Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Awardwinnaar: Christien Boomsma

door Hebban Fantasy 1 reactie
In het kader van het Gala van het Fantastische Boek op 7 februari, waar de Paul Harland Prijs 2014 uitgereikt wordt, publiceren we een aantal winnende verhalen van de PHP van de afgelopen jaren. Hierbij de derde aflevering: "De voet van de Stamper", waarmee Christien Boomsma in 2006 de Paul Harland Prijs won.

Dit is het derde topverhaal van Nederlandse bodem dat we op Hebban Fantasy publiceren. Kom regelmatig hier terug, want de aankomende weken verschijnen er nog een aantal winnaars van de Paul Harland Prijs op deze website.


Andere winnende verhalen van de Paul Harland Prijs op Hebban Fantasy:

2005: "De sino van Thordalur" van Auke Pols

2012: "De vis in de fles" van Thomas Olde Heuvelt

De voet van de Stamper

door Christien Boomsma

Een geschenk

Angst is zweet. Oud zweet dat is opgedroogd en vastplakt aan het lichaam, en vers zweet dat  zich naar buiten perst door alle poriën van het lichaam.

Angst is het wit in de ogen.

Angst is het trillen van de handen.

Angst is een spier die niet meer gehoorzaamt aan zijn meester.

De man aan de andere zijde van de kille zaal was bang. Hij wasemde het uit als een trillende, tastbare nevel. Ze kon het zien. Ze kon het ruiken. Maar begrijpen? Nee.

Niane begreep het niet.

De muren trilden toen de zware toegangsdeur achter haar dichtviel. De man, een jongen eerder, mager en blond, hijgde hoorbaar. Hij schoof een stukje naar achteren over de gladde, spiegelende vloer. Zijn handen lieten doffe afdrukken achter en zijn been sleepte nutteloos achter hem aan. Een donkerrode veeg vlekte de plaats waar het had gelegen.

De man was duidelijk toekomstloos.

Dus waarom die angst?

Niane glimlachte geruststellend. Soms waren seginai nerveus en twijfelden over hun recht op vertrek. Zijzelf had dat altijd onbegrijpelijk gevonden, want Sabati vergiste zich niet. Maar deze man was niet alleen maar zenuwachtig. Deze emotie ging veel en veel dieper.

Segina.” Ze hield haar toon zacht en laag. “Segina, gezegende. Er is niets te vrezen. Wees blij, want Sabati verwacht je.”

Ze zette drie stappen in de richting van de jonge man. Haar blote voeten, rood geverfd tot de enkel als symbool van haar dienst aan de Stamper, maakten geen geluid. De rode mantel die haar schouders bedekte, bolde op door de beweging.

De jongeman maakte een hoog, piepend geluidje. Het weerkaatste tegen de welving van de muren en echode door de kale ruimte.

Weer glimlachte Niane en stak haar handen uit om haar mushi te tonen. Het diffuse licht van de branders weerkaatste op het lemmet en toverde spatjes wit tegen de wanden. De gekromde punt glansde. Het was een goed, maagdelijk mes.

Vreemd genoeg leek de aanblik de man niet gerust te stellen, want hij kromp nog verder ineen. Niane fronste. “Ben je bang dat ik je pijn zal doen?” vroeg ze, terwijl ze nog dichterbij kwam. “Dat hoeft niet. Stil maar.”

Ze bereikte de man en hurkte voor hem neer. Twee yokari-hoorns aan haar gordel tikten tegen de grond. Ze zag haar eigen gestalte weerspiegeld in de vloer: een meisje van achttien wendes, met de grijze, iets schuinstaande ogen die typisch waren voor haar volk. Misschien vreesde hij dat ze te jong was? Maar ze was gespierd door de lange trainingen in het Huis van de Stamper en dit was niet de eerste keer dat ze een mens verder hielp. Ze had ervaring genoeg.

De man mompelde iets. Zijn stem was schor en ze verstond hem niet. Nu ze zo vlakbij was, kon ze zien hoe zijn huid brandde van de koorts. Zijn spieren trilden en zweet plakte zijn vuilblonde haren aan zijn schedel.

