Blogpost: Rabin Gangadin

OVER DRIE TOONAANGEVENDE SURINAAMSE SCHRIJVERS EN EEN DICHTER VAN FORMAAT

   Inleiding Wat moet de Nederlander met literatuur uit Suriname? Zou het argument dat Suriname een rijksdeel van Nederland is geweest voldoende moeten zijn om desnoods met een half oog naar het werk van een Surinaamse schrijver te willen kijken? De band tussen Surinamers en Nederlanders is op z’n minst eerder intrinsiek dan oppervlakkig. Buiten het Nederlandse taalgebied is het Nederlands in Suriname veel beter onderhouden geweest dan in welke Nederlandse kolonie ook. Als we ons beperken tot literaire werken van auteurs met een Surinaamse achtergrond dan is het erbarmelijk gesteld met de ontvangst ervan in Nederland. Bij elk verschenen werk zit de Surinaamse auteur vaak te duimen dat zijn pennenvrucht een keer in een Nederlandse periodiek wordt besproken. In Suriname op zich gaat het heel anders toe. Surinaamse schrijvers zijn er in tegenstelling tot hun collega’s in Nederland verenigd in het schrijverscollectief ’77 terwijl er literaire workshops bestaan die de verantwoordelijkheid dragen voor het aanreiken van handvatten om een technisch verantwoord literaire tekst te kunnen produceren. De Surinaamse universiteit kent een faculteit voor neerlandistiek en werd Suriname in 2003 toegelaten tot de Nederlandse taalunie. Ondanks het feit dat Suriname in overdrachtelijke zin ver van de Nederlandse kust is afgedreven, zijn in het land taal-gerelateerde activiteiten er niet minder door geworden. Het Nederlands is in Suriname in strikte zin overeenkomstig met het Nederlands in Nederland, althans in formalistische zin. Terwijl i Nederland de dikke scheidingsmuur tussen de schrijf- en de spreektaal omlaag is getrokken is die in Suriname behouden gebleven. Andere varianten zijn er niet ook al probeerde een enkeling het te hebben over een Surinaams Nederlands. Wat noem je dan Surinaams? In Suriname wonen er volkeren met hoofdzakelijk Aziatische en Afrikaanse roots terwijl een fractie dusdanig gemixt is dat die nergens bij in te delen is. Ondanks het feit dat de diverse etnische groepen sommige gemeenschappelijke eigenaardigheden hebben , vormen ze in ideëel opzicht nog geen homogene groep. Al de etnische groepen spreken thuis een eigen culturele taal waarvan de sterke invloeden niet zelden manifest zijn in hun gewoon Nederlands taalgebruik. Hierdoor krijg je in het Nederlands zoals het door Surinamers wordt gebezigd lexicale varianten die door een Nederlander niet al te spontaan gesnapt zullen worden. Verder zijn er uitdrukkingswijzen die qua strekking sterk afhangen van de connotatie die ermee gepaard gaat. Per saldo is het Nederlands zoals door Surinamers gebezigd dusdanig van gehalte dat er prachtige literaire producten uit zijn voortgekomen. Klassieke schrijvers zoals Bea Vianen, Thea Doelwijt, Astrid Roemer, Leo Ferrier, Rudney Russel en Albert Helman hielden te veel rekening met de Nederlandse taalnormen waardoor ze alleen qua thematiek ingedeeld  konden worden bij de categorie West-Indische schrijvers. Voor de rest konden ze meedraaien in de Nederlandse literaire maalstroom. Als je Surinaamse dichters neemt als Hans Faverey en Antoine De Kom dan onderscheidden die zich amper van de doorsnee Nederlandse klasse dichters. Hun werken verschenen in avantgardistische literaire tijdschriften als Raster en Revisor en werden hun gedichten uitgebracht door De Bezige Bij en Querido. Hoewel het tegenwoordig de normaalste zaak van de  wereld is om het eigen werk in eigen beheer uit te geven wanneer gevestigde uitgeverijen er geen fiducie in zien, werden werken van de meeste Surinaamse schrijvers zelf in boekvorm uitgebracht die je veelal tussen de roti’s en de bara’s in de vitrines van Surinaamse toko’s kon aantreffen. De meeste schrijvers en dichters zijn van Creoolse en Hindoestaanse origine en sporadisch kun je werk van een Surinamer die van de overige etnische groepen afstamt, tegen komen. De poëzie die deze laatste categorie slijt laat zich hoofdzakelijk kenmerken door strijdvaardige en revolutionaire ontladingen waarin zelfs de wetmatigheden die in het genre vrije poëzie voorkomen, ontbreken. Het proza dat niet bepaald talrijk is , is qua plot, thematiek , taal-en stijlmiddelen nogal povertjes. Je treft er niet vaak taalvondsten in die je kunnen beroeren. In deze nieuwe eeuw heeft zich uiteindelijk een leger aan kwalitatief goed gepende schrijvers aangediend in wiens werken je duidelijk kunt zien dat die in de literaire workshops wel degelijk wat heeft kunnen opsteken. Uitgeverij Meulenhoff bracht een paar jaar terug een bloemlezing uit waarin werken van veelbelovend talent uit Suriname waren opgenomen.  Meulenhoff liet echter wel van zich in de persoon van een zekere Jan Bart horen dat die vanwege de lage verkoopcijfers niet nog een keer te verleiden zal zijn tot zulk een uitgave.                                     Nederlandse bekendste literaire agent, Paul Sebes verklaarde onomwonden tegenover de pers dat Nederlandse uitgeverijen de voorkeur zouden geven aan werken van allochtone auteurs met een Noord Afrikaanse afkomst. Terwijl Surinaamse auteurs vaak zitten te duimen dat hun gepubliceerde werken een keer in een Nederlandse periodiek worden besproken verschijnen auteurs van Turkse-en Marokkaanse origine op praatprogramma’s op televisie om over hun werk te kunnen vertellen. De redacties van de desbetreffende programma’s kunnen als verantwoording voor deze selectiviteit vaak weg met het argument dat ze besneeuwd liggen onder de talloze inzendingen en dat er helaas keuzes moesten worden gemaakt. Zelfs voor het medewerkerschap bij kranten wordt er gewerkt met voorkeuren. Gewezen hoofdredactrice Ingrid Bongers van de NRC had tijdens haar functioneren overwegend columnisten van Turkse-en Marokkaanse origine aangetrokken tot die kwestie een keer stevig werd opgeblazen. Haar argument was dat deze twee etnische griepen erg ondergeschoven zouden zijn. Hopelijk slaagt iemand erin om uit te leggen waarom Surinamers als een mogelijke geslaagde en opvallende groep kunnen worden beschouwd. Nu over dit literaire essay dat gewijd is aan drie Surinaamse prozaschrijvers en een dichter die in 2019 het leven liet.             