van de geniale galbak Thomas Bernhard: Vorst, De oorzaak, De kalkfabriek, Het Kind, Oude meesters. En ik eindig dit jaar met Bernhards net vertaalde De onderspitdelver. Ik hou van Bernhards maniakale en intense proza: proza dat zonder stukken wit maar doorraast en doorraast en doorraast; proza vol herhalingen waardoor het een ongelofelijk meeslepend ritme en een bijna fuga- achtige muzikaliteit krijgt, maar ook het effect van almaar toenemende woede en wanhoop en teleurstelling; proza vol uitvergrotingen en overdrijvingen die dolkomisch zijn en tegelijk naar de strot grijpend zo zwartgallig; proza dat mij imponeert door de enorm radicale kritiek en zelfkritiek, en mij tegelijk helemaal betovert door zijn enorme schoonheid. De boeken gaan steeds over totale teleurstelling in alles en iedereen, en over de ultieme nederlagen die ons leven en onze dood doordesemen, maar de stijl is steeds een triomf. Ik heb ik 2020 dus veel vreugde beleefd dankzij Bernhard, vooral voordat de coronacrisis begon, en in 2021 hoop ik nog meer van hem te lezen. Zoals ik in 2021 ook meer hoop te gaan lezen van Peter Handke: vooral De chinees van de smart (ook nog voor lockdowntijd gelezen) smaakte dit jaar immers naar meer. 

Iets voor de eerste Nederlandse lockdown las ik Wittgenstein's Mistress, de even dichterlijke als filosofische als raadselachtige roman van David Markson. Dat deed ik samen met Ellen IJzerman en Tea van Lierop, wat dikke leut was. Ter voorbereiding had ik een boek van Bert Keizer over Wittgenstein gelezen, alsook Filosofische Onderzoekingen van Wittgenstein zelf. Vooral het boek van Wittgenstein zelf schonk mij een verrijkende leeservaring, en gaf mij daarnaast een mooie bodem voor Marksons ondoorgrondelijk prachtige boek. Het bestaat uit korte, enigmatische, door stukken wit van elkaar gescheiden zinnen, vol van mysterie en ongrijpbare leemtes. Heel geleidelijk aan merkte ik dat de ik-figuur de enige mens en zelfs het enige levende wezen is op deze wereld: ze is alleen omringd door levenloze dingen die al hun vanzelfsprekendheid verloren hebben, en ook haar herinneringen zitten vol gaten en tegenstrijdigheden. Als lezer weet je niet of de hoofdpersoon nou echt de enig overgeblevene op aarde is, of dat ze zodanig in geestelijk isolement is geraakt dat ze geen enkel levend wezen meer waarneemt. Precies dat onderstreept dan voor mij de filosofische lading van dit boek: de grens van mijn taal is de grens van mijn wereld, aldus Wittgenstein, en mijn vertrouwdheid met de dingen heb ik puur dankzij mijn taal en mijn begrippenkader, maar die vertrouwdheid is heel broos omdat onze begrippenkaders broos zijn. Zodra er iets in de ons vertrouwde wereld verschuift, kan in principe mijn hele wereld verschuiven, en kan de hele wereld mij totaal vreemd worden. Welnu, precies die broosheid van mijn taal en die onvertrouwheid met de wereld wordt door Markson geniaal op papier gezet. Want hij laat ons een wereld zien die volkomen onvertrouwd is, en juist door die onvertrouwdheid enorm overtuigt. Voor mij was Wittgenstein's Mistress het boek van dit jaar. Ten eerste omdat het een van de mooiste en imponerendste boeken was dat ik dit jaar las. Maar vooral omdat ik dit boek las nog net voor de lockdown, maar wel in een periode waarin de wereld voor mij steeds onvertrouwder en brozer werd doordat de lockdown zich wel al aankondigde. Of, beter misschien: in een periode waarin ik door de nakende coronacrisis meer en meer ging beseffen dat ook mijn rustige en luxueuze leventje van alledag best broos is, en zomaar zijn ogenschijnlijk solide basis en geruststellende vertrouwdheid kan verliezen......

Het eerste boek in lockdowntijd dat ik las was overigens Kolibrie, van Sandro Veronesi. Een boek vol rampen, drama's, noodlot, rampen, dood, verval en ondergang. Een boek waardoor je nog beter beseft dat er na de coronacrisis ook nog een klimaatcrisis wacht, en dan zijn we pas echt de lul. Dat was niet een boodschap waarop ik zat te wachten. Maar tegelijk is het een boek vol ongelofelijk aanstekelijke levenslust en vitaliteit en lichtheid en puur taalplezier. Kortom, een boek vol pessimisme en vol optimisme. De originaliteit van die combinatie deed mij stuiteren van de pret, en door de swingende stijl en vorm van Veronesi stuiterde ik nog wat harder. Dat gaf mij veel lucht en licht in deze niet supergemakkelijke periode. En zonder lucht en licht gaat het niet. 

