Interludium (3): De goede schilder, de bazige vrouw, de oude bedelaar en het lieve naaistertje

op 05 augustus 2022 door

Een schilder woonde met zijn vrouw in een kleine stad. Ze leidden er een eenvoudig bestaan, wars van luxe of weelde, want de schilder was een wijs en evenwichtig man die volstond met wat het leven hem spontaan te bieden had.
Vreemd genoeg waren er in het land waar hij woonde geen spiegels, zelfs helemaal niets dat was gemaakt van glas. Glas kende men daar immers niet. Men had nooit ontdekt hoe men zoiets kon vervaardigen - niemand was ooit op het idee gekomen om uit een gloeiend hete pasta van zand, kalk en soda een dunne glasplaat te walsen of om er allerlei glaswerk mee te blazen. In het land waar wij hier van spreken, hadden de huizen daarom blinde gaten op de plaats waar glas in een raamwerk hoorde te zitten. Als een ijzige wind door de straten snerpte, moesten de bewoners hun luiken sluiten en kaarsen aansteken, ook op klaarlichte dag. Overal in dat land trokken paarden rijtuigjes met slechts een stoffen kap eroverheen als bescherming, omdat zelfs de knapste koppen met geen mogelijkheid konden bedenken hoe ze de reizigers konden beschutten tegen guur weer zonder hen te beroven van alle zicht. Buitenlantaarns gebruikte men daar enkel als het volstrekt windstil was. Water, wijn en bier dronk men uit houten bekers, porseleinen kopjes of tinnen kroezen. Ja, er bestond zelfs niets in de taal van de bewoners om glas mee te duiden, omdat men het simpelweg niet kende, noch als woord, noch als begrip. In dat bewuste land was niets dus ooit kristalhelder of glashard.
En aangezien spiegels evenzeer een glasplaat vergen, wist niemand heel precies hoe hij of zij er in het werkelijke leven uitzag. Enkel door een weerspiegeling in pakweg een regenplas, een tobbe water of een zilveren schaal konden mensen zich een beeld vormen van hun uiterlijk. Natuurlijk konden ze elkaar ook wel in detail beschrijven hoe ze er uitzagen, maar een nauwkeurig idee van wat ze zich bij hun eigen voorkomen moesten voorstellen, nee, dat hadden ze doorgaans niet. Daar kon men slechts met zekerheid achter komen op één manier: door een geschilderd portret. Want zelfs de beste omschrijving van een gezicht of de helderste reflectie in een vijver of waterplas is niet te vergelijken met wat je in één opslag met je eigen ogen kan zien tot in de laatste details.  
Daarom ook stonden van alle ambachtslieden en kunstenaars in dat verre, vreemde land de schrijvers het allerlaagst en de portretschilders het allerhoogst in aanzien. Deze laatsten konden  immers een mens nauwgezet naschilderen naar de werkelijkheid, tot de fijnste rimpel en de laatste huidplooi toe. Zelfs steen- en beeldhouwers kwamen nooit tot het resultaat dat een bekwaam schilder met zijn samenspel van contouren en kleuren kon oproepen. En omdat de weergave van een gelaat op een linnen doek iets is wat talent en kennis vergt, waren de beste schilders het meest in trek. Zij konden dan ook vorstelijke sommen bedingen voor hun werk.
Nu was onze goedige schilder zelf een degelijk kunstenaar die mooie portretten kon maken. Maar hij wist heel goed dat enkel de rijke burgers van zijn stad zo’n portret konden betalen en hij had te doen met diegenen die zich die buitensporigheid niet konden veroorloven. Daarom koos hij er voor om vooral mensen van eenvoudige komaf te schilderen en slechts een bescheiden som te vragen voor zijn diensten - nauwelijks meer dan wat hij zelf besteedde aan olieverf, penselen en schilderslinnen. Want hoe arm of nederig iemand ook was, de schilder vond dat elk mens minstens recht had op zichzelf, niet enkel als persoon van vlees en bloed, maar ook in de vorm van een getrouwe afbeelding op een doek.
