Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Interview Stuart Macbride

Stuart MacBride is één van de bekendste Schotse schrijvers die de laatste jaren furore heeft gemaakt in een subgenre van de misdaadroman, dat als Tartan Noir bekend staat. Zijn hoofdpersonen hebben evenveel goede als slechte eigenschappen en ook de steden waarin zij figureren spelen een prominente rol. In zijn nieuwste boek Slachthuis beschrijft MacBride het geweld explicieter dan ooit. Het bloed spat van de pagina’s. Bert Peene sprak met de succesvolle Schot en kreeg tussen neus en lippen door een spoedcursus crimewriting.














Het was me nog niet eerder overkomen, maar ik merkte dat het idee aan een interview met Stuart MacBride me op een bepaalde manier in verlegenheid bracht. En dat gevoel werd sterker naarmate onze afspraak dichterbij kwam. MacBride presenteert zich namelijk graag als een echte lolbroek, die de gewoonte heeft tijdens interviews zijn gesprekspartners regelmatig op het verkeerde been te zetten. En de keer dat hij bij wijze van uitzondering aan de andere kant van de tafel zat, zoals in 2008, toen hij de Australische schrijver Adrian Hyland interviewde, ging hij op dezelfde manier te werk. Hij wilde bijvoorbeeld graag weten waarvoor Hyland tot dan toe het meest bang was geweest, wie hij het eerst had gekust - ‘because you wanted to’ – en wat hij doorgaans als ontbijt koos: toast, havermout of een fry-up (een full English breakfast;BP). Pas toen Hyland begon te protesteren – ‘Aw, come on! Where’s the fuckin’ book?’- koos MacBride een passender benadering: ‘All right, all right, I’ll ask you about the funckin’ book.’


Stout en niet serieus
Nu hou ik best van een geintje, maar ik wilde graag een mooi interview maken, dat voldoende recht deed aan zijn schrijverschap, en daarvoor had ik wel zijn medewerking nodig. Maar ik wist niet goed hoe ik dat varkentje moest wassen. Uiteindelijk besloot ik maar om van de nood een deugd te maken en zo kwam het dat ons vraaggesprek op een nogal ongebruikelijke manier begon: ”Pakken we dit meteen serieus aan of gaan we eerst wat zitten dollen?” MacBride kijkt me niet begrijpend aan. Ik leg uit dat zijn eerdere optredens me wat op het verkeerde been hebben gezet. ‘Zelfs Val McDermid heeft het over ‘pervasive naughtiness and lac of seriousness’ als zij uw houding beschrijft. Dan zou je inmiddels toch van een handelsmerk kunnen spreken.’ Hij begint te lachen. ‘Zo heb ik het nooit bekeken. Die ironie herken ik overigens wel hoor. Ik mag soms graag een beetje tegenwicht geven aan collega’s die het schrijverschap opblazen tot haast mythische proporties. Het leven van een auteur, ook een die misdaadromans schrijft, is in feite reuze saai.
‘s Morgens sta ik op, geef de katten eten en ga dan achter mijn computer zitten om leugens te verzinnen over mensen die niet bestaan. Dat is alles. Hoe boeiend is dat!’

Baard
En die baard, wil ik dan toch nog wel weten. Hij laat amper een gelegenheid voorbij gaan om mensen op zijn baard attent te maken. ‘Ha! Die baard is een teken van mannelijkheid. Daar kun je toch nooit genoeg de aandacht op vestigen! Overigens zou je mijn baard inderdaad een soort handelsmerk kunnen noemen. Ik heb daar nog een mooie anekdote over. Onlangs gaf ik een lezing ergens op het platteland, in zo’n statig Engels landhuis. Eeuwen oud natuurlijk en overal hingen peperdure schilderijen. Daar stond ik dan, met een Rembrand in mijn rug en een gezelschap hongerige dames voor mijn neus, klaar om vanaf het eerste woord aan mijn lippen te gaan hangen. Net toen ik wilde beginnen, begonnen vier dames op de voorste rij als op commando in hun handtas te graaien en toen ze weer opkeken, hadden ze een kartonnen Stuart MacBride-baard op hun gezicht. Hadden ze een foto van mij gekopieerd en daar een masker van gemaakt. Ik dacht dat ik niet meer bijkwam.’