Van de Nobelprijswinnares 2020, de dichteres Louise Glück, had ik nog nooit gehoord. Dat maakte mij nieuwsgierig, en ik had bovendien wel weer eens zin om gedichten te lezen. Daar kreeg ik geen spijt van: The wild iris en vooral Averno vond ik hoogst fraaie dichtbundels, vol van die niet in proza te parafraseren precisie die je alleen in heel goede gedichten vindt. Fascinerend vond ik bovendien hoeveel ongelofelijk rake beelden deze gedichten bevatten van verlies en depressie, en hoe er tegelijk ook een heel aanstekelijke amor fati en levensjubel opklinkt in deze gedichten. En ik ben nog lang niet klaar met deze dichteres, omdat ik nog veel meer gevoel wil krijgen voor haar zo raadselachtige en daardoor voor mij zo intrigerende toon. Louise Glück was voor mij kortom echt een ontdekking, van wie ik komend jaar meer hoop te lezen. Zoals Machado de Assis voor mij een herontdekking was: ik herlas zijn vijf vertaalde romans allemaal achter elkaar, en werd weer helemaal vrolijk van die zo unieke combinatie van tragiek en treurnis met badinerende spot en puur amusement. Alsof de wereld totaal treurig is en dolkomisch tegelijk. Misschien moet ik ooit ook zijn verhalenbundels herlezen?

Voorts las ik tijdens en na de eerste lockdown meerdere boeken van de Australische schrijver Gerald Murnane. Iemand die al jaren bekend staat als de grootste schrijver van wie niemand ooit heeft gehoord, en in 2018 was ik helemaal overdonderd door The plains. Dit jaar las ik dan Barley Patch, Border Districts, Stream systems: collected short fiction, A history of books en Inland. Vooral dat laatste boek vond ik flabbergasting, meer nog dan The plains. Veel mensen zullen Murnane te vaag vinden, en zullen na twee bladzijden Murnane-proza gapend en stomverveeld afhaken. Maar ik vind hem geweldig. In al zijn boeken schildert hij onze binnenwereld en onze buitenwereld af als een oneindige vlakte, vol raadselachtige openheid en vol onbereikbare en juist daardoor enorm verlokkende horizonten. Zijn personages snakken bovendien naar ideaalwerelden van fictie en droom, naar werelden die ontoegankelijk zijn en blijven voor onze zintuigen en ons verstand, maar die tegelijk ook veel rijker zijn dan de werelden die we dagelijks waarnemen met ons fantasieloze oog en ons beperkte brein. Naar die onbereikbare werelden zoeken Murnanes personages, wetend dat die zoektocht onvoltooid moet blijven, en dat die werelden nooit meer kunnen en mogen zijn dan onmogelijk in te lossen beloften. Maar juist dat houdt het verlangen levend, en juist dat geeft het verlangen zijn nooit dovende intensiteit.

