Charlotte Van den Broeck: “Het perfecte kunstwerk is een verlangen en een vrees tegelijk”

op 13 november 2019 door

Charlotte Van den Broeck (1991) debuteerde begin 2015 op overdonderende wijze met Kameleon, waarvoor haar de Herman de Coninck Debuutprijs werd toegekend. Als dichter die ook op het podium in haar element is, bleek zij dat jaar de revelatie van Saint Amour. In oktober 2016 opende ze met Arnon Grunberg de Frankfurter Buchmesse. Kort nadien verscheen Nachtroer, haar tweede bundel, waarmee ze de Paul Snoekprijs won.

Waagstukken is haar prozadebuut. Het boek is een mengvorm van feit en fictie, een onderzoek naar waarom het mis ging met dertien (het getal is niet voor niets het ongeluksgetal) architecten. Ze stelden alles in de waagschaal om het voor hen ultieme gebouw te creëren. Maar ze ondervonden kritiek, jaloezie. Er gingen dingen mis. Wat is daar de oorzaak van? Charlotte bezoekt dertien mislukkingsplekken. Waagstukken is een boek over falen geworden en wat dat voor invloed heeft op mensen. Het boek gaat ook over haar zelf. Ze heeft in haar schrijverschap ook last van het architectenvirus: streven naar perfectie, bezetenheid, risico’s nemen. Dit boek is voor Charlotte Van den Broeck het eerste ‘waagstuk’ in proza. Het is een prachtig boek!

In de pers wordt de nadruk gelegd op het plegen van zelfmoord door de architecten als ze zien dat ze gefaald hebben. Daar is echter maar in een paar gevallen sprake van. Dit boek gaat echt over veel meer. Als lezer wil je steeds meer weten. Je gaat zoeken op internet, zoekt filmpjes. Je gaat als het ware mee op het avontuur van de schrijfster.

Wij kregen de kans Charlotte te interviewen. Een buitenkansje!

(Foto gemaakt door Pablo Cepeda)

02044242eade13dad719541aa73d8513.jpg

 e62fd9c7cc73219754ac1246140681e6.jpg

Je begint je boek dichtbij je roots. Het wegzinken van het zwembad in Turnhout. Er is van alles mis met dat zwembad, dat uiteindelijk maar een paar maanden open is geweest. Je noemt de architect niet en van zelfmoord van hem/haar is helemaal geen sprake. Gewoon een legende uit de stad.  Ligt daar de kiem van je boek? Op zoek gaan naar mislukkingen?

Mijn onderzoek naar architectuur en zelfmoord begint inderdaad bij die ‘urban legend’ over het zwembad van Turnhout. De architect zou zich uit schaamte over alle mankementen hebben opgehangen in de kelder van het zwembad – zo werd het althans verteld. Folklore ontstaat in deze casus heel kort op de feiten.
Hoewel de zelfdoding niet ‘echt gebeurd’ is, is het niet zomaar een legende. Het is allerminst een onschuldig verhaal. Er schuilt een waarheidsprincipe in, urban legends worden tenslotte doorverteld alsof ze waar zijn, omdat we ze aannemelijk vinden. Bovendien is het verhaal een beschuldiging. Blijkbaar zit daar iets: als een gebouw mislukt, dan moet de architect daar de hoogste verantwoording voor af leggen. Dat mechanisme wilde ik onderzoeken: hoe wordt een ingreep in de openbare ruimte een persoonlijke mislukking voor de architect, in die mate dat hij eraan ten onder gaat?

“De zompige bodem van mijn geboortestreek en alles wat me daarin vastzoog, liet langzaam los, terwijl het zwembad van Turnhout bezig was weg te zinken.”

 (Foto: Eduard Van der Nüll)

ba01faa871ed47ad490627d03b0441e3.jpgDan moet je de architecten nog gaan vinden en de locaties? Hoe pak je dat aan?

In 2015 was ik in Wenen voor een lezing. Ik raakte aan de praat over de Wiener Staatsoper, vandaag een architectonisch meesterwerk, maar toen hij gebouwd werd (vanaf 1861) was de opera het mikpunt van burgerlijke spot. De voornaamste kritiek was dat het gebouw zijn monumentale werking niet kon waarmaken en in de straat leek weg te zinken in plaats van er majestueus bovenuit te torenen. In spotrijmpjes klonk het: de ‘versunkene Kiste’. Na jarenlange laster en slechte kritieken pleegde architect Eduard Van der Nüll zelfmoord.

De gelijkenissen met de wegzakkende kelder van het zwembad van Turnhout was bijna te mooi, of beter, te grimmig, om waar te zijn.  Bovendien was er in dit verhaal een duidelijk causaal verband tussen de ‘mislukking’ en de zelfdoding.  

Van hieruit ging ik op zoek naar soortgelijke verhalen. Elk verhaal dat ik tegenkwam, vertakte in twee nieuwe verhalen enzovoort, het leek een eindeloos fenomeen. Ik koos ervoor om dertien (!) verhalen te kiezen die ik representatief vond. Een selectiecriterium daarbij was ook dat het gaat om gebouwen uit de Westerse wereld, omdat ik denk dat de verhalen iets vertellen over hoe wij omgaan met mislukking. Zo trok ik door Europa en de Verenigde Staten op zoek naar de gebouwen die hun architect fataal werden.

