Lezersrecensie
Een liefdevolle ode aan een moeder
Vier weken lang bevindt de auteur Eveline van de Putte zich in een verzorgingshuis aan de sponde van haar, kortgeleden blind geworden, moeder en vertelt over hun laatste momenten samen.
Ze halen herinneringen op van klein geluk, de cavia, het bramen plukken met vader. Met enkele woorden begrijpen ze elkaar. De gesprekken worden echter korter. Moeder slaapt steeds meer, ontwaakt, wil een hapje vla, haar rozendeken, klaagt over pijn en vraagt naar lucht. ‘Het is een verdomd machteloos gevoel zo weinig te kunnen doen, er te zijn, dat is het enige.’
De stervende uit steeds haar dankbaarheid. ‘Dat doe ik graag, jij hebt toch ook voor mij gezorgd?’
De wereld in het verzorgingshuis is klein. Eveline verzorgt haar moeder. Als ze slaapt observeert ze haar, de voorwerpen in kamer, luistert naar geluiden van de grijze kinderen en vindt enige afleiding in de tuin, insecten en vogels, een meeuwenjong.
De tijd verloopt traag, maar toch ook te snel. ‘Is het gisteren of vandaag,’ en ‘komt er nog een morgen?’ vraagt ze zich af. Loslaten is moeilijk voor dochter en moeder. Ook ik kon in de laatste hoofdstukken nog niet loslaten en legde het boek een dag terzijde.
De vraag naar lucht wordt sterker. De wanhoop van haar moeder komt mooi over door de korte, ritmische dialogen. Eveline weet haar te kalmeren: ‘Laat los moeder, je gaat naar een plaats waar het beter is’. Dan is het stil. ‘Toch bewegen de rozen op de zachte deken verder.’
Van de Putte heeft de laatste reis van haar moeder knap verwoord, het is noch triest, noch sentimenteel, maar warm en liefdevol en soms met droge humor beschreven. Opvallend is dat de auteur de eerste persoon en vooral de tweede persoon gebruikt: ‘Je stramme hand strompelt naar de mijne’, hetgeen herhaling van het woord ‘moeder’ voorkomt. Het verhaal bevat mooie vergelijkingen en enkele metaforen.
Lucht is niet alleen een ode aan de moeder, maar ook aan de verzorgers in het tehuis. En is het niet onbewust een ode aan de dochter, aan Eveline zelf?