Zijn echtgenote had hij overigens weten te strikken dankzij zijn schilderkunsten. Ze was een kleine, vurige vrouw uit het zuiden die hij als jongeman had ontmoet toen hij op doorreis was door een uitgestrekte vlakte vol mild stromende waterlopen en zacht glooiende heuvels. Van bij de eerste aanblik was hij verliefd geworden op haar, want ze bezat een charme die zijn weerklank vond tot ver buiten de stad waar ze woonde met haar ouders. Ze was van goeden huize, deze jonge vrouw, als dochter van een welstellende burgerman, en de brave schilder had haar weinig meer te bieden dan zijn nobele hart en het mooiste portret dat hij ooit zou maken.
Want aan haar ouders had hij al bij hun eerste toevallige ontmoeting aangeboden om het meisje te schilderen in ruil voor kost en inwoning. Dat had hij zo bedacht als list om een langere poos te kunnen vertoeven in de buurt van diegene aan wie hij zo onverwachts zijn hart had verloren. De ouders stemden in met het voorstel, omdat geen bezit kostbaarder was dan een portret op ware grootte.
Het resultaat was een werk dat werd geprezen door alle kunstkenners uit de wijde omtrek. De schilder wist de burgerdochter minutieus te treffen op het doek; de zuiderzon leek te smeulen onder haar olijfkleurige huid en te fonkelen als groen vuur in haar amandelvormige ogen. En zo verrast was het meisje door haar eigen aanblik en de wijze waarop de goede schilder haar had weten te verlokken met de magie van zijn penseel, dat ze meteen ja zei toen hij spontaan voor haar neerknielde en haar ten huwelijk vroeg.
Ze trouwden en verhuisden naar het stadje van de schilder in het noorden van het land, waar hij zijn atelier inrichtte en ijverig aan het werk ging. Hij werkte hard: des zomers zolang er licht gloorde in de dag, maar langer nog in de winter en dan meestal in het schijnsel van olielampen en kaarsen.
Zijn jonge echtgenote zag dat noeste werk met lede ogen aan, want ze was niet alleen bekoorlijk, maar ook bazig en verwend. Eigenlijk was ze nooit erg lief voor de goedhartige schilder omdat ze vond dat hij zijn talent niet behoorlijk te gelde maakte.
‘Je bent een domkop,’ wierp ze hem dan voor. ‘Je bent de beste schilder van de streek, maar je schildert de armen voor een schijntje terwijl je fortuinen zou kunnen verdienen met portretten van de allerrijksten!’
Haar woorden bedroefden de schilder zeer, want hij hield van zijn vrouw, al was ze een brutaal nest en beschimpte ze hem almaar scherper omdat ze meende dat hij zijn talenten nodeloos verkwanselde.
‘Mij gaat het niet om het geld,’ diende hij haar soms van antwoord, ‘maar om de dankbaarheid van diegenen die ik vreugde kan brengen met mijn werk. Hun blijdschap om het resultaat is mijn grootste voldoening. En leven wij niet naar behoren, vrouw, hebben we niet alles wat we willen? Vertel me eens, wat kom je werkelijk tekort?’
Maar de goedhartige schilder kende zijn echtgenote en hij wist dat ze niet zou ophouden met knorren en zeuren. Dus besloot hij om haar te paaien met een jaarlijks zelfportret, want een kostelijker geschenk was niet te bedenken in dat land zonder spiegels. In de herfst van elk jaar liet hij daarom een feestelijke japon maken door een naaistertje uit de buurt, die zijn vrouw dan aantrok om te poseren voor haar eerstvolgende olieverfschilderij.
Dit naaistertje nu was ijverig, lief en gedienstig. Ze had gouden handen en veel liefde voor haar vak. Ze werkte nooit volgens de laatste mode, maar uitsluitend naar eigen inzichten en ontwerp. Ze naaide en stikte de sierlijkste jurken, met nauwsluitende lijfjes, een lage halsuitsnijding en dubbele plooien in de rok, die ze ook voorzag van elegante pofmouwtjes en afboorde met fijne kanten ruches. En nooit leverde het naaistertje slordig of minderwaardig werk af, want ze was begiftigd met eenzelfde aanleg voor het ontwerpen van kleding als de schilder bezat voor het maken van  portretten. Ze wist ook heel goed dat de schilder krap bij kas zat, omdat hij werkte in opdracht van mensen die het niet breed hadden en om die reden vaak werd bespot in zijn eigen huishouden. Als loon vroeg ze daarom voor elke jurk slechts de kosten van de stof en een ingekleurde houtskooltekening van zichzelf.