“Wat zeg je?” vroeg ze vriendelijk.

De man hoeste. Weer die onverstaanbare woorden.

“Ik begrijp je niet.”

“Hij vraagt ‘genade’,” antwoordde een andere stem.

Ze draaide zich om alsof ze het gesis van een neshti-slang had gehoord. Tegen de oostwand van de zaal bevond zich een tweede man. Misschien had hij geprobeerd iets te drinken, want hij leunde zwaar tegen het waterbekken.

Hij was iets groter dan de blonde jongeman en iets ouder ook. Zijn rechterarm hing slap langs zijn lichaam en zijn mond stond strak. Maar de nevel van angst die zijn metgezel omhulde, ontbrak. Niane boog haar hoofd gedurende één enkele hartslag. “Segina,” groette ze.

Ze was het vergeten. Het vreemde gedrag van de blonde man had haar aandacht zozeer gevangen, dat de aanwezigheid van de andere haar was ontgaan. Maar ze waren deze ochtend samen het Huis van Sabati binnengebracht. Herders die hun yokari vetmestten voor de langwinter, hadden de vreemdelingen gevonden op de kliffen die omlaag reikten naar het meer van Neheb. Hun botten waren gebroken. Hun lange wachten bijna voorbij.

“Vrouwe!”

Weer de donkere man. Hij sprak met een wonderlijk accent: een harde, rollende ‘r’ en ronde, volle klinkers. Hij beet op zijn lippen, misschien was hij bang om flauw te vallen.

“Vrouwe, hij vraagt ‘genade’,” drong hij aan.

Ai,” fluisterde de blonde man. “Ai, remaars.”

Zweet druppelde nu van zijn gezicht op de koele vloer en vormde kleine natte vlekken. Ze knikte haastig, plotseling beschaamd omdat ze zo lang had gewacht.

“Natuurlijk,” zei ze zacht. “Natuurlijk. Ik vergat mezelf.”

Nu aarzelde ze niet langer. Ze wendde zich weer tot de blonde man die bevend op de grond lag, en begon te zingen. Haar stem rees en daalde op een ritme waarmee de dienaressen van Sabati de Stamper al eeuwenlang de doorgang naar het volgende bewustzijn openden. De man sperde zijn ogen wijd open en het trillen stopte. Hij luisterde, ondanks zijn angst.

Goed.

Ze onderbrak het zingen niet, maar tilde haar linkerhand op en legde hem zachtjes op het hoofd van de jongeman. Haar vingers streelden zijn vochtige wangen in een teder gebaar en eindelijk, eíndelijk voelde ze hem ontspannen. Iets binnenin haar glimlachte.

Toen grepen haar vingers een streng haar. Ze trok zijn hoofd resoluut naar achteren, hief haar rechterhand op. En haalde het mes langs zijn keel.

“Sabati heet je welkom,” fluisterde ze. Niane drukte een kus op zijn voorhoofd terwijl warm bloed over haar handen stroomde.

Toen Niane acht wendes telde, doodde ze een geit. Na tien wendes sneed ze een zwijn de keel af, na twaalf een yokari. Ze was een veelbelovende leerling geweest, al was ze pas laat ingetreden in dienst van de Stamper. En op de dag van haar vijftiende wende, had ze voor het eerst de bevrediging gevoeld die volgde op het voorthelpen van een segina.

Het was met niets te vergelijken.

“Sabati-Itabas, Itabas-Sabati,” fluisterde ze zacht. De omkering van de naam was een gebed; een symbool voor de volmaakte cirkel van leven en dood die de Stamper in zijn handen hield. 

Ze bleef nog een hartslag roerloos zitten. Toen maakte ze de in zilver gevatte yokari-hoorn los van haar gordel en hield hem bij de wond. Traag en rood vulde hij zich met bloed.

De donkerharige man gromde iets dat ze niet kon verstaan en gaf over op de vloer.

Ze lette er niet op. Het was déze segina die haar aandacht verdiende.