Er is over de Surinaamse literatuur veel gepubliceerd en waarbij in een aantal gevallen zelfs diep op de analyse van de literaire werken is ingegaan. Een publicatie over het ontstaan van de Surinaamse literatuur heeft zich nog nooit aangediend. De meeste publicaties kennen een geschiedkundige en antropologische benadering , verder is er een wagonlading aan bloemlezingen en themanummers van literaire tijdschriften. In een paar publicaties wordt er een kritische toon geslagen over de drijfveer van de Surinaamse auteur en wordt zijn werk aan een analyse onderworpen , zonder meer. De enkele literatuurwetenschappers hebben geprobeerd de Surinaamse literatuur vanuit dit discours-begrip te benaderen maar bleven in de rondte circuleren. In mijn essay tracht ik de Surinaamse literatuur niet uitsluitend begrijpelijk te maken door vier auteurs te bespreken maar vanuit een breed literatuur-kritisch kader dat erin verweven ligt. Ik zal er in zeer grote lijnen en selectief in gaan op de taalpolitiek, de samenleving waarbij de onderlinge verhouding tussen de bevolkingsgroepen, de wijze waarop het Surinaamse volk zich cultureel oriënteerde en organiseerde, de ontwikkelingen in de kunst- en vermaakssector etc.                Edgar Cairo, geboren in 1948 in Paramaribo stamde zoals hij dat zelf met trots beschreef, uit een geslacht van negers uit het district Para. in 1968 slaagde hij voor de Algemene Middelbare School en vertrok naar Amsterdam  om er Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap te studeren. Hierbij moet worden opgemerkt dat het feit dat Cairo als Surinamer van negroïde afkomst op universitair niveau Nederlandse taal mocht gaan studeren, een voetnoot behoeft. Toen Willem Frederik Hermans ergens in 1969 een gesubsidieerde reis naar Suriname maakte, schreef hij daarna in zijn reisverslag “de laatste rest, tropisch Nederland “, het volgende. Volgens zijn constatering zouden  leerkrachten Nederlands van Creoolse /negroïde afkomst leerlingen  van Hindoestaanse origine met opzet een onvoldoende voor het vak Nederlands opwrijven waarin zij gevolgd werden door de stomme leerkrachten van Nederlandse komaf zoals hij beschreef. Hierdoor kwam het haast nooit voor dat een Hindoestaan rechtsreeks in Nederland tot de faculteit voor neerlandistiek toestroomde maar vanuit Nederland zelf nadat die een poos hier had gestudeerd en zich bevrijd voelde van de Creoolse ontmoediging. Terugkerend naar Cairo: Op het moment dat hij vanuit het vliegtuig naar beneden tuurde zag hij vanuit het klein raampje hoe het diepgroene oerwoud op schaal kleiner werd en minder geheimzinnig ingebed lag tussen de brede grommende rivieren die op bruine strepen leken.  Terwijl hij alle douanecontroles aan het overleven  was, was simultaan ook zijn prozadebuut Temekoe (Kopzorg ) bij een Surinaamse uitgeverij door de pers gehaald. Zijn verhaal draaide om de liefde van een vader voor zijn zoon, liefde die van de ene op de andere dag omslaat in wanbegrip, zonder dat de oorzaak helder werd. Het relaas zou bijna  iets weg kunnen hebben van de roman “karakter” van F. Bordewijk.  Het wanbegrip dat de vader in zijn jeugd ondervond, ziet hij later terugkomen in zijn relatie tot zíjn zoon. Als mens moet je de wortels gaan zoeken in de geschiedenis en van daaruit verbindingslijnen gaan trekken naar het heden. Dit vertrekpunt zal later in tal van werken van Cairo als leidraad dienen. Blijkens geschriften zou de bevolking in het district Para er nog veel van de oude Afro-Surinaamse cultuur hebben weten te conserveren en een Sranantongo , het voormalige neger-engels, spreken dat niet aangetast zou zijn door de sterke invloeden van de overige in zwang zijnde talen in de Surinaamse gemeenschap.  Doordat Suriname een Nederlandse kolonie was , kon de Nederlandse taal zich daardoor gemakkelijk door de labyrinten aan culturele talen in Suriname succesvol  een weg  banen naar de top en op den duur eindigen als een autonome, gerespecteerde taal.  Men had zoiets van: het erkennen van één van de lokale talen van Suriname zou onverwijld met zich meebrengen de erkenning van de eraan gelieerde  etnische groep . En dat zag men niet graag gebeuren ook al is dat de Surinaamse bevolking op den duur toch overkomen doordat het Negerengels, de zogeheten Sranantongo als de enige echte Surinaamse taal het authentieke gezicht van Suriname moest helpen bepalen.  Zoals historicus André loor schreef zou het Nederlands  in Suriname al sinds 1876 met de harde hand het onderwijs zijn ingeramd. Suriname had zelfs veel eerder een algemene leerplicht dan Nederland! De vraag rijst of deze situatie een desastreus effect had gesorteerd op het zelfvertrouwen van de mensen in het hanteren van hun eigen volkstalen. Het antwoord moet ontkennend zijn want zoals ik in mijn essay “De Surinamer bestaat niet “ heb verwoord  lijdt de gemiddelde Surinamer aan een cultiveringsdrang waardoor die elk Westers stijlmiddel gretig aangrijpt om zich ermee boven een andere te kunnen verheffen. De eigen culturele attributen gebruiken ze enkel uit gewoonte, niet eens uit een vorm van drang. Cairo als her-verkavelaar van het Nederlands taalgebied Edgar Cairo probeerde ook als literairpolitiek strateeg het Nederlandse taalgebied te herverkavelen. Zijn grootste probleem was dat hij de tijdgeest niet mee had. Hij timmerde aan de weg toen er nog een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de spreek- en de schrijftaal, tussen de straattaal en het algemeen beschaafd Nederlands , tussen lectuur en literatuur, tussen  leesvoer voor gewone lezers en voor intelligentsia etc. Desalniettemin probeerde Cairo als neger, welk menssoort doorgaans in Nederlandse leer-en leesboeken als een naïef, onbetrouwbaar en ignorant schepsel was neergezet ,zich een weg te banen door deze van vele detectiepunten voorziene beslotenheid.  