Cynisme
Zijn optredens mogen dan gekenmerkt worden door een behoorlijke dosis ironie; in zijn boeken ontbreekt die toch vrijwel helemaal. Het is alles cynisme en bittere ernst wat de klok slaat; er valt weinig te lachen. ‘Dat ben ik niet helemaal met je eens,’ werpt MacBride tegen. ‘Er is wel degelijk sprake van ironie. Die zit in de gesprekken tussen de politiemensen, in de manier waarop zij spanningen afreageren. Als je ziet hoe Logan McRae zijn collega’s soms op de kast jaagt, of zelf als piespaal voor zijn superieuren dient, dan valt er wel degelijk wat te lachen. Ik kreeg onlangs een email van een politieman uit Ontario, die me vertelde dat hij die dialogen zo goed herkende; zo blazen wij inderdaad stoom af als de spanning stijgt, schreef hij.’


Bloederig geweld
We praten nog een tijdje door over het vele geweld in zijn boeken, hoe typisch Schots die zijn en over vermeende gelijkenissen met het werk van Ian Rankin. Ik zie ze niet, maar MacBride wijst erop dat ik Logan McRae niet moet vergelijken met de John Rebus uit de latere romans. ‘Sla de vroege John Rebus thrillers er maar eens op na, dan zie je die overeenkomsten wel degelijk.’
Nog even terug naar het geweld in zijn boeken. Jarenlang gold Mo Hayder zo’n beetje als de ongekroonde Queen of Cruel Crime, met Stuart MacBride misschien als goede tweede, maar sinds het verschijnen van de roman Slachthuis lijkt hij haar in het bloed-zweet-en-tranengenre toch wel voorbij te zijn gestreefd. Dat zal best een bedoeling hebben, maar ik vond het allemaal een beetje teveel van het goede en ik ben benieuwd of ik daarin de enige ben. ‘Oh, dat zal vast niet,’ reageert hij nuchter. ‘Maar wat expliciet geweld en bloederigheid betreft heb ik er deze keer inderdaad bewust een schepje bovenop gedaan. Ik probeer ieder boek weer anders te maken dan voorgaande boeken. Tot nu toe had ik mij beperkt tot ‘impliciet’ geweld: er wordt naar verwezen en de lezer krijgt alleen de gevolgen ervan te zien. In Slachthuis is dat anders; daar heb ik voor het eerst voor ‘on screen violence’ gekozen. Je bent nu dus ook getuige van het geweld dat plaatsvindt. Maar dat is geen goedkoop effectbejag; het heeft een functie. Ik heb de middeleeuwse praktijken in onze slachthuizen aan de kaak willen stellen. Zoals de Vleesmeester in de roman zijn slachtoffers doodt, laat leegbloeden en vilt, zo worden in werkelijkheid dieren gedood om tot consumptievlees te worden verwerkt. Ik ben echt geen vegetariër – voor een lekkere biefstuk kun je me altijd wakker maken – maar ik vraag me wel af of het hele proces dat daaraan voorafgaat, ethisch juist is. Hoewel ik, laat ik dat nog eens benadrukken, veel bewondering heb voor de mensen die in slachthuizen werken. In ieder geval is Slachthuis mijn eerste boek met een serieus thema.’


