Lezersrecensie
De witte vrouw in de kelder van de Nederlandse literatuur
Wie zijn toch die ‘meisjes’, die ‘vrouwen’, die blijven opduiken in de teksten over en door vrouwen in de Nederlandse literatuur? Ook in Emy Koopmans De vrouw in de kelder worden zij weer ten tonele gevoerd. De volgende passage is exemplarisch:
“We werden geïntroduceerd in de eeuwenoude traditie van geen-aanleiding-geven, door de jongens, door onze ouders, door andere volwassenen. We leerden onze benen tegen elkaar te houden als we gingen zitten, alleen een koprol te maken als we een broek droegen, op tijd weer thuis zijn.”
De vrouw in de kelder leest als een hardloopwedstrijd waarin feministische motieven—Moeder, partnerproblematiek, kinderwensvraagstuk, lichaam als ruilwaar, en de geneeskrachtige werking van zusterschap—als routeborden langs het parcours staan opgesteld. Het centrale idee achter het werk sluit aan bij wat inmiddels een clichématige uitgangspositie is: een universeel feminisme. Zonde, gezien de interessante premisse van het verhaal.
Ex-tekenlerares Veronika besluit om voor onbepaalde tijd zichzelf op te sluiten in een kelder, al speelt de roman met de vraag hoe zelfverkozen dit kluizenaarschap nou werkelijk is. Een sterk element is de vlotte voortgang in het verhaal; deze is deels te danken aan de stijl dat een Dostojevkiaanse spontaniteit in het ritme kent. Een ander sterk punt is de spanningsboog, die haar succes grotendeels dankt aan Koopmans inzicht in wat het spookverhaal zo fascinerend maakt. Dit genre draait immers om de vraag wie of wat verantwoordelijk is voor bepaalde situaties of gebeurtenissen. Ofwel: wie of wat is het ware spook? Veronika’s zelfzuchtige vader Otto, de hedendaagse prestatiemaatschappij, of is het toch haar eigen lichaam dat haar tot deze keuze heeft gedwongen? Naast ideeënroman en spookverhaal is dit werk dus ook een künstlerinroman. Een kritische tegenhanger van de klassieke künstlerroman, waarin veelal de ontwikkeling van mannelijke kunstenaars centraal staan.
Het interessante aan het werk is dat het erin slaagt om toch iets 'universeels' bloot te leggen: de aard van spoken. Dat er bijvoorbeeld in elk van ons een kelder is. Dat de spoken die ongetwijfeld rondwaren in deze kelders altijd een gezicht dragen waar de bespookte niet voor heeft gekozen. Daarmee kan dit verhaal met recht zich een spookverhaal noemen.
Niettemin gaat De vrouw in de kelder gebukt onder haar eigen bravouregedrag. Hoewel Veronica schijnbaar compromisloos kiest om haar eigen verhaal te vertellen, schuilt er ook een lafheid in het boek. Ironisch, gezien het werk zelf bewust lijkt te zijn van het belang van lafheid voor haar verhaal:
“Wanneer verandert verschuilen van iets onschuldigs en prettigs in iets lafs?
Tussen Veronika en haar huisbaas Jacqueline vindt een emotioneel, openhartig gesprek plaats waarin meegedeeld wordt dat Jacqueline en haar partner:
“… een aantal jaar een pleegzoon hadden gehad. En dat die het uiteindelijk nog tot chef-kok had weten te schoppen.”
De lafheid in dit werk uit zich in momenten als deze, wanneer het naar believen figuren ten tonele tovert en weer wegtovert, zonder zich daadwerkelijk in hen te verplaatsen. Zo verzanden zelfs de beste passages in holle frases, relikwieën van een naar binnen gekeerd feministisch bewustzijn dat weigert los te komen van haar eigen ontkrachte hersenschimmen.
Daarmee blijft De vrouw in de kelder een ideeënroman met een gebrekkige verbeeldingskracht. Koopman liet Veronika dapper afdwalen naar het ondergrondse; nog dapperder was geweest als ze de pleegzoon ook een stem had gegeven.