Dat wat Nederlandse critici inclusief de zogeheten Surinamisten niet doorzagen was dat Cairo’s ijver een dubbele bodem als motivatie had: vanuit Suriname al had hij twee obsessieve kwaliteiten n.l. die van de onderdrukte neger in de wereld en die van de superieure neger in eigen land. Getalsmatig zouden de meeste Creolen in Suriname met deze dubbele identiteit worstelen. De Creoolse bevolking was zoals socioloog Ruben Gowricharan,  politicoloog Chan Choennie en vele andere Hindoestaanse auteurs hadden gepubliceerd, in een vroeg stadium het slachtoffer van de Nederlandse kersteningsdrift . Hierdoor was deze etnische groep in het multi-etnische Suriname als eerste vertrouwd geraakt met de taal van de kolonisator en ook met diens culturele eigenheid d.w.z. behalve met Jan Klaassen en Katrijn , maar ook  met de sinterklaas geflankeerd door zijn zwarte Piet.   Al gauw moesten hun poëtische Afrikaanse namen als Wale Olumid , Chika Okoro, Udoka Osadebe etc. wijken voor makkelijk spelbare Nederlandse namen zoals Julian With, Landvreugd, Hélen Kamperveen, Frank Rijkaard, Rudy Polanen, Henk ten Cate etc. Met deze verworvenheid begon de Creoolse bevolkingsgroep zich minzaam op te stellen tegenover de overige etnische landgenoten en bij verzet schroomde men vooral niet de militante inborst, die eveneens kenmerkend bleek te zijn bij het leeuwendeel van de Creolen,  te etaleren om er de rest mee te intimideren. Dit gegeven ontbrak zelfs in het begrippenkader van Anil Ramdas die het over de onterechte/valse angst van Hindoestanen voor Creolen had. Een illustratief voorbeeld betreft de perikelen en revoltes ten tijde van de deliberaties over en afwikkelingen rondom de onafhankelijkheid van Suriname. Fysieke molestaties, revolutionaire dreigtaal , brandstichtingen en andere vormen van straatrumoer moesten bijdragen tot het kunnen doordrukken van de hoofdzakelijk door de Creolen fel begeerde onafhankelijkheid. Het Nederlandse televisieprogramma ZEMBLA en het letterkundig tijdschrift Maatstaf hadden deze ontwikkelingen gedetecteerd en er aandacht aan besteed. Deze ommekeer van Suriname resulteerde opeens in een massale exodus van de overige geïntimideerde Surinaamse bevolkingsgroepen, waaronder voornamelijk Hindoestanen, richting Nederland.  Het opmerkelijke was dat in dit vleselijke lavastroom ook  grote aantallen Creolen, die zich emotioneel alvast hadden verheugd op een opzichtig bestaan in de Bijlmermeer,  dobberden !  Hierdoor was de vraag wie vóór en wie tegen de onafhankelijkheid was geweest, onder hoge druk komen te staan. Binnen deze sociale verandering is het literaire ambacht van Edgar Cairo in een veel nauwkeuriger literair perspectief te plaatsen dan wat er tot op heden aan giswerk over hem is gepubliceerd. Cairo kwam in Nederland veel meer in aanvaring met zijn eigen gemaltraiteerde ego dan met het zogeheten negerverdriet waardoor hij volgens diverse auteurs zou zijn overmand. Begrijpelijk ook: hij had terecht gehoopt dat hij als vernederlandste neger uit Suriname die in Nederland ook nog Nederlands op de universiteit kwam studeren, op handen gedragen zou worden of op z’n minst voor vol zou worden aangezien. Hij werd vanwege zijn negroïde voorkomen veel meer met de nek aangekeken dan zijn Hindoestaanse rivalen op wie hij gewoonte getrouw had leren neerkijken omdat die koelies’ zouden zijn.  Qua productiviteit was Cairo te vergelijken met de Nederlandse Maarten ’t Hart. ’t Hart schreef over Hollandse huiskamer drama’s en Cairo schreef over de vermeende onderdrukte en  ten achtergestelde negroïde bevolkingsgroep.  In één van zijn Volkskrant columns ‘ beschreef hij het gekissebis van een Hindoestaanse familie te Amsterdam hetgeen hij tijdens zijn literaire escapades door de Amsterdamse straten wist op te vangen. Cairo had het over de bekvechtende FAMILIE  ROTI. Hiermee onthulde hij gelijktijdig dat hij , enerzijds vechtend voor de erkenning van de onderdrukking van negers door blanken , zich er ook van bewust was dat hij als neger uit Suriname zijn minzaamheid en meewarigheid jegens zijn Hindoestaanse landgenoot niet bij de afdeling: Overvracht op luchthaven Zanderij had achtergelaten! Het veelvuldig zoeken naar publiciteitsbronnen maakten van Cairo onderdeel van een streven om zijn stem te laten horen, de eigen bekendheid te vergroten en richting te geven aan discussies die zouden kunnen worden gevoerd over zijn obsessieve ongelijkheid betreffende negers. Werkend vanuit het ABN holde hij de taal van de kolonisator uit om die te vullen met specifieke Surinaamse taaleigenheid en de Surinaamse connotatie. Zoals ik hierboven al beschreef had Cairo de tijdgeest niet mee om de Nederlander te bedelven onder zijn idiolectisch manierisme.  Hij werd daardoor gezien als een taaljunk die heel aanmatigend en onversaagd, ostentatief  liep te gillen. Het was een periode toen taalvondsten in de NRC bijvoorbeeld in het Van Dalen woordenboek met bronvermelding werden geciteerd.  Hoe haalde Cairo het in zijn blote bol om ervan uit te gaan dat hij met zijn archaïsch taalkraampje zich een plek zou kunnen veroveren tussen al de statige Hollandse taal-establishments?  