Toen de hoorn vol was, sloot ze hem af met een stop van yokarivet en huid. Later zou het bloed worden gemengd met de melk van de dikhuidige runderen. En bij gebrek aan familieleden zouden het de dienaressen van de god zijn die de bloedmelk zouden drinken.

Vervolgens nam ze de kleine, zilveren hamer die aan haar andere zijde had gehangen. Weer sprak ze de naam van de godheid die ze diende en gaf een ferme tik op de achterkant van de schedel van de dode, blonde man.

Het bot kraakte.

Toen pas richtte ze haar aandacht weer op de tweede segina.

Eerder had de man haar betrekkelijk onaangedaan geleken; sterker dan zijn gestorven metgezel en minder bang. Nu… Nu wist ze het niet meer. Hij stond los van de muur. Wankelend. Alle bloed leek uit zijn gezicht weggetrokken en de hand van zijn goede arm was gebald tot een vuist. Hij staarde haar aan en ze zag afschuw in zijn ogen. “Heks!”

Het hield het midden tussen een vloek en een kreun.

“Slachter.”

De woorden raakten haar als een klap.

“Wat bedoel je?” vroeg ze.

“Je hebt hem afgemaakt als een hond! Hij vroeg om genade. Je hoorde het toch? Hoe kon je?” Hij schudde zijn hoofd als een gewond dier. “Waarom? Wat had hij jullie gedaan? Bij alle goden…”

Zijn stem brak en hij richtte zijn blik naar de grond. Niane naderde hem met onzekere passen, de bebloedde mushi in haar rechterhand. Ze fronste ongerust haar wenkbrauwen.

“Ik heb hem gegeven wat hij zocht, segina,” zei ze uiteindelijk. “De genade van Sabati. Wees blij. Hij hoeft niet meer te leven. Wat zou je meer kunnen wensen?”

“Je had zijn been kunnen redden!” zei de man. “Je had het kunnen proberen.”

Niane schudde haar hoofd. “Hij had nooit meer kunnen lopen. Het was verbrijzeld. Hoe had hij de langwinter kunnen overleven? In de dood is meer vreugde dan in het leven, vreemdeling. Geen stormen, geen werk, geen kou en geen vermoeidheid. De dood is rust en kracht.”

Haar stem klonk scherper dan haar bedoeling was geweest. Maar de man wendde zijn hoofd af alsof hij van haar walgde. “Ga weg,” mompelde hij verstikt. “Ik had ervan gehoord. Van jullie… slagerspraktijken. Ik geloofde het niet. Dei, wat stom!”

Nianes mond vield open bij die belediging. Wat dacht hij wel niet? Het leven op de hoogvlakte van Nohosh was hard. Alleen de sterken overleefden de langwinter en niemand kon zich veroorloven om toekomstlozen te ondersteunen. Alle energie was nodig om de kinderen die nog moésten leven te helpen. Maar voor de zwakken en de kreupelen was er de genade van Sabati die Niane verschafte. De mensen waren haar dankbaar.

Maar deze niet.

Ze likte haar lippen. De hand met het offermes begon te trillen. Hij verdient dit niet. Ze hadden hem op de kliffen moeten laten.

Ze schrok van haar eigen hatelijke gedachte. Dat was niet wat haar was geleerd. Wat zij voelde was van geen belang. Het voorthelpen van zielen, dát was haar taak.

Ze slikte, haalde diep adem en deed een stap in zijn richting. Haar stem, bevend nog, hief het lied aan. Rijzend en dalend. Het zong in de welving van de offerruimte en vulde opnieuw haar geest.

Maar de man staarde haar aan. Ze zag de gebroken arm die hij niet kon gebruiken. Bloedvlekken in zijn broek. De scheve houding, die aangaf dat hij niet op zijn been kon staan. De bloeduitstortingen in zijn gezicht. Het afgrijzen in zijn ogen.

Ze hief het mes in haar ene hand. De andere reikte naar zijn haren, zoals ze dat met zijn metgezel had gedaan.

Maar het was zíjn rechterarm die uitschoot en als een valklem haar pols omvatte. Ze schreeuwde door de plotselinge pijn. Hij was gewond, maar nog altijd sterk.