Politieman uit Aberdeen
Hoe is zijn relatie met Logan McRae eigenlijk op dit moment? Ooit tekende hij een contract voor drie thrillers met de Aberdeense politieman in de hoofdrol en toen die goed verkochten, mocht hij voor nog drie stuks bijtekenen. Dat betekent waarschijnlijk dat een zesde police procedural in aantocht is – ‘You bet,’ grijnst de schrijver. Maar is hij inmiddels niet een beetje uitgekeken op zijn protagonist, die toch bepaald niet tot de boeiendste speurders uit de hedendaagse misdaadliteratuur gerekend mag worden. ‘Wat is daar mis mee,’ vraagt MacBride, op een toon die verraadt dat deze vraag hem al vaker is gesteld. ‘McRae is inderdaad een doodgewone man. Hij is niet gevat, geen eenling, geen alcoholist, hij is niet emotioneel gehandicapt of superintelligent; hij is een teamspeler die van tijd tot tijd zaken verknalt, maar hij doet altijd zijn stinkende best. Daarmee is hij hopelijk net als wij allemaal; hij heeft alleen een behoorlijk lastig, vaak ook gevaarlijk beroep.’ Dus hij is nog niet op hem uitgekeken? ‘Nee, sterker nog: na nummer zes komen er nog twee Logan McRae-thrillers. Ik heb namelijk onlangs weer een nieuw contract getekend – hoera, laat het bier maar komen! – voor nog vier nieuwe boeken: twee stand alone thrillers én de Logan McRae’s nummer zeven en acht. Wat ik daarna doe, weet ik nog niet. Misschien word ik wel loodgieter.’

Slachthuizen
Het schrijven van police procedurals brengt in het algemeen een hoop research met zich mee. Het verhaal is dan weliswaar verzonnen, maar de manier waarop de politie daarin te werk gaat, moet kloppen met de echte werkelijkheid; dat is een van de ongeschreven regels van het genre. Sommige misdaadschrijvers laten de police procedural daarom links liggen; ze hebben een broertje dood aan het veldwerk dat erbij hoort. Is Stuart MacBride eigenlijk een researcher? ‘Ik zou liegen als ik zei dat ik dat een van de aantrekkelijkste kanten van het schrijverschap vond, maar ik doe wel degelijk mijn best om de werelden waarin mijn boeken spelen, zo accuraat mogelijk weer te geven. Tijdens de voorbereidingen voor het schrijven van Slachthuis heb ik bijvoorbeeld heel wat uren in slachthuizen doorgebracht. Je moet zien hoe dingen werken; je moet de sfeer proeven, ruiken ook. Maar in wezen werk ik het liefst vanuit mijn onderbewustzijn. Laat het verhaal maar komen, dan maak ik er wel chocola van.’ Dus geen schrijfschema’s als houvast? ‘Nee. Als ik schrijf, luister ik naar de stemmen in mijn hoofd. En ik maak een mindmap; dat wel.’

Mindmap
Mindmappen is een bekende techniek om de creativiteit te bevorderen, maar ik heb nog nooit een schrijver ontmoet die daarvan gebruik maakte. Hoe moet ik me zoiets voorstellen? Of beter nog: maak er maar eens een voor me. Dan zie ik het met eigen ogen. ‘Dat is goed,’zegt MacBride, ‘maar dan draaien we het om: ik help jou er een te maken. Dat doe ik ook regelmatig tijdens workshops crimewriting.’ Hij pakt zijn pen en een vel papier. ‘So, what’s happened?’ Dat is niet aan dovemans oren gezegd. Een recensent leest zoveel misdaadromans dat hij vroeg of laat ook zelf allerlei morbide fantasieën ontwikkelt, dus ik grijp mijn kans: ‘Stel nou dat ik hier niet echt als interviewer zit, maar dat ik een moord heb gepleegd en u wil verleiden daarover een boek te schrijven.’ Maar dat blijkt een verkeerd begin te zijn; veel te veel denkwerk. ‘Als je een mindmap maakt, moet je even stoppen met nadenken,’ doceert MacBride. ‘Je noteert wat er spontaan in je opkomt en gaat daarmee pas later aan de slag.

Dame met voorstel
Overigens is wat je nu voorstelt, me daadwerkelijk een keer overkomen. Ik zou een lezing houden in Brixton en van tevoren waren er wat afspraken gemaakt met mensen die me wilden interviewen. Een van die mensen, een mevrouw van halverwege de dertig, kwam niet opdagen, maar ze had wel een dikke, bruine envelop laten bezorgen. Daarin zaten een cd rom, drie officiële documenten en een brief. In die brief stond dat de informatie op de cd rom authentiek was, waar gebeurd dus, en dat de documenten psychiatrische rapporten waren die duidelijk moesten maken dat zij niet gek was. Of ik die informatie als stof voor een thriller kon gebruiken. Het bleek een volstrekt krankzinnig verhaal te zijn, waarmee ik overigens tot nu toe nog niks heb gedaan. But let’s get back to your mindmap. So, what’s happened?’ Nou, daar gaan we dan:
- A murder.
- Who was murdered?
- The butler.
- Ah, the butler’s murdered for a change. Where was he murdered?
- In a stately home somewhere in Sussex.
- What killed him?
- Suffocation.
- What was he suffocated with?
- A sock.