Die taalijver probeerde hij te venten op de Nederlandse literaire markt maar toen hij merkte dat er weinig animo voor bestond , goot hij wat water bij de wijn en boog hij zijn taalinstrument om in de richting van een meer toegankelijk Nederlands. Cairo nam constant het begrip Surinaams-Nederlands in de mond terwijl een Nederlands met typische Surinaamse trekken nooit echt bestaan heeft. Je had er het Algemeen Beschaafd Nederlands dat een normaal draagvlak had en diverse varianten van het Nederlands zoals het door iedere etnische groep apart werd gebezigd. Deze varianten in het Nederlands hebben nergens vaste wortels kunnen schieten waardoor ze gezien zouden kunnen worden als en uitgebouwd konden worden tot volwaardige Nederlandstalige dialecten van Suriname. Het ABN kreeg men onderwezen via de reguliere educatieve instellingen en sprak elke etnische groep thuis de eigen culturele taal. Hierdoor was er in Suriname nooit een basis voor de ontkieming van een volwaardig Nederlands met typische Surinaamse karaktertrekken, namelijk een Surinaams-Nederlands. Zo kan een ieder middels de gebrekkige beheersing van een taal, de gebreken gebruikend als taalfundament, die verder uitbouwen tot een volwaardig dialect en er gelijk erkenning voor opeisen omdat er een draagvlak voor zou zijn. Cairo Zelf omschreef zijn variant van het Nederlands als ‘gecreoliseerd Nederlands, inheems Nederlands’.  Hopelijk was Cairo, als hij nog leefde, erin geslaagd om een keer linguïstisch aan te tonen dat Suriname in het bezit zou zijn van een gecreoliseerde variant van het Nederlands.  Toegegeven dat Surinaamse negers bij het spreken van vooral het Nederlands, zich per individu bedienen van allerlei modieuze lexicale trendsetters hetgeen nog steeds geen borg is voor de legitimatie van een Creools Nederlands.    Cairo als literaire criticus Een ander onderdeel t.a.v. Edgar Cairo waar ik uitgebreid op in wil gaan behelst de poging die hij waagde om vanuit zijn gelegenheidsfunctie als literaire criticus, kritische kanttekeningen te plaatsen bij de werken van collega-schrijvers in zijn boek “Ik ga dood om jullie hoofd “ . De eerlijkheid gebiedt mij bij lezing van dit boekwerk  op te merken dat het mij niet helemaal duidelijk is wat het literaire principe van Cairo exact inhield en vanuit welk literair beginsel hij op zijn collega auteurs afstapte. Zelfs zijn emotioneel beladen beschrijving van de door hem begeerde dichter Trefossa lijdt aan een enorme melaatse kreupelheid. Ik blijf maar gissen wat hij als vertrekpunt voor zijn literaire kritiek die qua diepgang net iets meer in zich herbergt dan een advertentie  in een lokale Surinaamse  krant, gekozen zal hebben.  Is het realisme? Dit is het soort literaire kunst waarvan de makers zo nauwkeurig mogelijk hebben gezegd wat ze wilden zeggen. Er is geen objectieve waarheid die sommige schrijvers onder ogen zouden willen zien en andere weer niet. In zijn ritmisch bruisende , jodelende en stormende taal zou de ware gave en kracht van Cairo aan af te lezen moeten zijn. Zijn literair kritische zienswijze  getuigt van een grof-naïeve , onbehouwen bombarie-kijk.  Door de meerduidigheid en het gebrek aan consistentie zijn de  literatuur-kritische uitspraken van Cairo te reconstrueren als een consistent geheel waarin tussen verschillende soorten uitspraken helaas geen logisch verband bestaat. Ook is het onmogelijk zijn literair-kritische stellingnames op eenduidige wijze te verbinden met de door hem besproken  literaire werken. De mate waarin en de wijze waarop ze betrekking hebben op de eigenschappen en waarde van een tekst valt niet zonder meer te bepalen. De literair-kritische praktijk van Cairo  fungeert niet eens als casus bij de vraag naar de manier waarop literaire werken geanalyseerd dienen te worden. Meer specifiek vraag ik mij af of het mogelijk is na te gaan hoe zijn literaire visie voor de lezer reproduceerbaar en tot op zekere hoogte controleerbaar kan worden  gemaakt .  In eerste instantie zou er onderzocht moeten worden of er nog een mogelijkheid is om na te gaan hoe  Cairo tot zijn waardeoordeel kwam.  Hij lijkt deze optie echter uit te sluiten doordat zijn waardeoordeel geen vaste of logische grond biedt voor enig criterium. Een optreden als literaire criticus staat meestal niet op zichzelf . Men is daarnaast ook onderzoeker en speurder , werkt mee aan een literair tijdschrift, neemt zitting in jury's, kortom men maakt deel uit van verschillende literaire netwerken. Het volgen van een literaire loopbaan kan worden gezien als een lange reeks van uitspraken waarbij strategische oogmerken een belangrijke rol spelen. Activiteiten binnen de literatuur zijn te beschouwen als een investering die voor een jong en beginnend literator moet leiden tot een gerespecteerde plaats te midden van collega's en die voor de 'zittende' generatie het behoud van positie moet bewerkstelligen( Heynders (1991:251-253). Binnen deze optiek kan een literatuuropvatting niet worden gereduceerd tot een geheel van normen en waarden over de aard en functie van literatuur, maar is het ook een instrument dat bepaalde belangen dient. Uitspraken over auteurs, literaire werken, het culturele erfgoed en de ontwikkeling van het taalgebied  moeten bijdragen aan het streven naar erkenning en prestige. Termen om over literatuur te spreken, de vergelijkingen tussen auteurs en de oordelen over boeken zijn vaak kapstokken waaraan andere meningen en oordelen worden opgehangen. Met de beelden die een auteur creëert, maakt hij duidelijk waar hij staat en met welke positie hij niet geïdentificeerd wil worden (Goedegebuure (1987).  Ten grondslag aan mijn eigen benadering ligt de veronderstelling dat het functioneren binnen de literatuur sterk afhankelijk is van positionele factoren. Behalve op positionele factoren richt ik mij in mijn benadering eveneens op situationele aspecten. Dat wil zeggen dat ik ook het moment waarop en de situatie waarin er door Cairo uitspraken werden gedaan , in beschouwing neem. Uitspraken en keuzes blijken vaak een tijdelijk en een relatief karakter te hebben. Termen kenmerken zich door hun open betekenis, men komt op uitspraken terug, oordelen over auteurs worden genuanceerd en vergelijkingen met andere auteurs bijgesteld.  