“Niet ik, heks!” hijgde hij. “Ik ben geen beest dat je kunt slachten. Ik wíl de vervloekte genade van jouw verwrongen god niet.”

De mushi viel uit haar krachteloze vingers.

Het licht van de dag werd al grijs en koud. Het warme seizoen leek nog maar net begonnen, maar nu al strekte de langwinter zijn tentakels uit. Nu alweer. Zo kort.

Tientallen vogeltjes vlogen op naar het fijne houten raamwerk bovenin de zielentuin. De ruimte vibreerde van het tjilpen, piepen en fluiten. Het was een werveling van groen en bruin en soms het felle rood van een vuurborst. Prachtig en taai als de hoogvlakte zelf, vond Niane.

Buiten trok de wind aan. Een kille tochtvlaag streek langs haar huid en kippenvel verscheen op haar armen. Ze huiverde en klemde haar handen ineen. Handen die nog kleefden van het bloed van de blonde segina.

Niane slaakte een diepe zucht en liep naar het midden van de zielentuin. Daar, tussen de werveling van vogels, spoelde ze haar mushi schoon in het wasbekken. Ze goot het bloed uit de hoorn in een gereedstaande karaf met yokarimelk en roerde, zodat de vloeistoffen van leven en dood zich met elkaar vermengden. “Sabati-Itabas,” fluisterde ze. “Ik breng u een ziel.”

Ze sloot haar ogen en liet de kracht van de zielentuin op zich inwerken. Toen ze haar ogen weer opende was er één vogel die zich losmaakte uit de werveling. Eén enkele vogel, zijn buik vlammend rood, kwam op de rand van het wasbekken zitten. Hij keek haar aan met nieuwsgierige kraaloogjes en hield zijn kopje schuin.

Nianes hart sloeg een slag over. Een vuurborst! Hoe lang was het geleden dat een vuurborst naar haar toe was gekomen? Niet vaker dan tweemaal sinds…

“Wees welkom, vriend,” fluisterde ze hees.

Ze doopte haar vinger in de bloedmelk en stak haar hand uit. De vuurborst liet toe dat ze een druppel op zijn kopje smeerde en veegde zijn scherpe snaveltje af aan haar vinger. Links, rechts, links streek het fijne, harde been langs haar huid. Toen piepte hij schril, strekte zijn vleugeltjes en vloog weg met korte, felle slagen.

Niane slikte. Haar handen grepen in haar mantel om het beven te bedwingen, maar het hielp niet echt. Haar ogen brandden. “Sabati, heb medelijden met uw arme dienares,” zei ze moeilijk. “Ik heb een leven genomen van een man die niet gereed was.”

“Wat nu, Niane? Tranen?” De stem achter haar klonk puntig en koud als de langwinter.

Ze draaide zich om en zag een lange, statige vrouw in de toegang tot de zielentuin. Haar wenkbrauwen waren smal en hoog, haar neus scherp en haar huid bleek als wintersneeuw. Roodbruin haar lag in een dikke vlecht over haar schouder.

“Geen tranen, mahai!” reageerde ze haastig.

Ze wilde geen zwakheid tonen. Het was al moeilijk genoeg geweest in de eerste manen die ze in de tempel had doorgebracht. Iedereen had haar verteld dat ze blij moest zijn dat haar moeder verder was gegaan. Maar Niane had gehuild en was keer op keer naar de zielentuin geslopen waar de schaduwen van de winterzon groeiden. Ze had gekeken naar de vuurborst die haar moeder droeg en verbeelde zich dat ze bij haar was. Nog steeds, wanneer aan het begin van de langwinter het dak werd geopend en de zielenvogels de stormen van Nohosh tegemoet vlogen, leek het alsof er iets werd weggerukt uit haar binnenste.

De vrouw trok haar wenkbrauwen op. “Er is maar één ziel toegevoegd aan de tuin. Waar is de andere?”

Niane slikte nogmaals. Ze had geweten dat dit zou komen.

