Lezersrecensie
Drie vrouwen, twee moederlanden, één familiegeschiedenis.
In de indringende familiekroniek Waar wij altijd geweest zijn volgen we de levens van drie generaties vrouwen met een Indische achtergrond – oma Antoinette, haar dochter Jetty en kleindochter Tara. Elk van hen draagt een eigen last, gevormd door geschiedenis, verlies en migratie, maar ook door veerkracht en de soms pijnlijk nauwe banden die vrouwen met elkaar verbinden. Stolk opent het derde hoofdstuk met een scène die de lezer direct bij de keel grijpt:
“Een uitgehongerd beest hapte naar mijn tepel, kleine vingertjes klauwden in mijn borst. Het roze wurm wist zich in de juiste positie te manoeuvreren en beet zich met een instinctief gevoel voor richting vast. In paniek probeerde ik het onding los te trekken, dit maakte het nog erger. Helse scheuten trokken door mijn bovenlijf en het duurde even voordat ik het gegil thuis kon brengen als het mijne.”
Met dergelijke passages toont Stolk haar talent voor rauwe eerlijkheid. Het boek leest soepel; de hoofdstukken zijn kort, de zinnen bondig. Ze wisselen elkaar ritmisch af en laten het verhaal ademen waar normaliter lege alinea’s dat doen. De stijl is beheerst, maar nooit afstandelijk. Integendeel: ze trekt je mee, zonder pardon. Soms sprankelt een zin die zó raak is dat ik hem zelf had willen schrijven:
“We waren allang geen eenheid meer, slechts twee ronddobberende schipbreukelingen die zich vastklampten aan het wrakhout van hun huwelijk.”
Lang niet elk boek roept dergelijke herkenningen bij mij op. Op momenten waande ik me zelfs in een roman van Hella Haasse – niet zozeer door de stijl, die is fijn, maar door de directe onderdompeling in Tempo Doeloe en de verschrikkingen daarna. Mijn Blanda-Indo ex-schoonvader sprak eindeloos, soms tot vervelens toe, over zijn verleden. Het was zijn therapie, zijn manier om grip te krijgen op wat nooit helemaal te bevatten viel, al draaide hij wel eens om de essentie heen, precies zoals in Stolk’s roman: “Kamptijd sloeg hij in zijn verhalen behendig over.”
En:
“Bijgevolg deden we waar we het best in waren geworden: dragen en zwijgen. Wanneer je een verhaal vertelt, maar niemand heeft het gehoord, heb je je dan wel uitgesproken? Heeft het dan betekenis?” Zo herkenbaar dat het even pijn doet, want je hebt een vermoeden van wat er verzwegen wordt. Stolk weet zelfs lichamelijke weerzin tastbaar te maken:
“Aan boord kostte het me geen enkele moeite mijn gevoelens te verbloemen: dat deed mijn lichaam voor mij. Het deinen van de golven nam mijn lijf volledig over en mijn weerzin tegen deze reis, tegen de aanstaande parade langs familieleden over wie ik nooit eerder had gehoord, braakte ik in zure brokken tegen het gebloemde behang van onze hut. De restanten bleven in de kieren van de houten panelen tegen de muur kleven.” En even later: “Eén ding had ik jaren geleden al afgeleerd: hopen tegen beter weten in.” Het verhaal is doordrenkt met woede, deceptie, verdriet, pijn en onrecht. De frustratie druipt van de pagina’s, maar wordt steeds verzacht door zelfspot, droge humor en schrijnende, soms ontroerende observaties.
Een voorbeeld daarvan:
“We waren van elkaar weggedreven, maar vonden elkaar telkens weer terug. Ik zag het pas toen het te laat was.”
En dan die schitterend onheilspellende zin:
“Het naderend onheil, dat mij al die jaren had achtervolgd, was eindelijk hier.”
Met dit soort details trekt Stolk me terug naar mijn eigen tijd in Indonesië. “Ook de kebon, inmiddels te oud om te verpotten, bleef samen met zijn zoons Agus en Hadi, die zijn werk in de tuin en rond het huis langzaamaan hadden overgenomen.” Ik zag onze eigen tuin in Jakarta zo weer voor me.
Bij het eerste hoofdstuk van Henriëtte raakte ik even de draad kwijt. Waarom vraagt Jetty naar papa? Is dit een flashback? Pas na een paar pagina’s valt het kwartje: Stolk zoomt terug in de tijd, naar Jetty’s beleving van het verlies van haar vader. Het duurt niet lang voor de lijn weer helder wordt.
Een terugkerend element in het boek zijn de krachtige metaforen: de vuile dief (de dood), de druipkaars (de schoonvader), de zwarte laarzen (de Jappen). Ze werken als ankers die door het hele verhaal blijven resoneren.
