Advertentie
    Martin Overheul Hebban Recensent

Geen idee of Cees Nooteboom een levensmotto heeft of een lijfspreuk, maar afgaande op de honderden reisverhalen die hij schreef, zou het dit wel eens kunnen zijn: ‘Hoe meer we kijken, hoe meer we weten. Hoe meer we weten, hoe groter het raadsel.’ Het lijkt een verwijzing te zijn naar Socrates’ uitspraak ‘ik weet dat ik niets weet’. Er is altijd meer te leren dan je weet, zelfs al kun je een bibliotheek vullen met je kennis, je kunt talloos veel bibliotheken vullen met wat je niet weet. Daar zit meteen ook een van Nootebooms drijfveren om te reizen en tijdens die reizen zo goed mogelijk te kijken, verbanden te zoeken, kennis op te doen en inzichten te vergaren. Al stelt hij zich heel wat bescheidener op als het over dat reizen gaat.

In de onlangs verschenen bundel “Japan”, waarin Nootebooms verhalen over Japan zijn verzameld, negen in totaal, omschrijft hij wat hij doet als volgt: ‘Wat ik doe kun je nauwelijks nog reizen noemen, er wordt niets meer ontdekt, er wordt getoetst, gecontroleerd, ontkend en bevestigd, beelden en ideeën worden tegen de ‘werkelijkheid’ afgewogen, wat ik in laatst instantie ga doen is kijken of Japan wel bestaat, alsof een toeschouwer in een bioscoop het doek zou inklimmen om bij de hoofdpersonen aan tafel te gaan zitten.’ In de politiek zou men dit allicht een beginselverklaring noemen. In de wereld van Cees Nooteboom, een veel aangenamere omgeving om in te vertoeven, is het een teken van oprechte ootmoed en ontzag tegenover de bevolking en de mores van het land dat hij bezoekt én zijn bevolking. ‘Een maatschappij die je tot aan haar wortels vreemd is, moet tot aan die wortels bestudeerd worden wil zij niet voorgoed onzichtbaar voor je blijven.’

Dat bestuderen van een nog onbekende en daarna bekende samenleving is een rode draad in de reisverhalen van Nooteboom. Zelden zal een reiziger beter voorbereid zijn vertrokken dan bij hem het geval is. In dit specifieke geval leest hij niet alleen romans van grote schrijvers als Mishima, Kawabata en Tanizaki, maar evengoed klassieke Japanse poëzie en werk van schrijvers als Ihara Saikaku (1641-1693) of Murasaki Shikubu, dichteres en hofdame aan het keizerlijk hof. Ergens tussen de jaren 1000 en 1008 schreef zij “Het verhaal van prins Genji”, een van de oudste en beroemdste romans uit de Japanse geschiedenis. Over dat boek schrijft Nooteboom een bevlogen verhaal dat de lezer ertoe aanzet dat boek ook te gaan lezen. Hij schrijft met dezelfde geestdrift over de tekeningen van Hokusei. Niet om uit te pakken met zijn enorme belezenheid of niet te stillen honger naar kennis, en al evenmin om de lezer rond de oren te slaan met wat hij allemaal weet, maar om inzicht te krijgen in de geschiedenis van de cultuur van Japan.

Dat inzicht leidt tot een geheel eigen manier van kijken en formuleren. Als Nooteboom de zentuin van het voormalige keizerlijk paleis in Kyoto bezoekt, ziet hij met één oogopslag het verschil tussen onze tuinen en die in Japan: ‘Waar wij een tuin “vullen”, maakt een Japanner hem juist leger, zodat de essentie van de dingen zichtbaar wordt. Leeg laten als kunst.’ Dit soort observaties, en zo zijn er heel wat te vinden, maakt van “Japan” een heerlijk boek, ook al is er in de bundeling oudere verhalen niet nieuws onder de zon. Maar wàt er onder die zon te vinden is, is het lezen meer dan waard.

Reacties op: Hoe meer we weten, hoe groter het raadsel

12
Japan - Cees Nooteboom
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners