Blogpost: Bronja Hoffschlag

Zomercolumn: Beestjes!

Als ik hem zie, moet ik op mijn tong bijten om niet te gillen. Hij is gigantisch, zwart en harig en bevindt zich onder mijn bureau, op enkele centimeters van mijn blote voet. De hittegolf is in volle gang: buiten is het vijfendertig graden, in de hal waar ik werk zelfs nog warmer, en ik heb mijn schoenen uitgetrokken. In een reflex zet ik me af en rol met mijn stoel zo snel en ver mogelijk naar achteren. Zonder na te denken laat ik alles uit mijn handen vallen, vlucht naar de dichtstbijzijnde afdeling en pluk de eerste de beste stoere collega achter zijn bureau vandaan.
“Er zit een spin onder mijn bureau,” zeg ik met een bibberend stemmetje. In mijn hoofd is het beest inmiddels uitgegroeid tot een monster met de afmetingen van een huiskat en hij moet nu onmiddellijk weg, voordat hij verdwijnt en ik me de rest van mijn leven moet afvragen wanneer hij aan een Spidey-draad op mijn hoofd belandt. De collega is niet onder de indruk en loopt met me mee naar mijn werkplek om de spinnenvrije zone te herstellen. Als hij een krant oprolt, kan ik hem nog net tegenhouden. “Kun je hem niet vangen?” vraag ik. Ik vind spinnen eng, maar buiten mogen ze best rondkruipen. De collega rolt met zijn ogen, maar neemt een koffiebeker en een stukje karton ter hand en brengt de indringer naar buiten. Tot mijn schrik bedenk ik dat er nog een chauffeur aan de telefoon hangt, graai de bungelende hoorn uit de lucht en put me uit in excuses voor het wachten. Gelukkig spreek ik hem iedere werkdag minimaal twintig keer. Hij kan erom lachen en noemt me een muts, voordat ik hem eindelijk doorverbind.
Denk niet dat ik bij ieder beestje dat voorbij komt bovenop een krukje ga staan piepen totdat iemand me komt redden. Meestal ben ik degene die wordt gebeld of geroepen voor een ongenode gast of een dier dat gewond is. “Bron, er loopt een muis door mijn kantoor.”, “Bron, er ligt een gewonde vogel buiten.”, “Bron, er zit een kever op mijn bureau.”. Geen probleem, Bron komt het wel vangen en verzorgen. Alleen spinnen en wespen dus niet. Ik ga verder met mijn werk, totdat ik bedenk dat spinnen altijd met zijn tweeën zijn. Met een zaklamp speur ik alle hoeken en gaten van mijn werkplek af. Uiteindelijk vind ik de wederhelft boven de uitgang en zoek een andere collega om de tweede spin te herenigen met de eerste.
Later die middag is alles snel weer bij het oude. Ik krijg een mailtje van een collega dat er een dode vleermuis onder zijn airco ligt. Bij nader onderzoek blijkt de vleermuis niet dood, maar hevig onderkoeld. Hij moet eerder door het open raam naar binnen zijn gevlogen en de pech hebben gehad te landen onder een airco, die volop staat te blazen. Ik neem de brokkenpiloot mee, zet hem in een doos in een kast waar het warmer is, en twijfel of ik de Dierenambulance of mijn man zal bellen om de patiënt naar Vogelklas Karel Schot te brengen. Hij is wat verfomfaaid, maar lijkt niet gewond. Een uur later wordt er in de doos gelukkig verwoed gefladderd en blijkt verdere verzorging niet nodig. De inmiddels zeer knorrige vleermuis kan weer naar buiten.

Op zondag gaat manlief met een vriend op stap. Ik had me voorgenomen te gaan schrijven, maar het is veel te warm om meer te doen dan voor een ventilator liggen met een boek. Daarnaast hebben we aan het koel houden van onze roedel (drie hondjes en twee katten) bijna een dagtaak in een huis waar de hele dag de zon op staat. Met name de twee oudste hondjes (Eli, 14 jaar, met een afwijking aan de luchtpijp, en Ieckie, 15 jaar, met een zware hartkwaal) hebben last van de warmte en liggen languit te treuren. Ons huis ziet eruit alsof er een bom ontploft is; overal staan ventilators en bakken water of liggen natte handdoeken en koelmatten. Op de kleine looppaadjes ertussen kun je net je voeten neerzetten. Via WhatsApp informeren vrienden, collega’s, familieleden en ik naar elkaars huisdieren en worden tips uitgewisseld om het onze viervoeters zo comfortabel mogelijk te maken. Omdat Ieckie, naast zijn hartmedicijnen, ook vochtafdrijvers slikt, draag ik hem iedere vier uur naar een stukje schaduw op het grasveld, onder een boom. Zodra gedaan is wat er gedaan moet worden, vluchten we terug naar binnen.

Als we voor de derde keer naar buiten gaan, zie ik twee zielige hoopjes zwarte veren op de trambaan liggen. Ik laat Ieckie binnen wachten en ren de straat op. Geholpen door een bezorgde voorbijganger, die het verkeer tegenhoudt en een vriendelijke tramconducteur, die zijn voertuig stilzet en gebaart dat we rustig aan moeten doen met die hitte, pluk ik de veren bolletjes van de rails en neem ze mee naar huis, achtervolgd door boos getoeter en getier van automobilisten. Bij verdere inspectie blijkt dat ik te maken heb met twee jonge kraaien, die waarschijnlijk net zijn uitgevlogen en bevangen zijn geraakt door de hitte. Er zit vrijwel geen leven in. Ik parkeer de vogels in een Curverkrat in de gang, neem mijn verwarde hoogbejaarde weer mee naar boven en ga een natte handdoek en een bak water halen. Ik zet de kraaien op de doek met de bak tussen hen in. Al na een paar minuten kijken ze helderder uit hun oogjes en beginnen ze interesse te tonen in de vreemde omgeving. Ze drinken wat. Een half uur later komt een van de vogels overeind. De eerste stapjes zijn nog voorzichtig, maar al snel hupt hij vrolijk rond over de handdoek en het tapijt. Zijn nestgenoot neemt wat meer tijd, maar bevindt zich dan opeens woest fladderend in de waterbak.
Als ik zie dat ze aanstalten maken te gaan vliegen in de vier meter hoge gang, stop ik ze gauw terug in de krat en leg de handdoek eroverheen. Buiten zoek ik een veilige plek om ze vrij te laten. Verderop in de straat zit een oudere buurvrouw in haar schaduwrijke tuin. Ik leg de situatie uit en vraag of de kraaien onder een fijne struik verder mogen bijkomen, zodat ze later uitgerust kunnen uitvliegen. De buurvrouw vindt het best en ik ga snel terug naar huis. Alsnog laat ik Ieckie uit, ververs de waterbakken, wikkel bevroren waterflesjes in doeken en verdeel die onder de roedel. De ontdooide flesjes gaan weer in de vriezer en ik begin aan mijn tweede Magnum van vandaag.

Bij de volgende uitlaatronde dient de derde patiënt van de dag zich aan. Een dikke hommel zit in het midden van de stoep en dreigt te worden geplet onder diverse felgekleurde teenslippers. Ook de hommel is niet in beweging te krijgen, dus zet ik hem onder een struik en neem Ieckie mee naar huis. De verleiding is groot om te geloven dat de hommel zich nu wel zal redden, maar na enkele minuten begint het aan me te knagen en haast ik me alsnog naar buiten met een klein bakje honingwater. Ik blijf bij de hommel totdat hij wegvliegt. Thuis maak ik de volgende ronde langs waterbakken, koelmatten en ontdooide waterflesjes. Dan nestel ik me met een boek en ijsje nummer drie bij de ven.

Een week later is de temperatuur gekelderd naar een aangename twintig graden en ben ik twee weken vrij van kantoor. De oudjes binnen onze roedel knappen zichtbaar op en poes Shiloh komt tevoorschijn uit haar donkere schuilplaats in de boekenkast. Kater Kip zoekt de zonplekjes in huis weer op en onze benjamin, dwergkees Wolff, stuitert weer onvermoeibaar door de kamer. De koelmatten, handdoeken en extra waterbakken zijn verdwenen, de ijsjes zijn op en ons huis lijkt weer op een huis.


*** Deze column verscheen eerder in de serie 'Zomercolumns' bij: Boeken- en Leesclub De Perfecte Buren


bb30d3ca644bfd3994a34c3d5318b20a.jpg7657d1ed688311a8f265152c332ac0c8.jpg556a5f1ba249a098244d38fa6137b406.jpg51018cad57f6f436b1dce4e5420b95fb.jpg264fc5cf3935fbe8092100797bb11a16.jpg




























Lees verder op mijn site

Reacties op: Zomercolumn: Beestjes!