Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Een kort verhaal van Karen Köhler

door Hebban Crew 3 reacties
Karen Köhler (1974) was jarenlang actrice, maar schrijft tegenwoordig theaterstukken en proza. Van 'Vuurpijlen vangen' werden in Duitsland al 35.000 exemplaren verkocht. Het werd bekroond met de Schubart-Literaturförderpreis en de Rausiser Literaturpreis 2015. In Nederland werd de bundel lovend onthaald. Vandaag, exclusief op Hebban, een kort verhaal uit deze bundel.



Vuurpijlen vangen

1

Je hebt me de zegelring van je nazi-opa in de hand gestopt met het verzoek hem in zee te gooien. Of ergens anders in het water. Omdat jij het niet kon. Toen heb ik gezegd: Dat doe ik niet, het is immers niet mijn rotfamilie, ik heb zelf lijken in de kast en die zit helemaal vol, de jouwe passen daar niet ook nog bij. Ik heb de ring bij mijn plastic spin en andere enge dingen in mijn griezelkist gelegd en hem voor je bewaard. Daar ligt hij nog altijd. Er is een tweede bij gekomen.

 

2

Hoewel we allebei een naam hebben, een heel normale zelfs, dus geen superstomme als Babsi of Horst of zo, gebruiken we die onder elkaar niet. Wij hebben koosdingetjes. Jij zegt Krassiwaja. Ik Libero. Libero, omdat je in mijn gedachten vrij bent. Niet omdat ik aan voetbal of een of andere verdediging denk, zoals jij altijd beweert. In mijn gedachten ben je Italiaans ook al ben je een halve Roemeen. Italiaans en vrij, als een partizaan in de bergen of zoiets. Soms breken we op de bergkam een brood en kaas, zonder een mes te gebruiken, en duiken weg voor de wolken. Achter ons een explosie. Ze krijgen ons niet. Nog in geen duizend jaar. Krassiwaja, omdat, geen idee waarom. Omdat ik met mijn hoofd in het heelal loop en met mijn voeten nog maar net de grond raak. Mijn blik altijd gewichtloos. Ik wilde kosmonaute worden en heb verstand van parachutes, omdat onderweg ooit mijn vleugels zijn afgebroken. Ik moet toen een jaar of elf, twaalf zijn geweest.

 

 3

Toen we tijdens een wandeltocht, doornat van de regen, midden in een bos een grot vonden – het begon al donker te worden, we hadden het koud en de volgende herberg was nog vijftien kilometer ver weg – stelde ik voor om in die grot te overnachten. En jij zei: Nee, omdat je bang was dat er een slapende beer in zou zitten, en ik wenste dat je dapperder was, een krijger, een cowboy, een indiaan die mijn eigen angst met pijlen aan flarden zou hebben geschoten. Dus moest ik vooroplopen en met de beer vechten tot jij tussen stalagmieten en stalactieten op de modderige bodem van de grot in slaap viel.

 

4

In de zomer bombarderen we elke vrijdag tussen vijf uur ’s middags en half negen het park met jeu de boules-ballen.

 

5

Als we op onze herenfietsen langs Sugar komen, de mooiste hoer van de tippelzone, stoppen we met piepende remmen en informeren naar haar eksteroog. Dat heeft ze gekregen van haar rode plateauschoenen en ze heeft er al weken vreselijk last van. Sugar is heel mooi. Eigenlijk heet ze Satwan en is ze ooit een man geweest. Tegenwoordig heeft ze een design-clitoris van een topchirurg uit Bangkok en ze doet de beste blowjob in de stad. Beweert ze. We geloven haar en hoeven geen bewijs.

 

6

Zigeunerjong, zei je zegelringloze opa en daarmee bedoelde hij jou. We breiden de mooiste heldenguirlandes rond de foto van je vader, over wie niemand praat. We fantaseren dat hij is gaan varen nadat hij je moeder heeft verlaten. En zich niet, zoals zij beweert, in het bos aan een boom heeft opgehangen. Een graf, een graf, wat is nou een graf. Een naam op een steen, meer niet. We drinken op zijn gezondheid en jouw wortels, en we smijten glazen tegen de muren tot je medebewoner schreeuwt dat we hufters zijn. Vieze hoer, zei je nazi-opa tegen zijn eigen dochter. Daarop haalde jij doelgericht uit, mikte, sloeg raak, en de volgende dag verliet je het dorp. Daarvoor heb ik later een ereoorkonde voor je in elkaar geknutseld en een zweminsigne op je rode T-shirt genaaid.

