Advertentie

Hebban vandaag

Column /

Chapbooks: Gerjon Gijsbers

Bij literair productiehuis Wintertuin verschijnen sinds kort de zogenaamde chapbooks, kleine publicaties die de opmaat vormen voor een uitgave bij een landelijke uitgever, waarin schrijvers een voorproefje geven van hun talent. Hoe zijn zij de kunst van het schrijven meester geworden? En welke tips hebben zij voor eenieder die het schrijverschap ambieert? Gerjon Gijsbers, auteur van 'Aan gort', trapt af.


SUPERSONIC

‘You need to find a way for what you wanna say, but before tomorrow’

Aanvankelijk was ik zeer enthousiast over het idee een reeks columns af te mogen trappen over het schrijverschap en de weg naar publicatie, tot ik besefte dat ik als oud-student Nederlands niet eens weet wat correct is: de spits dan wel het spits afbijten. Hoe zou ik ooit een schrijver kunnen worden met zulk een beperkte kennis van mijn moedertaal? Ik schoot in de stress, maar de bel voor de eerste ronde van een krampachtige worsteling met mijn creativiteit had al geklonken. Er was geen weg terug. Ik moest deze strijd aangaan. Ik dacht aan de eerste zin uit het artikel ‘Schrijver willen worden’ van Gerard Reve, dat in 1946 gepubliceerd werd in Ruim Baan, een jeugdblad van De Bezige Bij dat geen lang leven beschoren was: “Schrijver zijn is waarschijnlijk geen benijdenswaardig lot, schrijver willen worden is echter weinig minder dan een verschrikkelijk ongeluk.”

Ik probeer vaak te herleiden waar en wanneer ik door dit ongeluk getroffen werd en kan dan enkel concluderen dat het niets te maken heeft met snerpende remmen, staal op staal en rondvliegende splinters, maar dat het een uiterst traag proces betreft, dat sluimerend begon en nu voortdurend in volle gang is. Er wordt wel eens beweerd dat een ongelukkige jeugd een goudmijn is voor de schrijver. In dat geval heb ik niet meer dan een gesloten kolenschacht ter beschikking om inspiratie uit te putten, aangezien ik van vroeger louter de goede momenten tracht te koesteren, zoals de zondagmiddagen in de Bekkendelle, waar we als kinderen met opgerolde broekspijpen een dam bouwden in een beekje door takken en stenen op te stapelen en de constructie met modder te verstevigen. Na onze beverarbeid zaten we met onze beentjes bungelend over de rand van het houten bruggetje te genieten van een welverdiende boterham met pindakaas en een pakje yoghurtdrink van een B-merk. Yogho!Yogho! voor de minder bedeelden. Spaarzame zonnestralen boorden zich door het bladerdak. Ik observeerde geobsedeerd de sierlijke slagen van de waterschaatsers, dacht: ‘O krinklende winklende waterding,’ en nam me wellicht toen al stellig voor het ooit allemaal op te schrijven.

De jaren schreden onopgemerkt voort. Alles wat ik wilde schrijven, bleek al eens geschreven door iemand anders. Ik moest mezelf zijn, ik kon niet iemand anders zijn, maar welke meerwaarde had ik? De eerste clip die ik me van MTV herinner is de video bij Loser van Beck, met in negatief dansende cheerleaders op een begraafplaats, een bewegende doodskist en brandende gitaren. Vrijwel op hetzelfde moment verscheen Creep van Radiohead, gevolgd door Zero van The Smashing Pumpkins en Freak van Silverchair. Tegen de tijd dat de hype in de rest van de wereld was overgewaaid, werd teenage angst het populairste importproduct van een nietszeggend kikkerlandje. In het fin de siècle drukten de docenten ons op het hart dat de afhakers maar niet te veel van de toekomst moesten verwachten, dat slechts het streven naar succes ertoe deed en dat wie voor een dubbeltje geboren was nooit een kwartje zou worden. Bijna iedereen die ik kende speelde in een bandje. Ik zag de noodzaak van een vorm om de frustraties het hoofd te kunnen bieden, een methode om mijn boosheid op wat dan ook te botvieren. In de weekenden wachtte de kroeg, waar onze dorst gelest werd met bier, wijn en whiskycola’s. Ons geprevel van preadolescente filosofieën werd overstemd door het gerinkel van glazen en gokkasten. Zo nu en dan zei iemand iets verstaanbaars. ‘Ik ga even urineren,’ of: ‘Nog eentje om het af te leren.’ Ik vond het allemaal buitengewoon indrukwekkend. Het moet, wist ik, het moet opgeschreven worden.