“De andere is nog in de offerzaal, mahai Nohori,” antwoordde ze. “Hij was nog niet klaar.”

“Niet?” De stem van de voorvrouw sloeg over van verrassing. “Hoe is dat mogelijk?”

“Het is een vreemdeling,” ging Niane verder. “Een laaglander. Hij begrijpt de zegen niet die hem is toebedeeld. Ik heb hem daar gelaten om na te denken.”

“Onmogelijk!”

Nohori’s lippen vormden een dunne streep. Niane kon niet inschatten of het woede was, of verrassing. Haar verhouding met de voorvrouw was altijd ongemakkelijk geweest.

Nohori rechtte haar rug en keek Niane scherp aan. “Het is niet ongewoon dat een segina twijfelt. Maar Sabati’s dienares stelt hen op hun gemak en doet wat er gedaan moet worden!”

“Het was niet zo gemakkelijk, mahai,” antwoordde Niane. Het ergerde haar dat de voorvrouw geloofde dat de zaken zo eenvoudig lagen. “Deze man… hij wíl niet sterven.”

“De Stamper heeft gesproken, Niane. Deze man heeft geen toekomst en zijn bloed is vergeven. Zijn wil is net zo min nog de zijne als zijn ziel.”

“Ook als hij een laaglander is? Hij dient andere goden!”

“Je wilt een onwetende toch niet de genade van Sabati ontzeggen? Denk je dat de Stamper hem niet in zijn hand zou nemen?”

Niane boog haar hoofd. “Nee…Natuurlijk niet.”

“Dan ga je nu terug en je doet wat er gedaan moet worden. Of moet ik één van de anderen sturen?”

Nu klonk er iets van tevredenheid door in Nohori’s stem. De voorvrouw hoopte ontegenzeggelijk dat Niane zou struikelen over een opdracht die te moeilijk voor haar was. Niane dacht soms dat ze dat haar hele leven al deed.

Ze aarzelde. “Sabati’s genade is een geschenk,” fluisterde ze.

“Precies,” antwoordde Nohori koel.

Niane boog haar hoofd.

Mahai Nohori. Ik hoor wat je zegt.”

Haar armen waren zwaar. De karnstok was van loodsteen. Haar spieren van pap.

De boter in de karnton klemde zich om de stok als zuigende klei en het kostte elke keer meer inspanning, meer zweet om hem omhoog te trekken. En weer omlaag te duwen. Omhoog-omlaag, omhoog-omlaag.

Zo zwaar.

Het meisje wilde ophouden, maar dat kon niet. Mama had het gezegd: ‘Ik moet Elate helpen met een koe. Ga jij door met karnen, Niane. En niet stoppen, anders wordt de boter verkeerd.’

Maar het was lang geleden dat mama was weggegaan. Het licht van de dag was al grijs en de wind blies koud door de open flap van de tent.

En haar armen waren zwaar.

Doorgaan Niane.

Er verschenen blaren op haar handen. Haar rug deed pijn.

Doorgaan! Denk aan de boter.

Maar er kwam een moment dat haar benen haar knieën knikten. Haar benen wilden haar gewicht niet meer dragen. Ze klemde de karnstok vast, maar kon hem niet meer omhoog krijgen.

Zou mama boos zijn? Mama was zo moe. Sinds de slang haar had gebeten en zijn gif haar spieren verslapte, was ze moe geweest en Niane kon zien dat ze pijn had. Ze wilde helpen.

Omhoog-omlaag.

Te zwaar.

En toen kwamen ze. Niet mama. Wel: Elate, Horsho en Biyok. Hun gegroefde gezichten waren wit van inspanning en vermoeidheid. En achter de herders stond een lange, bleke vrouw in een rode mantel. Ze droeg de hoorn van een yokari aan haar gordel en een kleine, zilveren hamer daarnaast. Iets kouds nestelde zich in Nianes maag.

“Waar is mama?”

Niemand gaf antwoord.

“Ik kon het niet meer. De stok was zo zwaar en … Waar is mama?”

Tranen prikten in haar stem.