De aanname dat Cairo als literairpolitiek strateeg met succes te werk ging en dientengevolge een groot prestige genoot, moet worden gerelativeerd. De literaire situatie binnen de Surinaamse literatuur is nooit stuurbaar of voorspelbaar geweest, er moesten voortdurend concessies worden gedaan en compromissen worden gesloten.                                                          ========================                                   Clark Accord was binnen de Surinaamse gemeenschap het lichtende voorbeeld van iemand die zich schrijver mocht noemen. Hij voldeed aan de karaktertrek ( = aardig gevonden kunnen worden) die aanslaat bij Surinamers en hij was een kaskraker. literaire criteria worden in die gemeenschap gezien als een entiteit die bestaat tussen de schrijver en de onmetelijke ruimte.  De roman “De Koningin van Paramaribo “laat zich kenmerken door  een zeurderige zedelijkheid van het hoofdpersonage, lammenadige grappigheid, kinderachtige karaktervastheid, vol-provinciaalse ostentativiteit , kortom: een ouderwetse trekschuit van een droog, dor, sukkelig en lam realisme,  krakkemikkig voerend door het bekrompen kanaal van een zwak en onbekwaam taaltje , terwijl een  flauwe wind van een krachteloos koud bedachte intrige de zeilen in tact moeten houden. Accord werkte blijkens de persberichten de roman eerst om tot een theaterdialoog  en in vervolg daarop kwam er een muziektheaterstuk op basis van De koningin van Paramaribo. Het boek werd vertaald in het Spaans, Fins en Duits. Er moet worden erkend dat geen enkele Surinaamse schrijver een dergelijke commerciële prestatie ooit heeft kunnen leveren. Het hoofdpersonage Maxi Linder is wonderlijk teder en verrukkelijk lichtvaardig. Accord  beschrijft al haar kleine dwaze dingen waardoor de zinnen niet langdurig en diep, maar wel verlokkend betoveren in exotische miniaturen .  Accord is met deze roman een buitenstaander die zich niet vast heeft willen leggen op een bepaalde kunstzinnig- of literair ambacht en dit kennelijk steeds met een sceptische blik en een ironische glimlach bekeek. Hierdoor is op hem een terminologie als  'dilettant', van toepassing, een typering die in andere besprekingen van zijn werk ook ter voorschijn komt. Bij Accord was er geen sprake van vooropgezette plannen en lange-termijn-strategieën. Hij had ook niet een gedecideerde keuze en beslissing om door een  inwendig mechanisme te worden aangestuurd. Het feit dat hij in zijn roman originele inzichten ventileerde, doeltreffend argumenteerde en zijn visie op een overtuigende manier wist te formuleren, staat hier niet ter discussie. Wel wil ik laten zien dat het strategische aspect een belangrijk en wezenlijk deel van zijn relaas uitmaakt. Ik pretendeer daarmee niet Accords’ verhaalcompositie in al zijn facetten te kunnen doorgronden. Het literaire concept bevat nu eenmaal  toevalligheden en onbegrijpelijkheden. Het gaat me er om licht te werpen op een specifieke, mijns inziens verwaarloosde kant van het opereren van Accord . Ik wil een andere en bredere visie geven op zijn functioneren binnen de literatuur dan de gebruikelijke. Maxi Linder is een lichtekooi vol blijmoedigheid en tevredenheid. Geen spoor van kinderlijk pathos, geen directe aantasting als gevolg van naïeve uitroepen over haar uiterlijk. Zij geeft juist blijk van een kalme en ordelijke genegenheid voor het bestaan. In de mijmeringen van Maxi Linder zie je als lezer hoe de uren zich wreken tijdens de inkeer van haar tot zichzelf, hoe zij zich het fiere en serene jonge-meisje in zichzelf  herinnert en dat de gewaande matheid van haar van zichzelf veeleer de edelste zuiverheid moet heten.  Op dit terrein neigt het proza van Accord naar de vorm van een bildungsroman. Achter het luidruchtige en ostentatieve uiterlijk van Maxi Linder verborg zich een hartstocht die diep in haar ziel wortel had geschoten. De auteur beschrijft in plastische bijzonderheden taferelen van haar seksuele escapades  als prostituee. Met een griezelige  helderziendheid deed Max Linder de meest trefzekere gissingen naar het volledige gamma van de seksuele verlangens waar de klanten voor uitkwamen.  Volkomen emotieloos bedreef zij de liefde met verschillende mannen tegelijk zonder zich te ontkleden. Tijdens deze simultaan-affaires versmolten al de mannen voor haar tot één en dezelfde persoon. Afhankelijk van het fortuinlijke van de man in kwestie gedroeg zij zich bij de ene inventief en veeleisend en bereed zij betrokkene om hem een orgasme te bezorgen. Bij een andere weer was zij dociel en onderdanig , bijna in trance en bracht zij hem tot opwinding door hem tegen zich aan te laten wrijven. Als  ze in de gaten had dat een klant stinkend rijk was gedroeg zij zich desnoods op een onbeholpen wijze onervaren en onschuldig en tantaliseerde zij hem net zo lang tot hij smeekte haar de kleren van het lijf te mogen afrukken. Vaak ging zij rechtstreeks van de ene minnaar naar de andere, op dezelfde middag  of avond. Omdat seks  evenals muziek sensueel en direct was zei ze tegen hen dat ze het gevoel heeft dat zij de componiste was  en de mannen louter de uitvoerders  van haar seksuele muziek. Geleidelijk aan putten al de mannen die een affaire met haar hadden inspiratie voor zowel hun creatieve inspanningen als voor hun seksuele fantasieën , uit haar acts alsof zij de levenskracht in hun bestaan was. In haar dagelijkse sleur zwalkte zij tussen zich kleintjes en flauwtjes voortbewegende Surinaamse seks besnuffelaars . Je leest hoe zij hun aller gewoonst taaltje spraken, zich als dronken olifanten verhieven die een lingeriewinkel waren  binnengedrongen. Metaforisch waren de escapades