Zo verliepen er tien jaren - tien jaren waarin de vrouw van de schilder hem steeds vaker hekelde omdat hij maar niet wou kiezen voor rijke klanten, ondanks alle jurken en portretten die ze van hem kreeg. En toen het tiende jaar was aangebroken en de schilder het nieuwste kleed voor zijn vrouw - een feestelijke polonaise met een roodsatijnen basque - ging afhalen, bleef zijn oog onwillekeurig rusten op de rij van negen houtskooltekeningen aan de muur van de werkplaats van het naaistertje. Het viel hem op hoe de tijd had gewerkt in haar voordeel. Het naaistertje bezat een bekoorlijkheid die alleen maar toegenomen leek in de loop van die negen jaren, want elk volgend portret liet een gelaat zien dat nog zachter, nog warmer en nog lieftalliger was dan het vorige. En hij maakte zijn tiende schets op handgeschept papier, zo zorgvuldig en geconcentreerd als die negen andere keren en stak dat vervolgens in een grote kaft met de belofte dat hij de tekening de volgende dag ingekleurd en met een mooie lijst eromheen zou terugbezorgen. Vervolgens nam hij het grote pak met daarin de nieuwste jurk van zijn vrouw onder de arm en stapte de gure, herfstige avond in.
De weg naar huis voerde langs een stadgracht en een stenen bruggetje dat precies uitkwam op de straat waar de schilder woonde. Aan de hemel hadden zich inmiddels donkere wolken samengepakt, terwijl een kille wind in steeds ruwere vlagen door de naakte takken van de bomen langs de grachtkant speelde. Op het bruggetje zat een oude man ineengedoken tegen een lage muur, met hoog opgezette kraag en uitgestoken hand. Hij werd door iedereen genegeerd, maar de schilder hield de pas in, tastte in zijn zakken, vond daar een muntstuk en drukte het in de hand van de bedelaar. Die keek op naar de schenker en dat was de schilder vreemd te moede, want het leek alsof de grijsaard tot in het binnenste van zijn ziel kon kijken en zag wat daar allemaal wroette en woelde. De oude bedelaar bedankte de schilder voor zijn gift en wees omhoog naar de zwarte wolken die zich boven hun hoofden hadden samengebald, terwijl hij zei:
‘Het is een kwade wind die niemand voordeel brengt, schilder - want van de vlekken en vegen op uw hand kan ik uw ambacht aflezen. En vandaag fluisteren zijn vlagen me meer in het oor dan ik normaal van hem te horen krijg. Een vreemde nacht kondigt zich aan, misschien wel de vreemdste van het jaar. Het wordt een nacht van regen die wast en reinigt, die wegspoelt, beschermt en vernietigt. En zo zal de wereld er morgen weer heel anders uitzien.’
De schilder sloeg weinig acht op de raadselachtige woorden, groette de oude man ten afscheid en vervolgde zijn weg. Thuisgekomen, kleurde hij de houtskooltekening in, maakte er een lijst omheen en plaatste het werk op een schildersezel. Hij bezag de tekening nog lange tijd voor hij ten slotte zijn atelier verliet en het woonvertrek betrad waar de negen portretten van zijn vrouw in een vorstelijke rij aan de muur hingen. En ook deze bekeek hij ditmaal met meer dan gewone aandacht. Ook nu, net als eerder in de werkplaats van het naaistertje, viel hem op hoezeer de jaren hun spoor hadden getrokken over het voorkomen van zijn vrouw. Maar in haar geval had de tijd de schildershand niet geleid naar zachte en vriendelijke trekken, maar naar een gezicht dat de wereld steeds norser en ontevredener aankeek. Want in elk volgend portret leken de lijnen in het gelaat van zijn gade zich verder te verharden.
Hij ging de schildersezel met de houtskooltekening halen en plaatste die naast het negende portret. Het contrast kon niet groter zijn: tegenover de mildheid van het naaistertje bespeurde hij slechts gramschap in het voorkomen van zijn eigen vrouw. En precies op dat ogenblik kwam zijn echtgenote binnen. Ze had haar man horen rommelen in het huis en wou haar nieuwste jurk komen keuren. Ze trof de schilder voor beide portretten en begreep meteen wat er speelde.
‘Wat?’ riep ze uit. ‘Zou je mij durven vergelijken met een onooglijke naaister uit een of andere achterbuurt?’ Ziedend wees ze naar beide afbeeldingen. ‘Jij dwaas, in niets lijk ik op dat malle, schrale schaap!’