De rode vrouw glimlachte een glimlach die haar ogen niet bereikte. Ze strekte haar hand uit en zei: “Kom, kind. Kom, want deze dag is vol vreugde. Je moeder is verdergegaan. En jij mag bij ons komen in de Tempel van de Stamper. Ik, Nohori da Sabati, zal je leren wat je moet weten.”

Haar stem klonk koel en Niane huiverde. Er was geen liefde daar en geen tederheid. Maar haar hand gleed in die van de priesteres: ruw en klein tegen koud en glad.

Het was een geluksdag vandaag.   

Ze hoorde zijn adem raspen.

Het was een benauwd geluid. In het halfdonker van de offerzaal stootte het tegen de wanden en gleed daarna omlaag, terug naar Niane. De vetlampen aan de oostzijde waren gedoofd. De walm van de pitten prikkelde haar neus.

Hij verborg zich in de schaduw.

Segina,” riep Niane zacht. “Waar ben je?”

De ademhaling stokte.

Segina. Je hoeft niet bang te zijn.”

Stilte.

Niane haalde diep adem en begon naar het midden van de zaal te lopen. Rechts voor zich zag ze een donkere vlek op de plek waar de blonde man had gelegen. Zijn bloed was nog niet weggeruimd. Ze slikte en proefde koper op haar tong.

Toen knielde ze en plaatste de spullen die ze had meegenomen voor zich op de vloer. Een rol verband. Een karaf met water. En een kom gezoette meelpap.

“Ik ben een dienares van Sabati,” vertelde ze het duister. “Ik breng zijn genade met mijn mushi. Maar nu breng ik je voedsel en hulp. Neem. Eet.”

Nog altijd kwam er geen reactie en Niane bewoog zich een stuk achteruit, zoals ze bij een angstig dier zou hebben gedaan. Opnieuw knielde ze. En zweeg.

Ze hoorde haar eigen hartslag. Ze hoorde het ruisen van haar bloed in haar oren. Ze voelde een zachte luchtstroom over haar handen.

Een diepe zucht uit het donker en de man dook op uit de schaduw. Zijn gezicht was bleker dan ze zich herinnerde. Zijn ogen schitterden donker en fel. Zweet parelde op zijn slapen.

“Waarom?” vroeg hij. Zijn stem was hard.

“Omdat je gewond bent en bang,” antwoordde Niane.

“Je zou me afmaken als je de kans kreeg.”

Ze gaf geen antwoord.

“Wat heb je erin gestopt?” vroeg hij. “Iets dat me willoos maakt, of waarvan ik in slaap val? Of is dat te ingewikkeld en bevriest dit gif mijn bloed?”

Hij had een punt. Een enkele keer gaven de priesteressen díyaf aan degenen die hun hulp nodig hadden. Het ontspande de geest en opende de ziel. Toen Niane de meelpap haalde, hadden de keukenhulpen gefluisterd achter hun hand. Zij verwachtten niet anders dan dat Niane dit middel zou gebruiken om haar opstandige segina te overtuigen.

“Niets,” zei ze.

Hij bewoog zich niet, maar ze hoorde hoe zijn ademhaling zwaarder werd.

“Als je niet eet, haalt de Stamper je zelf,” zei Niane kalm. “Het zou de zaken eenvoudiger maken.”

“Waarom?” vroeg hij nog eens.

Niane nam haar mushi, die als altijd aan haar gordel hing. Ze maakte hem los en schoof het mes met een zachte duw over de grond in de richting van de man. Het metaal kraste over de steen.

De man deed een moeilijke stap dichterbij. Zijn been zorgde voor problemen en zijn arm moest ondraaglijke pijn doen. Toch boog hij zich voorover met een verrassend snelle beweging en haalde het mes naar zich toe. Hij hield het even vast alsof het een slang was. Toen stak hij het weg in zijn gordel.

Opnieuw keek hij naar Niane. Zijn borst rees en daalde. Zwoegde. Zijn hand beefde. En toen leek iets in hem te breken. Zijn gezicht vertrok en met een gesmoorde zucht zakte hij naar de grond. Hij greep de kom, zette hem op zijn schoot  en bracht de dikke pap met de vingers van zijn goede hand naar zijn mond. Hij leek een hongerig kind. En wanhopig.