Op het vwo kreeg ik van de docente Nederlands het hoogst haalbare cijfer voor mijn mondeling literatuur. ‘Wil je met me trouwen?’ vroeg ze, hunkerend naar meer. ‘Niets liever,’ antwoordde ik, ‘maar ik moet door. Ik heb een binnenwereld te veroveren om over de buitenwereld te kunnen heersen. Een ridder maakt geen rechtsomkeert voor hij zijn doel bereikt heeft. Te paard! Vaarwel!’ Grootspraak, dacht ik, terwijl ze mij nawuifde met een blauwe zakdoek, allemaal grootspraak. Ik stel niets voor. Ik ben niet meer dan een onderdaan van mijn eigen onzekerheid. Ik heb niet het geduld van de goden, ik heb geen controle over mijn gedachten, ik mis de inspanning die mijn idolen hebben, ik kan niet omgaan met de slopende focus, maar het is dit óf je nadagen spenderen in dwangbuizen en gekkenhuizen. Er verschenen een paar verhalen die weinig tot geen stof deden opwaaien. Ik was er tien seconden trots op, waarna die trots weer door twijfel verdrongen werd. Welke meerwaarde had ik? Wat bleef er over als je alle bullshit eraf pelde als een bananenschil? Het was een zelfonderzoek zonder einde. Scherp blijven. Vragen stellen. Kun je met flink proppen ook veertien of vijftien clichés in een dozijn krijgen? Hoe lang duurt de paringsdans van de planeten in ons zonnestelsel nog, voor ze in een orgie van oerknallen op elkaar te pletter zweven? Waarom worden mijn ogen vochtig bij het horen van Supersonic, de debuutsingle van Oasis - vooral tijdens de tien seconden tussen 1:14 en 1:24 - en waarom kan ik daarna, de verdere dag, vredig glimlachend voor mij uit staren?

Tien jaar lang leverde het schrijven me niets op, tot Wintertuin mij uitnodigde voor te komen lezen bij de Literaturjugend, hun literaire werkplaats voor aspirant schrijvers. Ik stelde niets voor, dacht ik, dus ik stelde het steeds uit. De laatste keer dat ik voor een publiek had opgetreden, was met de uitvoering van de basisschoolmusical Het vreemde songfestival, waarin ik maar liefst één lijn tekst kreeg toegewezen. Kruidendokter Kwikzilver komt het podium op, zelfverzekerd zingend: ‘Ruim baan, ruim baan, ik kom eraan!’ en hij wil zijn verstandkoekjes - niet meer dan gebakken lucht - slijten voor een vriendenprijsje van vijfentwintig cent, waarop mijn naamloze personage zegt: ‘Een kwartje? Wat duur!’ Uiteindelijk droeg ik toch voor op een donkere decemberavond. Wat er vervolgens gebeurde kan ik maar met moeite reconstrueren, het ging allemaal te snel. Ik heb een ongeluk gehad en Wintertuin biedt de juiste nazorg. Bij Wintertuin leer ik mijn meerwaarde te zien en langzaam te revalideren. Alle blokkades die mij weerhouden, heb ik zelf opgeworpen - als een dam in een beekje - en kan ik dus ook met mijn eigen knuisten breken. Ik word onderwezen in wat voor mij werkt. Ik weet nu dat ik het beste schrijf als ik er zelf niet bij ben en als ik twijfel, dan zullen ze bij Wintertuin zeggen: ‘De spits of het spits afbijten, het is allebei correct.’ Tijdens mijn revalidatieproces schrok ik op in bar Don Quijote aan de Middellandse zee, met een gin-tonic voor mijn neus. ‘Ik ga even urineren,’ sprak ik verstaanbaar, ‘en dan drinken we er nog eentje om het af te leren.’ Ik zag geen rode draad, alleen de rafels om in blinde paniek aan elkaar te knopen. Ik was er van overtuigd dat wie schrijft, niet blijft. Wie schrijft, die wil verdwijnen, dacht ik, terwijl ik mijn handen waste, en ik zal niet stoppen voor ik mijn doel bereikt heb. Ik zal niet stoppen voordat ik mezelf volledig heb afgeschreven.



Over de auteur

Gerjon Gijsbers

2 volgers
1 boek
0 favorieten


Reacties op: Chapbooks: Gerjon Gijsbers

 

Gerelateerd

Over

Gerjon Gijsbers

Gerjon Gijsbers

Gerjon Gijsbers leest bijna wekelijks een column voor bij het regionale radiosta...

Gesponsorde boeken