Lezersrecensie
Beestachtig fijn boek
Lodewijk van Oord (Madrid 1977) laat in zijn roman Albrecht en wij (Uitgeverij Cossee Amsterdam) drie personen in de ik-vorm vertellen hoe ze het uitsterven van de neushoorn hebben meegemaakt. De schrijver, die in het boek zelf op de achtergrond blijft, kruipt in elk hoofdstuk in de huid en de geest van één van zijn personages. Van Oord tekent op indringende wijze de zeer uiteenlopende karakters van Edo Morell, de ambitieuze directeur van de Amsterdamse dierentuin (‘Ik leef nu in een absolute jongensdroom’), van de gedesillusioneerde neushoorndeskundige Sariah Malan, die voor de plannen van Edo haar geboortegrond en haar stervende vader in Zuid-Afrika in de steek laat (‘Ik heb niets minder dan mijn ziel verkocht’) en van Frank Rida, oud-politicus en bestuursvoorzitter van de hoofdstedelijke dierentuin (‘Ik ben Edo langzaam maar zeker als een zoon gaan beschouwen’). Op een vijftiental pagina’s komt ook nog de vader van Sariah uitgebreid aan het woord, om zijn dochter - op een bandopname - vlak voor zijn dood op te biechten dat hij altijd alles in zijn handen heeft gehad, maar niet zijn leven. Edo vindt Maleise tapirs vreemde beesten waar alles fout aan is, de westelijke laaglandgorilla’s liggen erbij als vermoeide filmsterren, met een grote boog loopt hij om het insectarium heen, omdat hommels en torren achter glas toch meer iets zijn voor zotten op een zolderkamer. Wisenten noemt hij Europese bosbizons, gnoes zijn misvormde runderen, zebra’s weinig meer dan gearresteerde ezels en neushoorns zijn in zijn ogen onwezenlijke beesten, kauwende dingen, sprookjesfiguranten. Het moet allemaal anders. De dierentuindirecteur ontmaskert zichzelf als een kille manager die de bestuursraad (‘Keurige mannen en vrouwen, burgers op leeftijd met conservatieve gedachten en breekbare harten’) om de oren slaat met een 120 miljoen euro kostend masterplan en die neushoornstier Albrecht laat optreden in voetbalstadions, waarvoor hij bungelend onder een helikopter wordt ingevlogen, in Amsterdam, Londen, Parijs, Berlijn, Wenen en Rome, ook al is de laatste neushoorn op aarde op sterven na dood. ‘Het gaat niet om de beesten maar om de klanten,’ roept hij. Toch heeft hij wel iets met wilde beesten: ‘De gorgelende neussnuif van het nijlpaard, abrupt in de rede gevallen door getrompetter van twee olifanten, daarna een roekeloze brul uit de diepte van een leeuwenmuil. De medemens heeft een wekker, ik heb de monsterlijke klanken der natuur. Er zijn beroerdere manieren om wakker gemaakt te worden.’
In de hoofdstukken waarin Sariah en haar vader aan het woord zijn laat Van Oord hen Zuid-Afrikaanse uitdrukkingen bezigen. Dat ligt voor de hand, het wordt er niet met de haren bijgesleept en schept sfeer in de verhalen, op dezelfde manier als Edo het managersjargon hanteert en Frank Rida zijn bestuurlijke inborst etaleert, al moet je even slikken als deze zijn verhaal begint met de woorden: ‘Als ik één ding zou moeten noemen waarin ik mij werkelijk bekwaamd heb, dan is het wel het voorzitten van vergaderingen.’ Als lezer krijg je dan de neiging om het boek even aan de kant te leggen. Dat gevoel krijg je ook als je vijf pagina’s van een hoofdstuk moet lezen, voordat blijkt wie er nu eigenlijk aan het woord is. Van Oord had de overgangen wat soepeler kunnen schrijven, dan was het een beestachtig fijn boek.