“Sabati is geen wrede god,” zei Niane. “Hij neemt je in zijn hand en de pijn van het leven is voorbij.”

De kom kletterde naar de grond. Plotseling zag Niane haar eigen mushi blikkeren in de hand van de vreemdeling. Ze onderdrukte de neiging om op te staan en naar hem toe te lopen. Wat zou er dan gebeuren?

Het mes kerft de huid.

Koper op je tong.

Bloed aan je handen.

Rust.

“Maar de genade van de Stamper is een geschenk,” zei Niane. Ze hoorde haar eigen stem: schor en verstikt. “Een geschenk kan enkel vrijwillig worden aanvaard. Dat geloof ik.”

Er krampte iets in haar binnenste.

“Dat wéét ik.”

Ze stond op in een vloeiende beweging van wervelend rood en liep naar de donkere man. Haar aarzeling was verdwenen en hij leek niet in staat het mes naar haar op te heffen. Ze nam het wapen uit zijn hand, maar zijn bloed vloeide niet op de zwarte vloer die al zoveel bloed had geproefd van seginai die in vreugde de Stamper tegemoet waren getreden.

Ze sneed arm van zijn tuniek open. Haar sterke vingers betastten de botten - op één, twee, drie plaatsen gebroken. Haar vaardige handen trokken recht wat ze recht konden trekken en ze negeerde het huilen van pijn dat de man niet kon onderdrukken. Ze verbond de arm in een zwakke poging de beenderen te fixeren. Het was niet voldoende. Dat kón het niet zijn. Maar meer kon ze niet doen.

“Jouw… metgezel is op een betere plek nu. Hij heeft meer geluk gehad dan jij,” fluisterde ze, toen ze klaar was. “Denk na, segina, voor je je keuze maakt. Wij zijn geen slagers.”

Hij zei niets, maar zijn koortsige huid brandde onder haar handen. Toen stond ze op en liep langzaam van hem weg. Stap, na stap, na stap.

Voetstappen van het noodlot.

Ze opende de zware deur van de offerzaal, maar deze keer viel hij niet dicht met die donkere, dreunende slag.

Deze keer bleef hij open.

Lees de rest van het verhaal HIER.

Christien Boomsma schreef al sinds ze haar eerste letters kon tekenen, maar zo’n twaalf jaar geleden nam dat serieuzere vormen aan. Haar eerste korte verhaal stuurde ze in 2002 in voor de Paul Harland Prijs en behaalde daar meteen de tiende plek mee. Bovendien won ze een workshop van Paul Harland himself. Een workshop die zijn vruchten afwierp, want in 2004 en 2006 won ze de PHP. In 2005, 2007, 2012 en 2013 jureerde ze.

De goede resultaten bij de PHP trokken de aandacht van uitgever De Vier Windstreken. In 2009 debuteerde ze daar met de jeugdfantasy ‘Zus voor één Nacht’. Daarna volgden nog vier jeugdfantasy’s en de spookverhalenbundel ‘Spookbeeld’, volledige geïllustreerd door Iris Compiet.

Dit jaar verschijnt Vuurdoop, het eerste deel van een vierdelige serie én een eerste prentenboek, alweer geïllustreerd door Iris Compiet. Met de fantasyroman voor volwassenen, die al jaren in de planning lag, is ze inmiddels voorzichtig begonnen.

Naast haar werk als schrijfster werkt Christien voor de Groningse universiteitskrant UK. Meer informatie op christienboomsma.nl, of volg Christien op Twitter en Facebook.

De foto van Christien is gemaakt door Traci White, de plaat bij het verhaal is van Gabriele Negri.



Over de auteur

Hebban Fantasy

310 volgers
20 boeken
0 favorieten


Reacties op: Awardwinnaar: Christien Boomsma

 

Over

Christien Boomsma

Christien Boomsma

Christien Boomsma is schrijfster van magische jeugdboeken en spookverhalen bij u...