Lezersrecensie
Bevrijding in isolatie
Te veel inspanning, te veel verlies, te weinig ademruimte, en misschien wel het ergste van alles: ze kan niet meer tekenen. Tekenlerares Veronika Paardenbijter gaat zich zes maanden lang afzonderen in een kelder, voorzien van een bad, een voorraad conservenblikjes en een stenen ei. Haar kennissen maakt ze wijs dat ze zes maanden naar Schotland vertrekt, want, zo verklaart ze; ‘de waarheid zou hun zorgen hebben gebaard. Wie gaat er nou uit vrije wil in een kelder zitten? Isolatie verandert van verstikkend in bevrijdend als je zelf degene bent die de deur dichttrekt, maar krijg dat maar eens uitgelegd.’
In Emy Koopmans roman De vrouw in de kelder wordt die behoefte naar complete isolatie erg overtuigend overgebracht. Veronika beschrijft de kelder als een ‘diep donker hol. Veilig ietwat tochtig donker hol. Holletje.’ Ze voelt zich in de kelder geborgen, als een dier in winterslaap. Ze probeert grip te krijgen op haar ervaringen, het verhaal van de vrouw buiten de kelder dus. Dit doet ze door haar verhaal mondeling toe te vertrouwen aan haar computer. De tekst bestaat daardoor uit vloeiende, gesproken zinnen die hier en daar overlopen in schrijftaal.
In het eerste deel van de roman, die in vijven is opgedeeld, worden veel vragen opgeroepen. Vooral door de griezelige ‘bunker’, een onderdeel van de kelder waarvan Veronika vermoedt dat er kinderen in opgesloten hebben gezeten. Er komen kloppende geluiden uit die Veronika’s verlangen naar gemoedsrust verstoren en de lezer intrigeren. Zijn de geluiden deel van haar verbeelding, een hallucinatie, of misschien iets grimmigers? Ook door de associatieve sprongen en de selectieve vrijgave van informatie, wordt de aandacht vastgehouden. Ze kan niet meer tekenen, maar waarom? En wie is Andreas, over wie ze het niet wil hebben?
Vanaf het tweede deel wordt duidelijk dat Veronika voor haar isolatie gebukt ging onder een enorme lading aan verwachtingen. Die van zichzelf, maar ook die van anderen, met name die van haar overleden vader. Ze spreekt hem toe in de jij-vorm en noemt hem bij zijn voornaam, Otto. Op zijn beurt noemde hij haar ‘trutje’, een bijnaam die haar met weerzin vervulde. Otto was soms boos, vaak teleurgesteld en altijd veroordelend, ook toen Veronika zijn portret tekende voor zijn uitvaart. Hij had gedacht dat ze het zou schilderen.
Veronika worstelt ook met de verwachtingen die horen bij het vrouw-zijn. Haar talisman, een stenen ei, lijkt symbool te staan voor haar vrouwelijkheid. Het ei is hard, terwijl de verwachting zachtheid is. Bij een ei hoort ook vruchtbaarheid, de mogelijkheid om een nakomeling voort te brengen. Voor Veronika is dat echter niet vanzelfsprekend en dat leidt tot een conflict tussen haar eigen verlangens en die van anderen.
In haar kelder is Veronika eindelijk bevrijd van alle verwachtingen van de buitenwereld. ‘Het maakt niet uit, hierbeneden, wat ik zeg of wat ik doe, wie ik doe of dat ik ben, er is niemand die me terugfluit!’ Ze heeft zich in haar kelder verwijderd van alle pijnlijke momenten, alle prestatiedruk, alle mensen die van haar afhankelijk waren, alles wat kwam kijken bij het ‘gewone leven’ waar ze op terugblikt. Je gaat inzien hoe zwaar dat enorm herkenbare ‘gewone leven’ eigenlijk is; de keuze voor de kelder wordt steeds aannemelijker en wellicht zelfs aanlokkelijk.