Blogpost: Nico van der Sijde

Raar maar waar: een boek dat even ergerniswekkend is als mooi

Ik hou nogal van Olivier Rolin, vanwege zijn originele en eigenzinnige stijl en zijn gulzige nieuwsgierigheid en lust naar avontuur. Dus was ik benieuwd naar Papieren tijger, het boek dat vaak als zijn magnum opus wordt beschouwd. En tja, nu heb ik het uit, en ik heb zeker stevig genoten, maar het volkomen uitzinnige De uitvinding van de wereld blijft voor mij toch zijn beste boek. Te meer ook omdat ik niet precies weet wat ik van Papieren tijger moet vinden, en mij aan een bepaalde tekortkoming behoorlijk heb gestoord.

De hoofdpersoon is Martin, duidelijk een alter ego van Rolin zelf, die - net als Rolin- in de jaren 60-70 een grote rol had in de maoïstische studentenbeweging en nu, vele jaren na dato, terug kijkt op die woelige jaren. Die beweging was, zo vindt hij nu, te star, te dogmatisch, te wereldvreemd. Zijn eigen avonturen uit die dagen waren eerder jongensboekachtige 'Spielerei' dan serieus te nemen politieke daden, en over die - vaak hilarische- avonturen kan hij met veel ironie en slapstickjachtige humor vertellen. En toch is er ook enorme nostaligische weemoed: hij en zijn vrienden joegen tenminste nog idealen na, hoe vergeefs ook, en verlangden nog naar een soort van avontuurlijk heldendom, een leven dat kleurrijker en inhoudsrijker is dan her kleurloze burgermansbestaan. Dat verlangen was 'echt', hoe kolderiek zijn politieke jaren ook waren. En nu zijn die jaren voorbij, zijn alle kameraden van weleer dood of in een burgermansbestaan verstard, en zijn alle dromen van weleer volkomen dood. Wat rest is weemoed en wanhoop.

Dit alles wordt door Rolin mooi opgeschreven. Prachtig is zijn combinatie van humor en weemoed. Schitterend is hoe hij het pathos van de jaren zestig beschrijft: geloof en hoop in revolutie, en tegelijk ook de hoop dat die revolutie niet in een soort nieuwe orde verstart. Wat weer leidt tot een mooi beschreven paradox: aan de ene kant het verlangen naar omwenteling, aan de andere kant juist niet. Che Guevarra is een soort icoon omdat hij verloor, Fidel Castro juist niet, want hij won. Het is ook mooi hoe het verhaal allerlei cirkels beschrijft: bepaalde erg pijnlijke zaken (de dood van Martins vader, en van zijn kameraad Dertien) komen via allerlei omtrekkende en ontwijkende bewegingen aan de orde, niet rechtstreeks, en zo maakt Rolin mooi voelbaar hoe Martin met die pijnlijke zaken worstelt. Door die omtrekkende bewegingen krijgt de plot ook een circulair karakter: heel functioneel, want Martin ziet de geschiedenis als een grote circulaire herhaling van vergissingen en kluchten. Schitterend tenslotte vind ik ook hoe Rolin allerlei verwijzingen naar Proust (en trouwens ook diverse andere auteurs) verwerkt in zijn verhaal. Die verwijzingen onderstrepen mooi de Proustiaanse weemoed naar 'de verloren tijd' die Martin - en vermoedelijk ook Rolin- zo sterk voelt. Maar ook het Proustiaanse verlangen naar esthetiek en schoonheid (iets waar de maoïstische kameraden van weleer weinig oog voor hadden) wordt op die manier erg fraai met het verhaal verweven. En ik vind het ook wel spannend om nostalgie naar een ultralinks verleden op die manier gecombineerd te zien met basismotieven uit de allesbehalve linkse Proust!

Dus ja, ik was opgetogen over dit boek. Ik zou dus zonder meer vier of vijf sterren hebben gegeven als ik niet gehinderd was door een bepaald bezwaar. En dat bezwaar zit hem in de nostalgie naar het maoïstische verleden. Die weemoed naar de jaren zestig herken ik wel, en Rolin vermijdt door zijn ironie bekwaam elke 'idealisering' van die periode. Daar zit mijn probleem dus niet. Maar wel vind ik het vreemd om met weemoed en ironie te spreken over een maoïstisch verleden zonder ook maar een woord vuil te maken over de vele miljoenen die door Mao zijn vermoord. De Franse maoïsten van toen hadden daar uiteraard geen schuld aan en wisten het zelfs helemaal niet, maar in 2002 - de publicatiedatum van dit boek - was dit toch echt genoegzaam bekend en voor veel vroegere maoïsten reden voor stevige wroeging en spijt. En die is niet aanwezig in Papieren tijger. Rolin laat zijn alter ego Martin weliswaar mooie spottende woorden zeggen over 'de grote roerganger' en over zijn vroegere geloof in hem, maar zulke spottende woorden vind ik bij een dergelijke massamoordenaar niet genoeg. Grote delen van het boek vond ik prachtig, euforiserend, overtuigend: vier-vijf duimen niveau. De wijze waarop het maoïsme wordt verwerkt irriteert me echter mateloos: een-twee duimen niveau.

Kortom: naar mijn smaak een prachtig boek, met naar mijn smaak helaas ook een forse tekortkoming. Ik heb genoten ondanks mijn ergernis, en ik heb gebaald ondanks mijn genot.

Reacties op: Raar maar waar: een boek dat even ergerniswekkend is als mooi