Een sok als moordwapen
‘Now, that’s interesting; a sock.’ En Stuart MacBride legt uit hoe hij vervolgens te werk gaat: een sok is nogal een ongebruikelijk moordwapen, zeker als je hem niet gebruikt om iemand te wurgen maar te verstikken; hoe kwam de moordenaar daarbij? En als de butler in dat huis vermoord is, heeft hij de moordenaar dan zelf binnengelaten? Kende hij hem soms? Kende de moordenaar het huis? Hoe kwam hij aan die sok? Enzovoorts. ‘Een mind map geeft tegelijk ruimte en houvast. De gebeurtenissen in een mind map hoeven niet noodzakelijkerwijs met bepaald personages verbonden te zijn. Dat gebeurt later pas, tijdens het schrijven. Soms duikt er ineens een personage op, zonder dat ik het voorzien had, dat een plaats opeist in het verhaal of een plaats die prominenter is dan ik bedacht had. Zo’n personage kan ik dan koppelen aan bepaalde gebeurtenissen in de mind map. Ga je van tevoren alles plannen, dan kom je gemakkelijk in een krampsituatie omdat je nu eenmaal personage A in een bepaalde situatie moet brengen die uiterlijk in hoofdstuk X moet plaatsvinden wil je de vooraf bedachte structuur overeind kunnen houden. Nu kan ik mijn personages alle ruimte geven; zolang wat ze doen, maar in de mind map past.’

Schotse misdaadliteratuur
Stuart MacBride wordt regelmatig in één adem genoemd met collega-auteurs als Ian Rankin, Val McDermid, Denise Mina, Quintin Jardine en Louise Welsh. Allemaal Schots, werkend vanuit de stad en bouwend aan een oeuvre dat qua sfeer gemakshalve op één hoop wordt gegooid onder de noemer ‘Tartan Noir’. Tartan Noir is een subgenre in de misdaadliteratuur dat gekenmerkt wordt door twee belangrijke thema’s: de ambigue mens – goed en slecht tegelijk – en de schizofrene stad. Meestal worden Jekyll en Hyde van Robert Louis Stevenson als oer-voorbeeld genoemd en Ian Rankins Detective Chief Inspector John Rebus als de meest uitgesproken eigentijdse vertegenwoordiger. In hoeverre voelt MacBride zich met deze schrijvers verwant? ‘Verwant niet hoor. Ik ken dat soort lijstjes ook, maar volgens mij hebben ze vooral een functie voor marketeers. Die plaatsen schrijvers graag in hokjes want dat verkoopt gemakkelijker.”


D.I.Frost
“Ik lees hun boeken graag, maar verwant voel ik me in feite alleen met R.D. Wingfield, de geestelijk vader van D.I. Frost. De manier waarop hij Frost portretteert, hem aan het werk zet met meerdere misdaden tegelijk, het teamwork: in één woord geweldig. Jammer genoeg is zijn werk alleen in verfilming bekend geworden, ook in Engeland. Al had ik maar éénderde van zijn kwaliteiten, dan was ik al een gelukkig mens. Dan was mijn schrijverschap geslaagd.’



Over de auteur

Bert Peene

5 volgers
1 boek
0 favorieten


Reacties op: Interview Stuart Macbride

 

Gerelateerd

Over

Stuart MacBride

Stuart MacBride

Stuart MacBride (Dumbarton, 1969) is een Schotse thrillerauteur in het zogeheten 'hard-boiled' genre, waarbij veel geweld en gruwelijkheden niet worden geschuwd. In 2005 debuteerde hij met d...