Lezersrecensie
Eerbetoon aan de marginalen
In deze klassieker heeft Jan Arends een monument opgericht voor mensen die zich moeten zien te redden aan de randen van onze samenleving. De verhalen in zijn bundel worden bevolkt door mislukkelingen, futloze zwervers en andere ongelukkigen; degenen die het leven nooit aan zullen kunnen en weerloos met zich laten sollen.
In het titelverhaal richt een bewoner van een inrichting zich in gedachten tot zijn psychiater. De bewoner heeft het niet gemakkelijk, want hij stinkt, is doof en heeft een spraakgebrek. En zijn overmatige intelligentie zit hem duidelijk in de weg, want de strekking van zijn woorden is: de enige normale persoon ben ik! In zijn betoog moeten behalve de psychiater, ook de broeders, verpleegsters en medepatiënten het ontgelden. Maar het belangrijkste probleem van de hoofdpersoon is dat zijn psychiater van mening is dat hij geheel is hersteld en daarom geen plek in de inrichting meer nodig heeft.
Arends windt er geen doekjes om dat hij als schrijver per definitie ook tot de paria’s van de maatschappij behoort. Het verhaal ‘Barre welvaart’ begint als volgt: ‘De honoraria die een schrijver voor zijn verhalen, artikelen of gedichten vangt, zijn zoals iedereen weet altijd bijzonder hoog geweest.’ De schrijver in dat verhaal is dan ook veel tijd kwijt met het zich ontdoen van de overbodige hoeveelheden geld die hij met zijn werk verdient.
Het beklemmendste verhaal vond ik ‘Vrijgezel op kamers’, waarin een man voor veel geld een kamertje bij een hospita huurt. De kamer heeft geen ramen, hij kan het licht alleen aandoen als het avond is, het is er koud, de muren zijn beschimmeld, wandluizen bespringen hem. Als hij van ellende ziek wordt en zijn baan verliest, krijgt hij ook nog eens minder te eten en doet de hospita de deur op slot. Hij krijgt een emmer als wc. En nadat hij door zijn ziekte zijn matras heeft bevuild, mag hij voortaan op de grond slapen.
Arends was één met zijn personages. In het nawoord dat Inez van Dullemen voor deze uitgave schreef, lezen we het onvermijdelijke einde van zijn carriére: ‘Twee dagen voordat hij zijn nieuwe poëziebundel Lunchpauzegedichten zou gaan signeren […] sprong Jan uit het raam van zijn flat aan het Roelof Hartplein.’