 

7

Meteen de eerste dag had ik tegen je gezegd dat je niet verliefd op me moest worden. En toen je dat toch deed, heb ik je een klap verkocht.

 

8

We hadden uitgerekend dat we met je Vespa in 21,3 dagen bij de Zwarte Zee zouden zijn. Als we langzaam reden. We hebben 43 dagen nodig gehad en zijn buikslaper geworden. In Hongarije kregen we onze ruzie en bijna was ik teruggegaan. Maar het was volle maan en Donau, en jij kwam met de musici aanzetten: Mesečina, Mesečina en toen kon ik niet meer en ben je om je hals…

 

9

Mixtape

Kant A (jouw kant)
Francoise Hardy / ‘Oh Oh Chéri’
Ernst Busch / ‘Heimlicher Aufmarsch’
Bregović / ‘Mesečina’ en ‘Edelezi’
Jacques Brel / ‘Ne me quitte pas’
Danzig / ‘Mother’
D.A.D. / ‘Sleeping my day away’
The The / ‘Love is stronger than Death’

Jouw springerige choreografie maakte me duizelig.

 

Kant B (mijn kant)
Nouvelle Vague / ‘This is not a Lovesong’
Kim Wilde / ‘Cambodia’
Dead Kennedys / ‘Holiday in Cambodia’
Lard / ‘They’re coming to take me away (haha)’
Fugazi / ‘Waiting Room’
Pixies / ‘Debaser’
The Notwist / ‘Moron’
Nouvelle Vague / ‘Too drunk to Fuck’

 

10

Wanneer gaan jullie eindelijk trouwen?
Vraagt de een.
Waarom zijn jullie eigenlijk geen stel?
Vraagt de ander.

 

11

We dronken samen een fles Jameson en scholden op de wereld. Daarna ging jij achter het drumstel zitten, ik greep de microfoon en zong met pruik en zonnebril op eerst voor jou, op jouw beat en daarna in de videocamera, tot ik verstrikt raakte in de microfoonkabel en met camera en al op de grond belandde, waar ik de slappe lach kreeg. Toen ik de volgende ochtend de opnames

bekeek, merkte ik dat we gezoend hebben voor ik in slaap viel en jij op stop drukte.

 

12

Telefoontje:`
Tring. Tring. Tring. Tring. Tring.

 

Jij, heel kortaf:
‘Ja?’
Ik:
‘Ik ben het.’
‘Mmm.’
‘Lig je nog in bed?’
Vijf seconden later jij weer:
‘Shit. Hoe laat is het?’
‘Zeg niet dat je nog in bed ligt.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het verdomme half vier in de middag is. Daarom.’
‘Fuck. Echt?’
‘Ja.’
‘Oh, shit.’
Aanstekergeluid.
‘Afspraak verslapen?’
‘Yep.’
‘Iets belangrijks?’
‘Yep.’
‘Wanneer ben je vannacht eigenlijk verdwenen?’
‘Weet niet, het was al ochtend.’
Je rookt, ik luister, daarna ik:
‘Kan ik je fiets lenen? De mijne is gejat.’
‘Kom maar langs.’
‘We hebben gisteren gezoend.’
‘Yep.’
‘Was het lekker? Ik kan het me namelijk niet herinneren.’
‘Je was top, baby.’
‘Zak.’
‘Tot zo.’

 

13

Mijn verjaardag valt altijd in de winter. Elk jaar. Dat vind ik niet fijn. Omdat ik elke keer een groot feest wil met al mijn vrienden in het park of aan een meer met een vuur en buiten slapen en dat soort dingen. Vorig jaar zomer belde je bij me aan, je haalde me over om mee te gaan zwemmen en pootte me op de Vespa. Vanaf het parkeerterrein tot aan de oever had je mij over je schouder hangen en ik zong een kinderliedje. Toen er aan het meer een feesttafel bleek te staan met daaraan onze vrienden, en toen iedereen happy birthday zei, wist ik dat je gek bent en rende ik weg. Wat een geluk dat jij sneller bent dan ik.

 

14

We maken alleen ruzie aan onze ruziemachine, een oude Olympia, en de regels zijn als volgt:

Steeds maar één tegelijk aan het toetsenbord. Er mag alleen worden geschreven en niet gesproken.

Steeds maar één zin, daarna is de ander weer aan de beurt. 

De ruzieteksten worden bewaard in ordners die zijn voorzien van jaartallen.

