inge drewes Auteur

Blogpost: inge drewes

Verweggistan

Hij kan niet leven naar de vaste normen/die hem zijn dorp als veilig richtsnoer schenkt,/maar blijft de witte plek der kaart bestormen/ en ziet zich kleur en lijn in 't landschap vormen/ waar 't poollicht of de oorlogstrom hem wenkt.'(Christiaan Terpstra (fragm.), geciteerd in Anthony van Kampen Omnibus, blz. 510) 

d21bb9ac945db38c65870db65b50a288.jpg






























Mijn ouders kochten in de jaren vijftig en zestig boeken van de Arbeiderspers, via een boekabonnement. Goed uitgegeven, degelijke boeken, door schrijvers en over onderwerpen die pasten bij het idee van ‘verheffing van het volk’. Eén van die boeken, 'Jungle Pimpernel', opgenomen in de Omnibus (1961) van Anthony van Kampen, heb ik als kind stukgelezen. Een geromantiseerde journalistieke reportage over het leven van bestuursambtenaren en Papoea’s in de toenmalige Nederlandse kolonie Nieuw-Guinea.  Jungle Pimpernel, de geuzennaam die Anthony van Kampen aan dr. Vic de Bruijn gaf. Een bestuursambtenaar en etnoloog die zich samen met ‘zijn’ Papoea’s  tijdens WO II in de diepe jungle verborg voor de Japanners. Een man die zijn werk als ambtenaar/handhaver goed wist te combineren met respect voor de eigen cultuur van de Papoea’s en hen probeerde te beschermen tegen de boze buitenwereld. Tenminste, zo beschreef Anthony van Kampen hem. Ik heb heel wat zondagmiddagen zitten lezen in dit boek en gestaard naar de foto’s van Jungle Pimpernel bij de Wisselmeren, omringd door de blij kijkende Papoea’s. Een tijdje geleden heb ik ‘Jungle Pimpernel’ nog eens herlezen. Een ouderwets-journalistieke stijl, een beetje hoogdravend en betweterig, en in onze hedendaagse ogen misschien te weinig kritisch over wat de koloniale overheersing betekende voor de cultuur en natuur in Nieuw-Guinea. Maar toch is het boek met het hart geschreven, en daardoor is nog steeds goed te pruimen en blijf ik nog steeds een beetje fan van Anthony van Kampen.Gelukkig hebben we ook nu nog schrijvers/journalisten die dat kunnen: een goed verhaal schrijven, een goede reportage, dicht aanleunend tegen de feiten, maar wel met een eigen gezicht en met hart geschreven. Jan Brokken is zo iemand. Een journalistiek schrijver over verre werelden, over mensen die zich juist in die verre werelden thuis voelen en daar proberen te (over)leven. Bijvoorbeeld over gorillajagers en witte paters in Gabon (‘De regenvogel’), over de president van Burkina Faso die in de jungle een kopie van de Sint Pieter laat nabouwen (‘De moordenaar van Ouagadougou’), over een aan lager wal geraakte tafeltenniskampioen op Curacao (‘De droevige kampioen’). In een onovertroffen stijl, puntgaaf, weet hij de ontreddering van zoekenden, de kloof tussen culturen, de vreemde werelden, zo mooi te verbeelden. En laat nu deze Jan Brokken ook een ‘jungleboek’ hebben geschreven, getiteld ‘Jungle Rudy’ (what’s in a name, he). Alweer een aantal jaren geleden, het boek dateert uit 1999, is in 2006 – samen met een documentaire over de hoofdpersoon – opnieuw uitgegeven en in 2014 verscheen de derde druk, maar ik heb het pas kort geleden gelezen. In het boek volgt Jan Brokken de voetsporen van de Nederlandse ontdekkingsreiziger en avonturier Rudy Truffino, die zich begin jaren vijftig vestigde in een verlaten deel van het regenwoud van Orinoco in Venezuela. Samen met zijn vrouw en drie dochters zette hij daar een soort outdoorcentrum op, van waaruit hij allerlei trekkingen organiseerde. Een bijzondere man: hij sprak de taal van de Pemón-indianen die in de jungle woonden , deelde hun afkeer van bezit en voelde zich verbonden met hun nomadencultuur.  Maar hij was tegelijkertijd een man die ’s avonds naar Don Giovanni wilde luisteren of naar Ella Fitzgerald, en hij baalde enorm dat één van zijn dochters verkering kreeg met een Pemón-indiaan, een dwerg vond hij die. Zijn ‘kampement’ liep niet al te goed, al kwamen er soms leden van koninklijke bloede langs zoals Prins Bernhard en Prins Charles, maar desondanks – wellicht via illegale edelstenen- en drugshandel, zoals Jan Brokken suggereert - weet het gezin het min of meer vol te houden.  Maar het grote geluk bracht dit verblijf niet: het huwelijk van Rudy met zijn vrouw Gaby bleek ongelukkig, de dochters keerden zich steeds meer af van hun vader en moeder en werden ‘halve Pemón-indianen’ die de jungle vaarwel zeiden. Rudy eindigde zijn leven als ontgoochelde en eenzame man, vermoeid door de geldzorgen en familiaire spanningen. Hij besefte dat het unieke gebied waar hij woonde steeds meer onder druk stond door toerisme, ontbossing en politieke druk, en hij zag dat de indianen steeds minder hun eigen cultuur waardeerden en verdedigden. Jan Brokken weet dit verscheurde leven meesterlijk te verbeelden: Rudy kan niet met, maar ook niet zonder de jungle leven, hij kan niet met vrouw en kinderen leven, maar ook niet zonder hen, hij is geen Pemón-indiaan, maar ook geen Nederlander. Jan Blokker volgt dit leven, schetst de dilemma’s, met gevoel en medeleven. Door dit verhaal heen weeft hij zijn eigen reis, in de voetsporen van Rudy, waarbij een jonge, ook ontwortelde Nederlandse neef van Rudy als gids optreedt. Hun route volgt uiteindelijk, hoe symbolisch,  de door Rudy getekende kaart richting ‘De Eenzamen Doorgang’.

Anthony van Kampen: Jungle Pimpernel. Uit: Omnibus. (Jungle Pimpernel, Incident op Corsica, Prauw aan boord). Amsterdam, Arbeiderspers, 1961
Jan Brokken: Jungle Rudy. Amsterdam, Atlas Contact, 2014.    

Reacties op: Verweggistan