Advertentie

In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog wordt de Amerikaanse officier Michael Hansen uitgestuurd naar zijn geboorteland Duitsland. In de eerste plaats zal hij er als een spion fungeren voor zijn opdracht ‘verhoor en observatie van de vijand’. Door zijn ogen zien we de verwoesting en ontbering van een land in puin, met achter elke straathoek de rook en stank van lijken.    

Het heersende fraterniseringsverbod verbiedt hem de plaatselijke bevolking aan te spreken of zelfs maar te groeten; iedereen is immers een potentiële vijand. Desondanks slaagt Hansen erin contact te leggen met de Duitse Molly, een dame die er haar eigen agenda op nahoudt. Later wordt hij tewerkgesteld op de medische dienst, bij de Psychological Warfare Division die zich onder meer met eugenetica bezighoudt. Hansen wordt belast met het in kaart brengen van een genootschap en diens voorzitter Alfred Ploetz, en dient uit te zoeken hoe een man die ooit bekend stond om zijn communistische gedachtegoed, tolerantie en bewondering voor de joden om hun historische aanpassingsvermogen, de grondlegger werd van de rassenhygiëne.    

Uwe Timm (1940) is naast schrijver ook doctor in de filosofie en geniet grote bekendheid in Duitsland. Met onder meer Mijn broer bijvoorbeeld (2003) zette hij zichzelf op de kaart en sindsdien staan er verschillende prijzen op zijn naam, waaronder de prestigieuze Schiller-Preis. Voor zijn laatste roman deed Timm sinds 1978 onderzoek, getuige daarvan zijn de indrukwekkende lijst naslagwerken achterin het boek en de beschreven onderwerpen als muziek, literatuur en kunst die kloppen met de tijdsgeest.    

Gezien Afred Ploetz enkele jaren voor het einde van de oorlog stierf, wordt Hansen opgedragen diens jeugdvriend Wagner te ondervragen. De intussen tachtigjarige man en overlever van Dachau, bivakkeerde tijdens de oorlogsjaren maandenlang in een ‘literaire onderwereld’ in de kelder van een antiquariaat temidden van verboden boeken. Via veertien uitgebreide gesprekken lezen we een soort dubbele biografie over de levenswandel van Wagner en Ploetz. Decennia geleden studeerden ze samen en deelden het gedachtegoed van socialist Etienne Cabet. In 1884 bezochten ze Icarië, een commune in de VS naar diens utopische model. Hun verwachting er een superieure gemeenschap gebaseerd op gelijkheid aan te treffen met mensen naar Grieks ideaal, loopt uit op een teleurstelling. De mensen zijn er lelijk, overmatig behaard en van gelijkheid lijkt geen sprake. Het geeft Ploetz het idee dat naast een sociale revolutie ook een biologische noodzakelijk is en dat de menselijke soort via teelt en tucht ‘veredeld’ kan worden, wat hij test door middel van erfelijkheidsexperimenten op konijnen.    

In Icarië combineert Timm verschillende stijlvormen wat er mee voor zorgt dat de roman slechts langzaam op gang komt. Er zijn de dagboekfragmenten die officier Hansen bijhoudt, om ‘alles wat lichter te maken en de dingen de afstand van het draaglijke te geven’. De gesprekken met Wagner bevatten uitgebreide socialistische theorieën en omdat Hansens vragen meestal als ‘onverstaanbaar’ worden weergegeven, krijgen we niet altijd samenhangende antwoorden, wat deze stukken nogal zwaar maakt. Tegenwicht wordt geboden in de wat luchtigere passages over Hansen zelf, zijn relatie met Molly en die met huisgenoot George, een fervent ornitholoog. Het resultaat is een gevarieerde maar grauwe roman over de eerste dagen na de Tweede Wereldoorlog waarin Timm de criminele perversie en waanideeën in de geesten van oorlogsmisdadigers vormgeeft.  

Reacties op: Teelt en tucht ten tijde van WO II

32
Icarië - Uwe Timm
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
Gesponsorde boeken