 

15

‘Handen omhoog!’ riep ik toen ik een overval pleegde op het café waar jij achter de bar stond. Mijn agentenwaterpistool strak op jou gericht. Je keek naar je baas, die allang al zijn vingers omhoog had gestoken, daarop begon je te grijnzen, je legde je handdoek neer en langzaam, tergend langzaam stak je je handen omhoog. ‘Dit is een ontvoering!’ zei ik met een knipoog naar je baas, ik ving je verwilderde blik op, haalde over, trof je voorhoofd en beval je achter de bar vandaan te komen. Buiten blinddoekte ik je, ik zette een walkman op je hoofd en draaide je voor het café een paar keer om je as om te zorgen dat je je oriëntatie verloor. Zigzaggend ontvoerde ik je naar het station en daarna met de trein naar zee, waar we ’s avonds aankwamen.

 

16

Kerst met je moeder. Je opa lag toen al onder de grond en je moeder was eenzaam, dus nodigden we haar uit om kerst samen met ons te vieren. Kerstavond bij jou met gans en rodekool, een kerstboom en knoedels en wijn en gezang. Eerste kerstdag bij mij op de bank met restjes van de vorige dag, koekjes en The Godfather I-III. De volgende dag was voor jullie en ik heb me toen in mijn eentje eenzaam gevoeld.

 

17

Half bevroren stonden we met jouw oude hengeluitrusting in de hand op de brug over het stadsspoor. Allebei een hengel. De lucht was allang weer afgekoeld van het grote geknal, en toen hebben we vuurpijlen in lege flessen gestoken en het snoer van onze hengels vastgemaakt aan het houten stokje van de pijlen. Commencing countdown, engines on. Synchroon hielden we onze aansteker bij onze lonten. Vlug de hengels gegrepen. Drie. Twee. Eén. In toom gehouden door de hengelsnoeren suisden de sissende pijlen moeizaam de lucht in en explodeerden boven ons hoofd. We hebben vuurpijlen gevangen. Dat was afgelopen oud en nieuw.

 

18

De waarom-ik-niet-je-vriendin-kan-zijn top-tien:

1. Je hebt maar één boek
2. Het boek heeft als titel Excel for Dummies
3. Je drinkt altijd
4. Je ruikt naar mijn vader
5. Je hebt geen doelen
6. In al je sokken zitten gaten
7. Je doet nooit ergens de dop op
8. Je gaat niet stemmen
9. Je zoenen smaken naar as
10. Je zult me verlaten

 

19

Gisteren heeft je moeder gebeld. Uit het ziekenhuis. Met jouw mobieltje. Ik dacht dat jij het was en nam op met Waar blijf je nou, idioot? waarop je moeder begon te huilen. Ze zei dat ze een brief voor me had en dat je met een leeggepompte maag in het ziekenhuis lag, op de intensive care, en dat je huisgenoot je had gevonden. Toen wist ik waarom je ’s morgens niet op de afgesproken plek was verschenen en ben naar je toe gegaan.

 

20

Duizend slangetjes in je lichaam. Monitoren. Gepiep. Gepomp. Jij in coma. De dienstdoende arts vertelde me dat je je had vergiftigd met pillen. Je had niet meer geademd, je hersens hadden een

aantal minuten geen zuurstof gekregen, waardoor je nu in coma lag, kunstmatig werd beademd en kunstmatige voeding kreeg. Onduidelijk was of je ooit weer normaal zou worden. Niet erg waarschijnlijk. Hij gaf me de volgende instructies:

– Praat op een rustige, vertrouwde toon met hem.
– Vertel hem prettige dingen.
– Monter hem op.
– Raak zachtjes zijn huid aan.
– Praat over vertrouwde namen en situaties.

Volgens de arts moet dat ervoor zorgen dat je voor het leven kiest en misschien terugkeert, anders dan vroeger, dat wel, maar het zou heel goed kunnen dat je na een intensieve revalidatie nog een

paar mooie jaren kon hebben, zij het verstandelijk beperkt en in een rolstoel.

Ik heb je hand en je arm gestreeld. Op de plekken waar ik bij je huid kon, tussen de buisjes en het verband. Ik heb op rustige toon herinneringen voor je opgehaald, voor je gezongen, een sprookje voor je bedacht en je daarna ongeveer een uur lang uitgescholden. De ongelezen brief heb ik mee naar huis genomen.

 

21

Je afscheidsbrief:

Krassiwaja,
het spijt me.
Libero

 

22

Laffe zak!

Ik heb er genoeg van.

 

23

Vandaag is het vrijdag.
Wie gaat vandaag samen met mij het park bombarderen?
En volgende week?
En daarna?
Ik ken intussen de naam van alle verpleegsters.

 

24

Ik weet nu wat het poppenkopfenomeen is. En waar de stam zit. Je bent niet teruggekeerd. Je moeder wilde een graf in de buurt. Ik heb gezegd: Zeebegrafenis, hij hoort in de zee! en haar was het toen om het even. Je hart is getransplanteerd omdat je zo’n verklaring had.

Voor mij een bijna ondraaglijke gedachte: dat er nu ergens iemand rondloopt met een Libero-hart.

 

25

De zeebegrafenis was waardeloos. Samen zouden we ons slap gelachen hebben over je kotsende moeder en de kwezelende priester aan boord. Maar ik stond daar alleen en dacht: hoe banaal is dit alles. Ik voelde me ellendig omdat ik vond dat er iets plechtigs moest gebeuren. Plons deed de urn en mijn mond trok scheef. Ik voel me geamputeerd. Kun je niet net zo zijn als Jezus en binnenkort weer verrijzen? Op een vrijdag, ja, dat zou ik niet meer dan fatsoenlijk vinden.

 

26

Tijd is kauwgum die geen smaak meer heeft.

 

27

Ik heb alles verkocht, ook het drumstel, sorry. Je Vespa loopt lekker, die neem ik mee. Je handschoenen liggen nog altijd onder het zadel. Morgen komt de verhuiswagen. Iedereen vraagt: Waarom Flensburg? Ik haal mijn schouders op en zwijg.

 

28

Ze heet Simone Michalski. Het viel niet mee om daarachter te komen. Ik woon in dezelfde wijk. Ze doet geregeld boodschappen in een biowinkel. Hou je vast: met ingang van de eerste van de volgende maand ga ik daar werken, als verkoopster. Voor halve dagen.

 

29

Ik ga elke dag wandelen aan zee. Je kunt er Denemarken zien. Soms ga ik er met de Vespa heen, koop zoute drop en eet een hotdog met een knalroze worst erin. Jij zou gek zijn op rode polser. Op je sterfdag heb ik ’s nachts een lichtje op het water gezet en tegen de zee staan schreeuwen.

 

30

Ik kijk haar aan en zoek naar een spoor. Een sprankje. Het erge is: jij zou Simone niet mogen, dat weet ik zeker. Sinds een paar maanden zien we elkaar één keer per week. Ze speelt miserabel jeu de boules. Schaken kan ze ook niet. Het nieuwste is dat ze aan nordic walking doet, met stokken en dat soort dingen. Eigenlijk een wonder dat ze geen afstotingsverschijnselen heeft gehad.

 

31

Ik zit aan de ruziemachine en breek alle regels.

 

 

Over Vuurpijlen vangen

Vuurpijlen vangen is het debuut van actrice Karen Köhler (1974). Mede dankzij de ‘Umwelt’ van onze geprezen verhalenreeks won Podium, vlak voor de Buchmesse, de verhitte veiling om de Nederlandse rechten.

In het verhaal ‘Cowboy en indiaan’ zit een jonge vrouw uitgedroogd voor een tankstation in Death Valley. Als er plotseling een indiaan voor haar staat die haar leven wil redden, denkt ze dat ze fantaseert. Maar al snel delen ze een dubbele Whopper, gaan ze samen naar het casino en stranden uiteindelijk in een shabby motel, zoals ze eigenlijk alleen in films bestaan.

Zo leest ieder verhaal van Köhler als een complete roman. De volstrekt eigen toon van Karen Köhler kleurt zelfs de meest dramatische gebeurtenissen met een zekere opgewektheid. Haar personages hebben een ding gemeen: het zijn kampioenen in overleven.

 

Vanaf half februari t/m eind maart verblijft Karen Köhler, op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds, als writer in residence in Amsterdam. Ze treedt gedurende de Week van het Korte verhaal o.a. op bij de ‘Avond van het korte verhaal’ op 19 februari bij Pantheon Boekhandel in Amsterdam.



Over de auteur

Hebban Crew

1485 volgers
50 boeken
0 favorieten


Reacties op: Een kort verhaal van Karen Köhler

 

Gerelateerd

Over

Karen Köhler

Karen Köhler

Karen Köhler (1974) is actrice en woont in Hamburg. Ze debuteerde met de verhalenbundel Vuurpijlen vangen.