van Maxi Linder te vergelijken met een stierengevecht: op een of andere manier figureerde de stier met zijn enorme bungelende zwarte pik als de essentie van mannelijkheid en de matador als een vrouw met amoureuze intenties: een pirouetterende koket geklede jonkvrouw die doet alsof ze op jacht is, maar die er eigenlijk naar smacht om gevangen te worden en daarom de man lokt en uitdaagt, hem bij elke avance verleidelijk langs zich heen laat strijken, haar mantel zo rood alsof hij al doordrenkt is van het bloed van haar ontmaagding, van haar doorboring door de stier. En pas als de stier ten slotte te moe is of genoeg heeft van de achtervolging, en met zijn poten onwrikbaar in het zand en zijn kop diep gebogen blijft staan, pas dan heft de matador, als een afgewezen vrouw die haar nu versmade geliefde wil bestraffen, zijn zwaard en stoot het in de kwetsbaarste plek , het hart. Dat wat de sfeer in deze roman tot iets onovertrefbaar armzalig-koddigs maakt is dat, zonder dat de schrijver zich er van bewust was, allerlei symbolische karikaturen in zijn geschrift binnen dringen en tegen hem lange neuzen zetten.  Los van de enorme verkoopcijfers  die een eclatante kwaliteit van deze roman moesten doen vermoeden zou die daadwerkelijk kunnen getuigen van een literair werk, opgetrokken uit een geavanceerde bouwconstructie indien Accord over enige literaire taal-en stijlmiddelen had beschikt. Zijn vertelde relaas is een opstel naar Surinaams model geworden op z’n best.                                                                                                      ===================Blijkens bibliografische gegevens zou Anil Ramdas Nederlands bodem  in 1976 hebben betreden en na in 1987 cum laude te zijn afgestudeerd als  sociaal geograaf, een promotieonderzoek te zijn gestart bij onderzoeksmethopdoloog Abram de Swaan. Hierna stortte hij zich in de journalistiek waar hij reeds in het land van herkomst affiniteit mee scheen te hebben. Zijn pennenvruchten kon hij toen al in Surinaamse kranten kwijt die voor opiniebladen van allure konden doorgaan.  In Nederland scoorde hij blijkens de bibliografische gegevens gelijk hoog door ad interim redacteur van de Groene Amsterdammer te worden, verder freelancer bij de Volkskrant  en in vervolg daarop columnist van de NRC. Hij kon zich een weg banen door de mediawereld als programmamaker en presenator en presteerde zelfs zich als correspondent voor de NRC in India te vestigen alwaar hij een consumptieve metamorfose zou zijn ondergaan( = hij verruilde de Indiase Gangajal , overeenkomend met het Westerse wijwater, met Whisky ). Terwijl Clark Accord  op de verkoopsuccessen van zijn roman “de koningin van Paramaribo “ liftte waarbij enige diepgang in zowel in de persoon van de schrijver  als in diens werk ver te zoeken was, had Anil Ramdas daarentegen zijn populariteit te danken aan zijn columnistenschap bij de NRC en vooral aan zijn televisieprogramma “Het Blauwe Licht”. Hij werd in tegenstelling tot Accord ingedeeld bij de intellectuelen en psychologische mijmeraars ( zie de beroepsherinneraar). Zijn debuut , de essaybundel : De papegaai, de stier en de klimmende bougainville verscheen in 1992 bij De Bezige Bij. In deze bundel geeft hij er blijk van te zijn gefascineerd door literaire auteurs als V.S. Naipaul, Salman Rushdie en Stuart Hall . Niet duidelijk is of er bij Ramdas sprake is van een verregaande reproductie van opvattingen van deze auteurs en dat elk ingenomen standpunt, keuze en oordeel bij hem automatisch uit de opvattingen van deze auteurs volgden. Om vast te stellen of er sprake was van een dergelijke reproductie, oftewel om een vergelijking mogelijk te maken, is het noodzakelijk  de literatuuropvatting van Ramdas als een eenduidig en consistent geheel te reconstrueren en de mate van overeenkomst c.q. verschil te bepalen. Literatuuropvattingen vertonen vaak geen logische samenhang, maar zijn met elkaar in tegenspraak  en komen evenals hun betekenisaanpassingen,  afhankelijk van de omstandigheden tot stand. De werken van Ramdas  vormen een belangrijk item en fungeren als een kapstok waaraan zijn eigen opvattingen en ideeën zijn opgehangen. Hij is een etiket dat kan worden opgeplakt en een beeld dat kan worden toegeëigend. Het is onjuist te veronderstellen dat het succes van Ramdas volledig afhankelijk was van enige opvatting over literatuur. In deze analyse wil ik aantonen dat de interesse bij hem voor bovengenoemde auteurs in hoge mate tot stand kwam op grond van positionele en situationele factoren. Ramdas bevond zich tussen idealisme en realisme in, hij was een schrijver in wie een idee trachtte baan te breken zonder dat hij er zich zelf misschien van bewust was. De ontwikkeling van zijn schrijverschap  wijst er mijns inziens op dat Ramdas boven zichzelf uitsteeg . Voor deze auteur die veel over het migratieproces schreef : ‘Het opwindende van de migrantenidentiteit is juist niet dat er ergens een kern is die alle migranten gemeen hebben, maar dat de ruimtelijke overschrijdingen een culturele chaos veroorzaken die ze nooit meer kwijtraken. Dit gedachtegoed werkte hij helemaal uit in het hoofdstuk Madame Bovary in voornoemd essay hoewel ik de trefzekere wijze waarop Ramdas de positie van een migrant gelijk stelt met die van Madame Bovary te gesublimeerd vind. Het is Guave met appels vergelijken! De stelligheid waarmee Ramdas in zijn werk sproeit bezorgt hem enerzijds de allure van een man met een eigen kijk en opvatting maar anderzijds druist zijn opvatting in tegen de ratio en logica. In zijn programma Zomergasten was hij ook in discussie met Mark Rutte over de transformatie van de MAVO naar het VMBO en over de positie van het Nederlands in Nederland. Ramdas gaf er duidelijk blijk van het luchtruim te vullen met zijn kleurrijk geklater dan met een materie waar enige degelijke studie en voorbereiding uit herleidbaar zou kunnen zijn. Zijn agitatie jegens de opkomst van de PVV, hoe begrijpelijk ook, tastte zijn reputatie van denker en analyticus aan. Het getuigde eerder van exuberantie dan van eruditie bij uitgerekend een cum laude afgestudeerde sociaal geograaf. De elementaire antropologie leert ons reeds dat wanneer diverse volkeren uit allerlei landen massaal een ander land samendrommen, de inheemse bevolking dit ziet als een culturele invasie. En elke vorm van invasie roept automatisch verzet op, zelfs in een militante setting. Ik vrees dat Ramdas nooit zijn best deed om dit te willen bevroeden.  