Ook dit jaar had ik bovendien weer veel plezier met een aantal grote Russen. In mijn zomervakantie las ik Geschiedenis van een leven van Konstantin Paustovski. En meteen ook alles zes delen en alle 1500 blz van deze memoires achter elkaar, want ik kon niet stoppen. Dat was ideale vakantieliteratuur: weinig schrijvers kunnen zo meeslepend schrijven over de vele zintuiglijke verrukkingen van onze wereld. Paustovski was een avonturier die veel en vaak reisde, en je benijdt hem daarom, maar nog benijdenswaardiger is zijn zo enorm ontvankelijke oog. Het zou mooi zijn om alles te kunnen zien wat hij zag, maar nog mooier lijkt het mij om naar de wereld te kunnen kijken als hij. Of, beter gezegd: om zo al je zintuigen en je hele hoofd te kunnen openen voor ervaring en avontuur. En alleen al de gedachte dat dit in principe wellicht mogelijk is vrolijkt mij enorm op. Van mijn held Vladimir Nabokov las ik Bend Sinister en King, Queen, Knave, en ik herlas De gave. Vooral dat laatste boek stond weer bol van oogverblindende schoonheid, van schitteringen in stijl en vorm die je bij anderen dan Nabokov maar weinig vindt. De gave is bovendien een ongelofelijk overtuigend pleidooi voor het zoeken naar schoonheid, voor het speuren naar multi-dimensionaliteit in onze ogenschijnlijk eendimensionale werkelijkheid, en voor de dichterlijke blik die de dingen zo enorm verrijkt en zo enorm boven het banale verheft. Deze roman is sterk geinspireerd door het werk van Alexandr Poesjkin, en dat kwam mij niet slecht uit: dit was namelijk ook het jaar dat ik Poesjkin ontdekte. Ik las eerst De canon (een uitgebreide selectie van gedichten, verhalen, sprookjes en toneelstukken), vervolgens Jevgeni Onegin (een ongelofelijk swingende en sprankelende roman in verzen), en daarna Vroege verzen en Verzen in ballingschap. Ik was helemaal verrukt van de vaart, de brille, de originaliteit, de frisheid en de altijd verrassende schoonheid van Poesjkins proza en poezie. Die man spreekt niet alleen van "verswellust en denkgenot", maar brengt die sensaties ook nog eens ongelofelijk voelbaar over. Dus heb ik meteen zijn hele verzameld werk maar gekocht, zodat ik in 2021 nog meer Poesjkin kan lezen en genieten. Met dank aan meestervertaler Hans Boland, die Poesjkins werk in heel eigenzinnig en daardoor heel leesbaar en levendig Nederlands heeft omgezet. En over Boland gesproken: ik las ook zijn vertaling uit 2017 van Anna Karenina van Leo Tolstoj. Dat nu was echt het allermooiste boek dat ik dit jaar las: ik gaf het vijf sterren, terwijl ik mij vorig jaar al had voorgenomen dat nooit meer te doen. Maar hier moest het gewoon. Want wat een boek, en wat een schrijver, mensen...... Ongelofelijk hoe Tolstoj je meeneemt in de gedachtewerelden van verschillende personages, en hoe hij ons de innerlijke twijfels en tegenstrijdigheden van die personages laat voelen. Prachtig hoe hij daarmee zichtbaar maakt dat die personages soms nauwelijks zichzelf begrijpen. En geniaal is ook hoe levendig hij ons al die zo van elkaar verschillende en voor zichzelf zo onbegrijpelijke personages voor ogen tovert. Zonder oordeel. Maar vol inzicht en begrip. Want niemand in Anna Karenina heeft de waarheid in pacht en niemand begrijpt zichzelf en de wereld, maar iedereen in deze fabuleuze roman verdient het om begrepen te worden. En dat begrip wordt ons mogelijk gemaakt door de ongelofelijke helderheid van Tolstojs stijl en zijn fabuleus scherpe blik in de hoofden van zijn personages. Ruim duizend bladzijden puur leesgenot. 

Tenslotte wil ik nog Jahrestage. Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl noemen van Uwe Johnson, een onlangs vertaalde klepper van ruim 1600 bladzijden. In Duitsland geldt Johnson als de evenknie van giganten als Mann, Musil, Grass. Maar in Nederland is hij niet zo bekend, terwijl hij in Duitsland niet heel gretig wordt gelezen. Zijn werk geldt namelijk als heel experimenteel en moeilijk. Maar Jahrestage is volgens mij niet moeilijk, maar alleen volstrekt ongewoon: het is volkomen anders dan je van andere boeken gewend bent, maar als je eraan gewend bent leest het als een tierelier. Voor mij althans, het is vast niet naar de smaak van iedereen. Maar ik was er van 16 november t/m 28 december volkomen in ondergedompeld, en heb nog steeds enige ontwenningsverschijnselen. Onmogelijk te beschrijven dit boek. Je volgt de hoofdpersoon, Gesine Cresspahl, van dag tot dag, en je krijgt dan in elk hoofdstuk enorm intrigerende impressies van het New York waarin Gesine leeft EN van het Mecklenburgse dorp waarin zij tijdens en na WO II heeft geleefd. Die impressies zijn steeds enorme inspanningen om zich onvoorstelbare details binnen en buiten het eigen hoofd toch voor te stellen, en om tot nuances en betekenislagen door te dringen die je normaal nooit ziet. Zeker niet in het grote verhaal van ideologen, zeker niet in het opinievormende debat van alledag. Dankzij dit boek heb ik een enorm rijk fresco gezien van het New York in de jaren '67 en '68 en van het door Nazisme en Communisme overheerste Mecklenburg. En dat fresco is vooral zo rijk omdat het zo enorm genuanceerd en rijk geschakeerd is, en zo totaal vrij van labels en al te simpele of generaliserende oordelen. Een ontdekking, voor mij: ik ga nu op zoek naar andere vertalingen van Johnson.

Nou, dat was dus zo ongeveer mijn leesjaar. Een leesjaar waarin ik vaker dan ooit boeken gewoon niet uitlas, omdat ze niet op het goede moment kwamen. Een jaar bovendien waarin coronagepieker mijn leesconcentratie soms behoorlijk verstoorde. Maar ook een leesjaar waarin ik veel pret had met veel verschillende schrijvers. Ik ben kortom lang niet ontevreden. 









Reacties op: Mijn boekenjaar 2020

Gesponsorde boeken