‘Dat zie ik,’ antwoordde de goede schilder rustig. ‘Mijn werk kan niet duidelijker zijn. Ik zie zachtmoedigheid tegenover toorn, gelijkmoedigheid tegenover wispelturigheid, mededogen tegenover onverdraagzaamheid, volharding tegenover ongeduld.’
‘O, zit dat zo?!’ beet zijn vrouw hem toe, terwijl ze de houtskooltekening van de ezel griste en naar de achterdeur liep. ‘Nou, dan mag dat zachtmoedige vrouwtje van jou vannacht in open lucht slapen, in het gezelschap van haar minnaars, de menners van regen en wind. Eens kijken of ze er dan morgen nog zo zachtmoedig voorkomt!’ De bazige echtgenote opende de deur en wierp het portret in het gras, met de milde trekken van het naaistertje naar de hemel gericht. ‘Zo, daar ligt ze goed! En waag het niet om dat wicht weer binnen te halen! Trouwens, in mijn bed ben je vannacht ook niet welkom, je kan mooi in je atelier slapen als je dat belieft!’ En met die waarschuwing greep de bazige echtgenote een kaarsenhouder en stormde woedend naar boven.
Het werd een onrustige nacht voor de arme schilder die zich zo goed en zo kwaad als het ging installeerde in een gammele leunstoel in de hoek van zijn werkplaats. Daar bleef hij dommelen tot in de ochtenduren, voortdurend opgeschrikt door de dikke regendruppels die neer roffelden op de dakpannen en tegen de eikenhouten blinden. En telkens als hij wakker schoot, dacht hij aan het arme naaistertje dat onbeschermd in zijn achtertuin lag, weerloos in haar kwetsbare jas van houtskool op roomkleurig perkament, terwijl de herfststorm de hele lange nacht over de daken joeg. Maar hij kende zijn vrouw en durfde niet naar buiten te gaan om haar terug te halen voor het daglicht begon te gloren.
Ten langen leste stond hij op, laat in de ochtend, stijf en stram. Hij opende een achterdeur en liep de tuin in om te redden van de tekening wat er nog van te redden viel. In het kwaadste geval zou hij de lijst nog kunnen gebruiken voor een nieuwe tekening van het naaistertje.
Maar wie beschrijft zijn verbazing toen hij de houtskooltekening geheel onbeschadigd aantrof in het hoge gras? Het naaistertje glimlachte hem toe, vriendelijker en milder dan ooit, ongerept, zonder enige scheur of schade. Beduusd raapte hij de lijst met de tekening uit het gras en ging die wegbergen in zijn atelier. Vervolgens liep hij naar de woonkamer.
Daar wachtte hem een tweede verrassing, groter en veel schokkender nog dan de eerste. Want de negen schilderijen van zijn vrouw aan de muur leken wel gesmolten in hun lijst, als had iemand een kaars aan de olieverf gehouden. Alles was uitgelopen tot een schreeuwerige smurrie, het leek wel of alle kleuren een strijd op leven en dood met elkaar hadden geleverd en in de loop van dat genadeloze gevecht gezamenlijk ten onder waren gegaan in een chaos van strepen en vlekken. En toen even later ook zijn bazige vrouw naar beneden kwam, viel haar oog meteen op haar negen schilderijen die wel gegeseld leken door een gordijn van dikke regendruppels, een hele nacht lang. Nadat ze van haar verbijstering was bekomen, schold ze de schilder uit voor alles wat lelijk en loos was, want ze verdacht hem natuurlijk van die verwoesting. En dat was meteen het laatste wat ze ooit tegen hem zei, want daarop pakte ze zonder verdere omhaal haar koffers en verdween ze voorgoed uit het leven van de schilder.
Dat deerde de goede schilder echter niet.
Want hij dacht slechts aan de houtskooltekening die hij diezelfde dag nog zou bezorgen aan het lieve naaistertje, ingekleurd en wel.
En het leek alsof het naaistertje in de houtskooltekening dit ook heel goed wist, want ze keek hem zo mogelijk nog lieftalliger aan van onder haar wimpers op haar kostbare handgeschepte perkament.     



Reacties op: Interludium (3): De goede schilder, de bazige vrouw, de oude bedelaar en het lieve naaistertje