Toch zagen velen in Ramdas 'de vent'  die steun kon verlenen aan problemen die hem zelf als romancier en vooral als essayist voortdurend bezighielden. Met uitspraken als deze wordt de indruk gewekt dat Ramdas de betekenis en de waarde van dromen, de taal, de cultuur, de mythen, de verbeelding wist aan te wijzen, zeer treffend verwoordde en voor de toekomst vastlegde. Zowel door de eenvoud en de zakelijkheid van zijn stijl als door de onaandoenlijkheid en nuchterheid ten opzichte van de voorbarige ernst , die zijn beschouwende trant kenmerkt, is Ramdas een persoonlijkheid die in de oppositie was tegen elke kwaliteit aan de literatuur van zijn geboorteland . Zijn gedachten , zijn esthetische opwellingen getuigen veelal van een soms  verbluffendeintuïtieve juistheid, maar soms grenzen die ook tegen wat men “kolder” noemt, aan.                                                                       ==========================        Het schrijven over een Surinaamse dichter staat onlosmakelijk verbonden met een beschouwing over de Surinaamse literatuur in het algemeen omdat de Surinaamse literatuur bezien vanuit de natietheorie aan bestaansrecht dreigt in te boeten. Dit komt doordat Suriname vanwege haar multi-racialiteit een optelsom is van etnisch groepen , die bezien en beredeneerd vanuit de natietheorie niet aan de criteria beantwoorden om voor één volk te worden aangezien. De huidige Surinaamse republiek kan niet worden verondersteld als een diaspora van levensvatbare onafhankelijke entiteiten ook al heeft het land het formele uitzicht op staatsschap. Suriname is een kruitvat dat vol is van etnisch-territoriale (soms gewelddadige) conflicten.  Immers, steeds zal een eventuele dominante etnische groep van dat land prediken voor één territorium, één taal eisen en haar eigenheden opdringen aan de andere etnieën door hun onderwerping of vertrek te verlangen. Een consensus over omvang en vorm van de solidariteit tussen Surinamers zou moeten betekenen:  “Hoe vriendelijker de mensen met elkaar zijn, hoe onvriendelijker de talen.” Of, explicieter: Verschillende taalgemeenschappen kunnen eeuwenlang naast elkaar leven zonder dat hun respectievelijke talen bedreigd zouden zijn, behalve wanneer een specifieke levenswijze of religieuze verschillen ertoe zouden leiden dat ze heel weinig met elkaar te maken hebben. Maar zodra mensen uit verschillende taalgemeenschappen intensief met elkaar beginnen te praten, handel drijven, werken, erger nog te vrijen en kinderen te maken, dan begint de trage maar zekere uitdrijving, verplettering van de zwakkere taal door de sterkere — tenzij dit proces belemmerd wordt door het taalterritorialiteitsprincipe, het principe dat op een afgebakend territorium één enkele taal de officiële taal is, in het geval van Suriname is dat het Sranan Tongo.  Suriname kent geen collectief volksgevoel, een collectieve volksideologie etc. ten gevolge waarvan  deze verscheurdheid bij vele dichters stof werd om die in hun poëzie te bezingen, met de stil gekoesterde hoop dat hun poëzie zou kunnen bijdragen tot een nationale éénwording en een nationaal gezicht. En een dichter die dit door onrust doorkliefde Surinaamse landschap gretig aangreep om er zijn poëtische nijverheid op te laten gedijen is de Surinaams-Hindoestaanse dichter, Shrinivasie, pseudoniem van Lutchman. Shrinivasie is naast een afgestempelde Surinaamse –Hindostaanse dichter, een poëet die als gezichtsbepaling dienst doet voor de oprukkende maar tegelijkertijd in haar groei belemmerde Surinaamse literatuur. Deze Surinaams-Hindoestaanse maar evenredig Surinaams-Curaçaose en  -Nederlandse dichter koos voor de schuilnaam Shrinivasi . Zijn GBA-naam is: Martinus Haridat Lutchman, zoals de Brabantse archivist Michiel van kempen meldt in zijn in Suriname bekroonde archiefmateriaal: De geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Shrinivasie werd volgens dit archiefmateriaal geboren op 12 december 1926 op de grond Vaderszorg te Kwatta in het district Beneden-Suriname. Zijn pseudoniem zou een samentrekking zijn van het Indiase woord Sri, hetgeen zoiets betekent als goede/edele, Srinam ( = fonetisch verklankte uitspraak van Suriname door voornamelijk de Hindoestanen uit het antieke tijdperk) en tot slot van het Indiase woord Nivasi ( = bewoner).  