Advertentie
    Martin Overheul Hebban Recensent

‘Hoe gaat het leven voorbij? Bijna ongemerkt vloeit de ene dag over in de andere. Dag, nacht, licht, donker en alweer een lichte dag. Dat lijkt altijd zo door te gaan tot je beseft dat je laatste dagen naderen. Genoeg geleefd, melden hart en hersenen je. Zover is het niet. Ik geniet nog altijd met volle teugen van het leven, verdriet incluis.’

Met die zeven regels opent ‘Onze levens’, het eerste verhaal in “Dagelijksheden”, een fijne bundeling van columns die Remco Campert tussen 2014 en 2018 driemaal per week schreef voor het Nederlandse weekblad Elsevier. De stukjes, het zijn er 95, zijn zo’n anderhalve bladzijde lang en ze zijn zonder uitzondering om van te smullen.

Campert, die dit jaar 91 wordt, laat in deze bundel zien dat hij nog niets van zijn helderheid, taalvirtuositeit en opmerkzaamheid heeft verloren. Zijn blik is nog steeds scherp, weinig lijkt hem te ontgaan. Zo stelt hij op een bepaald moment vast dat de gasten van het hotel tegenover zijn woning volop gebruikmaken van rolkoffers die een apart geluid veroorzaken: ‘Dat geluid bestond een paar jaar geleden nog niet. Toen zwegen de koffers nog. Sindsdien heeft het zich bij het straatrumoer gevoegd.’ Het lijkt om een kleinigheid te gaan, maar het geeft weer dat de wereld voortdurend aan verandering onderhevig is. Of zoals hij op een zekere ochtend vaststelt: ‘’s Ochtends kwam ik de huiskamer binnen. Er was iets anders dan anders. Het daglicht was lichter.’ In de loop van de nacht hadden gemeentewerkers de acacia die al jaren voor zijn huis stond omgezaagd.

Dat kijken naar de dingen van het leven, of het nu om zijn kat Poef gaat of om zijn herinneringen (‘Zijn ze betrouwbaar? Voor het schrijven doet dat er niet zoveel toe. Fictie is fantasie en die hoeft niet per se op ware feiten te berusten. Mijn herinneringen pas ik aan aan wat ik wens.’), Campert doet het met een aanstekelijke mix van weemoed, verbazing en besef van de werkelijkheid. Weemoed als hij terugkijkt naar het verleden – een man van bijna 91 heeft véél verleden. Hij denkt met warmte aan overleden vrienden als Hugo Claus, Eddy Van Vliet, Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek, Rudy Kousbroek, dichters die voortleven in zijn hoofd (‘Ik moet, zoals nu, hun namen blijven noemen, hun dood niet accepteren. (…) Zo leven mijn oude vrienden voort.’). Weemoed ook als hij aan zijn vader Jan denkt, die op 12 januari 1942 overleed in het concentratiekamp Neuengamme, waar hij opgesloten zat wegens verzetsactiviteiten: ‘Ik ben nu ruim tweemaal zo oud als hij is geworden. Ik ga hem steeds meer missen’.

Verbazing vindt Campert in alledaagse bezigheden als jezelf scheren, wandelen, rondkijken, rommel opruimen. Het levert een bescheiden inkijk in de wereld van een man die beseft dat niet één rivier altijd hetzelfde stroomt (‘Ik doe elke dag dezelfde dingen. Tandenpoetsen, scheren, brood eten, noem maar op. Maar ik doe niet op dezelfde dag dezelfde dingen hetzelfde. Er is immers altijd een volgende dag. En dan zijn dezelfde dingen anders.’). Hij vindt het ook in schrijven, voor een schrijvers tenslotte een alledaagse bezigheid. Maar alledaags is niet per se een synoniem van banaal: ‘Hoop doet leven en leven doet schrijven. Het is zo’n simpele handeling. Je pen op papier, je vingers op het toetsenbord en de wereld ontvouwt zich. Elke dag begint de wereld opnieuw. Ik barst uit in vreugdevol gemompel.’

Rest besef van de werkelijkheid, van de tijd die steeds meer bestaat uit heden en toekomst. Althans, wat daar nog van rest. Campert staat in zijn columns vaak stil bij zijn leeftijd en het vlieden van zoiets ongrijpbaars als de tijd. Dode vrienden komen langs in zijn dromen en die dromen drukken hem met zijn neus op de feiten, ook hij is tijdelijk, een beetje rumoer tussen twee langdurige stiltes in: ‘We maken afspraken om de tijd te markeren. Afspraken zijn een soort reddingsboeien. Wij zijn bang om onder te gaan in de tijd. Daarom hebben we de uitdrukking ‘een zee van tijd’, maar we verlangen naar de oever die het leven is, waar we ons aan vastklampen, bang voor het moment dat onze tijd is gekomen.’

“Dagelijksheden” is een bundel die doet vermoeden dat Camperts tijd nog lang niet is gekomen, zoals ook zijn laatst verschenen dichtbundel “Mijn dood en ik” dat doet vermoeden. Hij is nog niet uitgeschreven, ook al is zijn taal zuiniger geworden, consciëntieus afgewogen. Toch is die taal nog steeds vol luister, elegant, voorzien van een aura van schoonheid. En op schoonheid staat geen leeftijd, die duurt eeuwig. Daarmee draait Campert de tijd een mooie loer.

Reacties op: Op schoonheid staat geen leeftijd

14
Dagelijksheden - Remco Campert
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners