Advertentie

Hebban vandaag

Column /

De vertaler vertelt: Jos Vos over 'De kunst van het nietsdoen'

door Hebban Crew
Japanse literatuur raakt ook in Nederland en Vlaanderen steeds meer in trek, maar wie zorgt ervoor dat we deze mysterieuze teksten ook hier kunnen lezen? Vertaler Jos Vos beheerst de kunst om het Japanse schrift voor ons toegankelijk te maken. In deze column vertelt hij over de totstandkoming van de vertaling van 'De kunst van het nietsdoen' van dichter en essayist Kenkō (ca. 1283 tot 1352).

Reuzenradijzen en paardenbenen  

Al meer dan twintig jaar vertaal ik hoofdzakelijk Japanse literatuur die op zijn minst driehonderd jaar oud is – romans, satirische verhalen, reisverhalen, kettinggedichten en nog veel meer. Dat een literaire tekst uit Japan komt, betekent echter niet dat hij gegarandeerd ‘exotisch’ of ‘mysterieus’ zal klinken, en dat een tekst eeuwenoud is betekent geenszins dat hij ook ‘schools’ of ‘plechtig’ overkomt. Enkele uitzonderingen niet te nagesproken (hoofdzakelijk dichters die bewust een archaïsch toontje aansloegen) wilde niet één van de auteurs die ik vertaald heb een ouderwetse indruk maken. Ik zie het dan ook steeds als een uitdaging hun werk om te zetten in levendig, hedendaags Nederlands. Daarbij vraag ik me wel af hoeveel achtergrondinformatie ik mijn lezers moet bezorgen. Japanse auteurs van vroeger maakten vaak toespelingen op verschijnselen die Nederlanders en Vlamingen uit de eenentwintigste eeuw (ja, zelfs eenentwintigste-eeuwse Japanners!) onvertrouwd zijn.

Neem nu de veertiende-eeuwse dichter Kenkō, misschien wel de bekendste kluizenaar uit de Japanse geschiedenis. Zijn essaybundel Tsurezuregusa (die ik in het Nederlands heb vertaald onder de titel De kunst van het nietsdoen) wordt in Japan nog altijd met plezier gelezen. De bundel bestaat uit 243 overwegend korte stukjes, waaronder veel poëtische en religieuze beschouwingen, maar ook heel wat persoonlijke herinneringen en vrolijke roddel. Veel van deze stukjes kunnen zonder moeite door hedendaagse lezers geapprecieerd worden, zoals dit bijvoorbeeld:

'Rond de twintigste van de negende maand heb ik ooit een uitnodiging van een adellijke vriend aangenomen om een nachtje rond te dwalen en de maan te bewonderen. Onderweg passeerden we een huis dat mijn vriend kende. Hij liet zich aandienen en ging naar binnen. In de verwaarloosde tuin, doordrenkt met dauw, hing zomaar een vleugje fijne wierook. Het greep me aan dat iemand zo afgezonderd woonde. Na verloop van tijd kwam mijn vriend naar buiten, maar ik vond de situatie zo betoverend dat ik me verborg om te zien wat er verder zou gebeuren. Een vrouw duwde de schuifpanelen een eindje open en keek op naar de maan. Wat zou het zonde geweest zijn als ze haar deur meteen had gesloten en zich binnen in huis had teruggetrokken! Nu kon ze niet weten dat iemand was blijven zitten om naar haar te kijken... We mogen aannemen dat haar gedrag overeenkwam met haar gebruikelijke gemoedsgesteldheid.

Ik heb gehoord dat die vrouw niet lang nadien is overleden.'

Of dit:

'Er was eens een schout uit Tsukushi, die jaren aan een stuk elke ochtend twee daikons roosterde en opat, omdat hij die beschouwde als een uitstekend medicijn tegen alle kwalen. Op een dag werd zijn hoofdkwartier omsingeld door vijanden die ervan wilden profiteren dat de vesting verlaten was. Plots kwamen er twee soldaten naar buiten gerend. Ze bevochten de vijand met gevaar voor eigen leven en dreven alle aanvallers op de vlucht. De schout stond stomverbaasd en riep uit: "Ik geloof niet dat ik u hier al ooit gezien heb, mijne heren. Toch hebt u dapper voor mij gevochten. Wie bent u toch?" "Om u te dienen, heer, wij zijn de radijzen waarop u al zo lang een beroep doet, elke ochtend bij het ontbijt," antwoordden ze en verdwenen. Zo werd hij beloond voor zijn uitzonderlijke vertrouwen.'

Om de lezer van dienst te zijn heb ik enkel de openingszin van de bovenstaande anekdote voorzien van twee korte voetnoten. Ik leg uit dat ‘Tsukushi’ de oude naam is van het eiland Kyushu, en dat ‘daikon’ de Japanse reuzenradijs is. Ik had ook kunnen vermelden wat de oorspronkelijke Japanse term is voor ‘schout’, maar ik denk niet dat mijn lezers daar veel mee op zouden schieten. Lezers die in dergelijke technische details geïnteresseerd zijn, kunnen zelf wel even de brontekst erop naslaan, om te zien wat daarin staat.

Ook de hieropvolgende anekdote is al de moeite waard op zichzelf, zonder gedetailleerde achtergrondinformatie. Om het verhaal te kunnen volgen hoeft de lezer helemaal niet te weten wie de hoofdpersoon (Myōë, een boeddhistisch monnik) was. Ik zal de passage eerst afdrukken zonder Myōë te identificeren, maar ik geef mijn overige voetnoten wél weer:

'De vrome monnik Myōë liep eens over een pad bij een rivier toen hij daar een man hoorde die zijn paard stond te wassen.
     "Ashi, ashi," zei de man. 1
     De monnik hield stil en zei: "Hoe edel, hoe verheven! Wat een kerel – de deugdzaamheid die hij in een vorig leven heeft verworven werpt in dit bestaan zijn vruchten af! Hij heft de heilige woorden aji, aji aan! 2 Van wie mag dat paard wel zijn? Ik sta versteld van zoveel vroomheid!" 
     "Dit ros is van de heer Fushō," zei de man.
     "Bui-ten-ge-woon!" riep de monnik. "U hebt het over aji hon fushō! 3 Wat een vreugde! U brengt me dichter bij de heilige leer van de Boeddha!" 
     En hij stortte warempel tranen van vreugde.'

Om eerlijk te zijn wordt deze vrome monnik in de brontekst niet eens ‘Myōë’ genoemd, maar wel ‘de heilige man uit Toganowo’. Ik geef echter de voorkeur aan ‘Myōë’, omdat de geestelijke in kwestie juist onder die naam bekendstaat als stichter van de Kōzanji, een gerenommeerde tempel op een dichtbeboste berg ten noorden van Kyoto (de voormalige Japanse hoofdstad). Het fascinerende is dat er een kleurrijke rolschildering bestaat waarop Myōë te zien is in meditatiezit tussen de bomen – een afbeelding die waarschijnlijk al tijdens Myōës leven is gemaakt, en die voorkomt in alle Japanse kunstgeschiedenissen. Myōës gedaante is dus waarschijnlijk bekeken door miljoenen mensen die geen flauw idee hadden dat hij tevens een rolletje speelt in Kenkōs Tsurezuregusa.

In De kunst van het nietsdoen heb ik ‘de heilige man uit Toganowo’ als volgt geïdentificeerd:

'Myōë (1173-1232), een vooraanstaand figuur in het esoterisch boeddhisme, was een begaafde natuurdichter en noteerde veertig jaar lang zijn dromen. Op een bekend portret is hij afgebeeld in meditatiezit temidden van dichte bossen. Het portret wordt bewaard in de Kōzan-tempel (ten noordwesten van Kyōto) die door Myōë was gerestaureerd.'

Noch de Franse vertaling, noch de bestaande Engelse vertalingen van Kenkōs meesterwerk vermelden dat Myōë op een bekend schilderij voorkomt. Ik vind dat mijn buitenlandse collega’s hier een mooie kans hebben laten schieten. Als een tekstbezorger bij Hooft of Constantijn Huygens een anekdote aantreft over Frans Banninck Cocq, zal hij zijn lezers er toch ook wel op wijzen dat die laatste door Rembrandt is geschilderd?

Het aardige aan De kunst van het nietsdoen is dat er behalve radijsminnende schouten en vrome geestelijken ook een heleboel liederlijke monniken en excentrieke edelen in rondlopen. En dan zwijg ik nog over de levenswijsheid waarvan Kenkōs werk getuigt. Het is geen wonder dat zijn werk na zevenhonderd jaar nog niets aan populariteit heeft ingeboet!

Detail uit een portret van de vrome monnik Myōë, toegewezen aan Jōnin. Kōzan-tempel, Kyoto, dertiende eeuw.

Noten

1 ‘Je been, je been.’
2 Aji, ‘de letter A’, was de eerste letter uit het Sanskritisch alfabet, dat een voorname rol speelde in boeddhistische rituelen.
3 Een religieuze spreuk die aangeeft dat het universum begin noch einde kent. De paardenmenner bedoelt echter iets heel anders: ‘fushō’ was ook een lage rang bij de wacht op het keizerlijk paleis.


Jos Vos (1960)
studeerde Engels en Nederlands in Leuven en voltooide in 1984 een master Engelse literatuur aan de universiteit van Kent in Canterbury. Hij doceerde beide talen aan universiteiten in westelijk Japan, waar hij elf jaar lang woonde. In 1996 verhuisde hij naar Oxford, waar hij Japans studeerde, met nadruk op de klassieke Japanse letteren. Sindsdien vertaalde hij onder meer de reisdagboeken van Bashō (voor Privé-domein, verschenen in 2001 en 2005), De heilige van de berg Kōya van Kyōka Izumi (2013) en De brug der dromen, een bundel verhalen en novellen van Junichirō Tanizaki (2017). In 2008 publiceerde hij Eeuwige reizigers, een omvangrijke bloemlezing uit de Japanse letteren van de zevende tot de negentiende eeuw. Zijn vertaling van Het verhaal van Genji, de eerste grote roman uit de wereldliteratuur, werd in 2014 genomineerd voor de Filter Vertaalprijs. Vijf jaar later werd Jos met diezelfde prijs bekroond voor zijn vertaling van Sei Shōnagons Hoofdkussenboek. Jos’ vertaling van Kenkōs Tsurezuregusa verscheen in 2020 bij Van Oorschot, onder de titel De kunst van het nietsdoen.



Over de auteur

Hebban Crew

1983 volgers
3 boeken
3 favoriet
Hebban Crew


Reacties op: De vertaler vertelt: Jos Vos over 'De kunst van het nietsdoen'

 

Gerelateerd