Deze naam zou niet te verwarren moeten zijn met de inmiddels gestorven Indiase wiskundige Shrinivasi die in London leefde en welke naam op een jaarlijks te houden wiskundig congres in de VS niet ongenoemd mag blijven. In 1952 maakte de dichter Shrinivasi onder het pseudoniem Fernando zijn poëziedebuut in het tijdschrift  Caraïbisch Venster waar  het tegenwoordige door de Nederlandse Staat gesubsidieerde schotforum,  Caraïbisch Uitzicht uit is afgeleid. Caraïbisch Venster werd toentertijd op Curaçao uitgegeven door de Hollandse Boekhandel. Shrinivasi  schreef ook in het weekblad De Katholiek en in De Surinamer en voltooide op het eiland Curacao zijn eerste dichtbundel Anjali , hetgeen zoiets betekent als de holte die ontstaat tussen twee devoot gevouwen handen , knielend bij een offergave. Dit zou kunnen doen vermoeden dat deze dichter een geboren Hindoe asceet is maar in werkelijkheid is hij even katholiek/Christelijk als Hindoeïstisch. Het debuut verscheen uiteindelijk in boekvorm te Paramaribo in augustus 1963. Een gedicht uit dit debuut ziet er als volgt uit:Ik wist dat deze handenAls eertijdsSamengevouwenTegen mijn voorhoofdU zouden groetenIn een plechtige buigingWees gegroetDe dichter illustreert hier de geestelijke symbiose tussen de Hindoeïstische namaste en de Christelijke groet uit het Katholieke Ave-Maria. Opmerkelijk is dat deze debuutpoëzie goeddeels doortrokken is met Christelijke waarden en gebruiken. Hier en daar is er een samensmelting van de Ik-figuur met die van Christus: Dan zal het spotkleed/vallen/van mijn verwonde schouders. Het IK figureert als de Nazarener, een vreemdeling onder zijn eigen volk:  Toen keerde ik           terug naar de rook           van de stallen           vreemd en           verstoten           onder mijn eigen volk Het kost onmetelijk veel inspanning om de logica van deze dichter te doorgronden wanneer je je als lezer beperkt tot de informatiewaarde die elke regel in zijn vers met zich mee zeult.Een dichtregel als “vreemd en “ kan even goed de associatie oproepen met : “ Ik ben een vreemdeling, EN!!”. In al zijn doorgaans korte verzen springt de dichter te arbitrair om met de zinsbouw alsof het hem niet zou willen schelen hoe zijn woorden zich op het maagdelijk blad uitsorteren . Afgezien van de architectuur van de poëzie is Shrinivasi een dichter die de lezer met de geladenheid van de betekenis van zijn korte regeltjes behoorlijk kan beroeren, verrassen en zelfs op het verkeerde been kan zetten. Hierin is hij absoluut een kunstenaar die met beperkte middelen iets grotesks kan creëren. Shrinivasi is een dichter, in hoge mate verlicht en met een kritisch oog die zich er voor hoedt als een kanebraaier over te komen. Hij heeft patent op een gemeenzame toon in regels als: 'Wij zijn allen Surinamers Wij zijn allen nobele onderdanen Wij zijn allen welbekende edele bewoners.' Typerend voor zijn poëzie is niet alleen de eerder nuchtere dan ontnuchterde houding van de dichter, maar vooral ook het feit dat hij er poëtisch gesproken niet meer van wenst te maken dan het is; geen opgeblazen taalgebruik, geen gezochte hermetiek waarachter de melancholie alsnog schuil kan gaan, geen poging in zijn gedichten zelf het gemis aan schoonheid in de wereld te compenseren. In plaats van op zoek te zijn naar het grootste en de teleurstelling daarover woest van zich af te schrijven, richt hij zijn oog op het gewone, alledaagse (zij het dan voornamelijk in zijn geboorteland, waar dat natuurlijk toch de glans van het ongewone mee heeft) en ziet daar de poëzie van in. Hij neemt op die manier een positie in tussen een realist en een symbolist.In vele gedichten bezingt Shrinivasi de heimwee naar een verbroken eenheid, het verlangen naar simplificatie in een ingewikkeld wordende eenheid, het oproepen van de oorsprong als oerbeeld van het heden. Shrinivasie blikt ook voortdurend om zich heen en ziet dat zijn omgeving de koele realiteit is. En hoewel zijn poë¬zie een transcendente stilstand verademt, is ze zelden ingewikkeld en veronderstelt ze nimmer enige buitentekstuele kennis. Ik denk dat dit kenmerk Shrinivasi boven vele andere Surinaamse rijmelaars uittilt omdat hij de taal niet meer als een probleem of belemmering ziet maar haar werkelijk als autonoom behandelt. Hier en daar krijg ik het gevoel dat het allemaal zachtaardige nonsens is, niet van enige maniërisme ontbloot, een eindeloos navelstaren. In Shrinivasis’ denken is de wereld de vervreemding, de opstelling, de historie; die wereld moet hij opnemen en aanvaarden, veranderen of behouden, voor zichzelf en voor anderen. Als dichter verstaat Shrinivasi bij uitnemendheid de kunst een aantal zeer subtiele, ingewikkelde en tenslotte onbegrijpelijke (levens)ervaringen ten minste helder vorm te geven waardoor zijn woorden een heel bijzondere lading krijgen.'In de koelte/van een nieuwe hut/ter ruste leggen.Wanneer de dag/als vuurwerk uiteenspat/achter de bomenzal ik de mooiste hosbloem/steken in je geurig/donker haaren afscheid nemen/en afvaren/met de eb/die buitenrusteloos en/ongeduldig wacht.'Is het terecht Shrinivasi te beschouwen als een Hindoestaanse dichter die in te lijven zou moeten bij de Sarnami literatuur? Het woord Sarnami  is de taal der Hindoestanen in Suriname. Het is eigenlijk een uit het Indiase Bihar overgewaaid dialect naar Suriname dat niet zelden in agitatorische gebaren en gebral wordt “gesproken “ .De meeste Sarnami-dichters pretenderen ongebreidelde poëzie te slijten als wissel op de eeuwigheid. Poëzie is voor hen de erfgenaam van de waarheid, een manier van spreken van mensen die toevalligerwijze niet in een dolhuis zitten. Steeds weer staan er Sarnami-dichters op die zich niet beperken tot het maken van poëzie, maar ook de brandende wens koesteren te vertellen wat poëzie is. Daar steekt niets oneervols in. Elke dichter houdt zijn eigen poëzie voor de enige ware. Volgens sommige critici zouden Sarnami-dichters eerst verworden zijn tot een ruisend bos om vervolgens  woorden te kunnen produceren die in een disharmonie  tot elkaar staan . De meeste kritiek gaat naar hen die zich in het algemeen als aangewezenen voelen om met de scepter te kunnen zwaaien in het bordeel der verheven kunsten. Shrinivasie is in dat opzicht een zichzelf respecterende dichter die wars is van flauwekul, gevrijwaard van invloeden van buiten en die zijn weg autonoom vervolgt. Dit geeft zijn werk een aparte grandeur, een oorspronkelijkheid waar andere Sarnami-dichters nauwelijks aan kunnen  nippen.                                                               =====================

Lees verder op mijn site

Reacties op: OVER DRIE TOONAANGEVENDE SURINAAMSE SCHRIJVERS EN EEN DICHTER VAN FORMAAT