Waar wij altijd geweest zijn is een roman die niet alleen gelezen, maar gevoeld moet worden. Rauw, eerlijk, en vaak pijnlijk herkenbaar. Heen en weer bewegend tussen verleden en heden, tussen wat gezegd wordt en wat verzwegen blijft. Met deze tweede roman heeft Maddy Stolk een familieverhaal afgegeven. Ik ben benieuwd wat volgt: wederom een terugkeer naar het Indische verleden, of een geheel nieuw terrein. Eén ding is zeker: haar stem is er een om te blijven volgen.
“Een uitgehongerd beest hapte naar mijn tepel, kleine vingertjes klauwden in mijn borst. Het roze wurm wist zich in de juiste positie te manoeuvreren en beet zich met een instinctief gevoel voor richting vast. In paniek probeerde ik het onding los te trekken, dit maakte het nog erger. Helse scheuten trokken door mijn bovenlijf en het duurde even voordat ik het gegil thuis kon brengen als het mijne.”
Met dergelijke passages toont Stolk haar talent voor rauwe eerlijkheid. Het boek leest soepel; de hoofdstukken zijn kort, de zinnen bondig. Ze wisselen elkaar ritmisch af en laten het verhaal ademen waar normaliter lege alinea’s dat doen. De stijl is beheerst, maar nooit afstandelijk. Integendeel: ze trekt je mee, zonder pardon. Soms sprankelt een zin die zó raak is dat ik hem zelf had willen schrijven:
“We waren allang geen eenheid meer, slechts twee ronddobberende schipbreukelingen die zich vastklampten aan het wrakhout van hun huwelijk.”
Lang niet elk boek roept dergelijke herkenningen bij mij op. Op momenten waande ik me zelfs in een roman van Hella Haasse – niet zozeer door de stijl, die is fijn, maar door de directe onderdompeling in Tempo Doeloe en de verschrikkingen daarna. Mijn Blanda-Indo ex-schoonvader sprak eindeloos, soms tot vervelens toe, over zijn verleden. Het was zijn therapie, zijn manier om grip te krijgen op wat nooit helemaal te bevatten viel, al draaide hij wel eens om de essentie heen, precies zoals in Stolk’s roman: “Kamptijd sloeg hij in zijn verhalen behendig over.”
En:
“Bijgevolg deden we waar we het best in waren geworden: dragen en zwijgen. Wanneer je een verhaal vertelt, maar niemand heeft het gehoord, heb je je dan wel uitgesproken? Heeft het dan betekenis?” Zo herkenbaar dat het even pijn doet, want je hebt een vermoeden van wat er verzwegen wordt. Stolk weet zelfs lichamelijke weerzin tastbaar te maken:
“Aan boord kostte het me geen enkele moeite mijn gevoelens te verbloemen: dat deed mijn lichaam voor mij. Het deinen van de golven nam mijn lijf volledig over en mijn weerzin tegen deze reis, tegen de aanstaande parade langs familieleden over wie ik nooit eerder had gehoord, braakte ik in zure brokken tegen het gebloemde behang van onze hut. De restanten bleven in de kieren van de houten panelen tegen de muur kleven.” En even later: “Eén ding had ik jaren geleden al afgeleerd: hopen tegen beter weten in.” Het verhaal is doordrenkt met woede, deceptie, verdriet, pijn en onrecht. De frustratie druipt van de pagina’s, maar wordt steeds verzacht door zelfspot, droge humor en schrijnende, soms ontroerende observaties.
Een voorbeeld daarvan:
“We waren van elkaar weggedreven, maar vonden elkaar telkens weer terug. Ik zag het pas toen het te laat was.”
En dan die schitterend onheilspellende zin:
“Het naderend onheil, dat mij al die jaren had achtervolgd, was eindelijk hier.”
Met dit soort details trekt Stolk me terug naar mijn eigen tijd in Indonesië. “Ook de kebon, inmiddels te oud om te verpotten, bleef samen met zijn zoons Agus en Hadi, die zijn werk in de tuin en rond het huis langzaamaan hadden overgenomen.” Ik zag onze eigen tuin in Jakarta zo weer voor me.
Bij het eerste hoofdstuk van Henriëtte raakte ik even de draad kwijt. Waarom vraagt Jetty naar papa? Is dit een flashback? Pas na een paar pagina’s valt het kwartje: Stolk zoomt terug in de tijd, naar Jetty’s beleving van het verlies van haar vader. Het duurt niet lang voor de lijn weer helder wordt.
Een terugkerend element in het boek zijn de krachtige metaforen: de vuile dief (de dood), de druipkaars (de schoonvader), de zwarte laarzen (de Jappen). Ze werken als ankers die door het hele verhaal blijven resoneren.
Waar wij altijd geweest zijn is een roman die niet alleen gelezen, maar gevoeld moet worden. Rauw, eerlijk, en vaak pijnlijk herkenbaar. Heen en weer bewegend tussen verleden en heden, tussen wat gezegd wordt en wat verzwegen blijft. Met deze tweede roman heeft Maddy Stolk een familieverhaal afgegeven. Ik ben benieuwd wat volgt: wederom een terugkeer naar het Indische verleden, of een geheel nieuw terrein. Eén ding is zeker: haar stem is er een om te blijven volgen.
1
Reageer op deze recensie
