Stichting 113 - De zelfmoordpreventielijn

Onlangs schreef ik een kortverhaal als een ode aan een vriend die zelfmoord pleegde. Het voelt niet goed om hier geld aan te verdienen, dus gaat de opbrengst naar Stichting 113, de zelfmoordpreventielijn.

Er is ook al een vervolg verschenen. Beiden staan op mijn Hebban profiel. Ze heten de Centurion I en II. Voor wie ze lezen wil, vergeet ze niet op je ''wil ik lezen plankje'' te zetten. ;) Net als mijn andere boeken. ;) 

Omdat een blogpost minimaal 500 woorden moet bevatten, zal ik jullie alvast bestoken met een fragment uit de Centurion I: 

De kraai is de schaduwgids en brengt zielen van de diepste duisternis naar het allerheiligste licht. Ook symboliseert het de cyclus tussen leven en dood. De kraai eert het leven en vreest niet voor de dood. Hij werkt zonder angst voor de Nocturna en beweegt zich vrijelijk in de diepste duisternis. Hij draagt het besef en kennis van ethiek en heeft het vermogen tot het verschuiven van vorm.
Fragment uit de Necromonoscript, het boek van de doden(Oude testament)

Proloog
CaiusSpookstad

Vlekken van teer en as bespikkelden de eens zo groene vlakte. Nu was het slechts een zwart gat van bederfelijke verminking. Caius Luna van het Huis Luna liep langs de bloederige en verminkte lijken die zich hier in deze gruwelijke spookstad opgestapeld hadden door de aanval van drie dagen geleden. Zijn zwarte haren reikten tot de bronzen schouderbladen, die onderdeel waren van zijn borstplaat; deze was gesigneerd met het merkteken van de Centurion; een paard wiens bovenste lichaam dat van een robuuste mannelijke krijgsheer was. In zijn gespierde armen hield hij een allesvernietigende hellebaard. Met zijn ijzeren laarzen, die tekenen van ouderdom vertoonden, liet hij voetafdrukken achter in de teer. Het kostte hem veel moed om naar de lijken te kijken, zelfs al was hij al jaren lid van de Centurion. Toch keek hij ernaar; velen van hen waren vrouwen, maar ook kinderen en zelfs zuigelingen lagen op de berg.

Ze waren met huid en haar verbrand. De geur was iets wat hij nooit zou vergeten. Het rotsblok waar hij langsliep, was het enige wat nog enigszins in tact leek. Hij kon het perfect gebruiken om even op te zitten, en zo op adem te komen. Enigszins moeizaam ontkoppelde hij zijn goedgevulde heupfles whiskey, draaide de dop eraf en nam een gulzige slok. De boer die hij daarna liet, droeg de geur van verrotting met zich mee, alsof er een divertikel in zijn darmen plofte, die de geur van rottende lijken omhoogbracht. Hij tuurde in de verte. Ook al was hij hier met een reden gekomen, kon hij zich niet voorstellen dat deze überhaupt relevant was. Achteroverleunend strekte hij zich uit. Terwijl hij gaapte, proefde hij nog steeds de smaak van zijn boer. Door zijn onstuimigheid gleed hij bijna van de rots af. Hij ontkoppelde zijn zwaard en begon er uit pure verveling een gezicht mee op de zwartgeblakerde grond te tekenen. Onbewust tekende hij er een glimlach in; hij realiseerde zich dat het slechts een teken van verpletterde hoop was.

In deze wereld is geen hoop, dacht hij. Niet alleen zijn we allemaal geboren om te sterven. Nee, want in Lorbadis heeft niemand een schoon geweten. Letterlijk iedereen zal zich later moeten verantwoorden tegenover de Goden... Met afschuw tufte hij op de grond. De Goden, gingen zijn gedachten verder; misschien was het wel meer dan dat. Het leek namelijk alsof een stem zijn gedachten overnam. 'De Goden... Je bent verwikkeld in het Spel der Goden... Alles is Gekoppeld...' Hijgend – haast hyperventilerend – greep hij zijn natbezwete hoofd. De stem ging verder: 'De Koppelingen zullen... Ach, weet je wat, ook wij Goden kunnen het lekker makkelijk houden, dus morgen is iedereen dood!' Zijn hart sloeg over terwijl hij in zijn vervallen geest een Draak gevormd uit het Licht zag. ‘Vlieg op!’ schreeuwde hij in zijn eigen hoofd. Met dit psychologisch trucje wist hij het beest in zijn gedachten weg te laten vliegen. In de asgrauwe hemel zag hij een wolk die ook op een Draak leek. Hij besefte dat een ander er misschien ook een paard in zou kunnen zien. 'Het paard is voor een andere Koppeling, die toch weer met jou verweven is,' sprak de stem, ondanks het verdwijnen van de Draak. 'Ze zijn letterlijk overal,' dacht Caius, zijn blik gedurig op de wolk. De kraaien die daar rondcirkelden deden hem aan een eeuwenoude vertelling denken, waarin men vertelde dat deze vogels een spirituele betekenis hadden. Zij symboliseerden namelijk de dood, net als dit verwoeste oord; net als de hele wereld van Lorbadis. 'Morgen is iedereen dood...' Zijn in arm-pantser gehulde vuisten ballend, slaakte hij een diepe zucht. Deze was bedoeld om zijn emoties te onderdrukken. Echter, zijn hooggevoeligheid zorgde ervoor dat dit nooit effectief genoeg zou zijn. Gepaard met wat onverstaanbare vloekwoorden, stond hij op en leunde op zijn zwaard.

Toen hij verderliep, sleurde hij deze achter zich aan. Iets verderop liet hij deze tegen een vervallen klooster leunen, waardoor kleine kiezelsteentjes naar beneden kukelden. De scherven van de glas-in-lood ramen kraakten onder zijn laarzen. Alsof het glas hem biologeerde, ging hij door zijn knieën. Het kadavertje van een kat liet hem schrikken. Zijn hang naar het macabere liet hem het lijkje observeren. De smaak van gal betrad zijn mond toen hij zag dat er kleine kittens uit haar opengescheurde buikje bungelden. Ze waren bijna volgroeid. Een stem deed hem opschrikken. ‘Caius!’ Vanwege zijn zware bepantsering ging opstaan moeizaam. Eer het gelukt was, draaide hij zich om en rende naar zijn zwaard. Alsof hij op zijn hoede was, pakte hij deze en riep: ‘Wat is er?’

‘Kom hier!’ antwoordde de vrouw. ‘Ik geloof dat we een overlevende gevonden hebben!’

Reacties op: Stichting 113 - De zelfmoordpreventielijn

Gesponsorde boeken