 

Nergens is het boek zwaar, altijd is er een lichte toets te vinden. Soms is het zelfs hilarisch. Ik denk aan het verhaal in Verchin waar de l’eglise Saint-Omer staat met zijn gedraaide toren. Hier komt volgens mij het best naar voren dat je boek een combinatie is van fictie en essay. Het zou allemaal zo gebeurd hebben kunnen zijn. Volgens mij gebruik je wel bronnen, maar of je alles tot de bodem toe hebt uitgezocht? Je laat je verbeelding en die van de lezer wel aan het werk.

Bij het schrijven van dit boek heb ik ontdekt dat de waarheid de verbeelding overstijgt. Het hoofdstuk over de Saint-Omer-kerk in Verchin is daar een goed voorbeeld van. De kleurrijke, heemkundige figuren die ik in de context van de scheve kerktoren daar mocht ontmoeten, had ik zelf niet kunnen verzinnen.
De architecten en gebouwen die ik onderzoek in Waagstukken zijn voor het merendeel in de vergetelheid geraakt. Ik heb zo nauwkeurig mogelijk onderzoek gedaan, maar vaak stuitte ik op een gat in de overlevering of op tegenstrijdig materiaal. Ik moest aan de slag met wat aan informatie voorhanden was en soms was dat teleurstellend weinig. Soms heb ik die gaten laten bestaan in het onderzoek, op andere plekken heb ik dat literair opgelost. Waagstukken is geen louter journalistiek of documentair werk, de essayvorm laat alle vrijheid toe en daar heb ik mee geëxperimenteerd.

 

Je begint je boek met liefst drie motto’s. Een ervan is een citaat van Rem Koolhaas & Bruce Mau: ‘Architecture is a hazardous mixture of omnipotence and impotence.’ Koolhaas (overigens zoon van schrijver Anton Koolhaas) kennen we van gebouwen als de Kunsthal in Rotterdam en het CCTV(China Central Television)-gebouw in Peking, dat door zijn opmerkelijke vorm ‘de grote broek’ genoemd wordt. Mau is een Canadees ontwerper, die zich later richtte op onder meer de architectuur en in 1998 een 43-puntsprogramma genaamd  "Incomplete Manifesto for Growth” lanceerde. Dat programma probeert ontwerpers en creatieve mensen te helpen nadenken over hun ontwerpproces. Waarom heb je voor dit citaat gekozen? Is er een relatie tussen dit citaat en je schrijverschap?

Ik koos voor het citaat omdat daarin eigenlijk het hele onderzoek samenkomt. Vrij vertaald: architectuur is een gevaarlijke mengeling van almacht en onmacht.
De architecten in mijn boek zijn voor het merendeel idealisten, misschien zelfs utopisten, die hun vak zien als een manier om de wereld en de toekomst vorm te geven, denk maar aan Gaston Eysselinck. Ze zijn hun tijd vooruit zoals Lamont Young in Napels, of  hebben megalomane ideeën zoals architect Crump in Pine Valley. Er spreekt een enorme bravoure uit hun pogingen, een onoverwinnelijke geestdrift, die omslaat in complete mislukking, door de beperkingen van hun tijdsgewricht, de kritiek, soms door onkunde.  Ze riskeren zichzelf.
Ik denk dat je dat idee van almacht, het idee dat alles mogelijk is, ongebreideld, in eerste instantie nodig hebt om jezelf tot creëren te brengen. Moed verzamelen voor een meesterwerk. Waarom zou je je verbeelding aan banden leggen? Natuurlijk stuit je vrijwel meteen op allerlei vormen van onmacht, zoals de grenzen van je eigen kunnen. Uit mijn eigen schrijfproces weet ik dat dit pijnlijk kan zijn. Voor de architecten in mijn boek was het ronduit gevaarlijk, het heeft hen hun leven gekost.

(Foto: De Grote Post in Oostende; foto: Charlotte Van den Broeck)

 01e4df362e7fe266928ae0bd49973757.jpg

Architecten zijn vaak visionairs, creëren iets in de publieke ruimte en zijn daardoor kwetsbaarder voor kritiek. Ik denk daarbij aan al die vaak niet zo flatteuze bijnamen die gebouwen in de volksmond krijgen. Waagstukken gaat onder meer over de drang te willen scheppen, iets te wagen. De architecten zijn ook op zoek naar waardering, willen gezien worden. Je doet onderzoek naar het waarom van hun falen en hoe ze met falen omgingen. Je doet in het boek ook aan zelfonderzoek, je plaatst jezelf in het boek. Ik denk aan de passage waar je schrijft over je korte carrière als achtjarige als beeldend kunstenaar aan de tekenacademie van Arendonk. Citaat: “ “Ondanks mijn verlangen naar perfectie ben ik voor weinige dingen zo bang als voor voltooiing. Altijd kan het beter.” Hoe zit dat met jouw scheppingsdrang en jouw faalangst en het omgaan met falen?

Ik weet niet of die architecten per sé op zoek waren naar waardering, maar het uitblijven ervan moet je niet onderschatten. Je zoekt als kunstenaar in de eerste plaats naar erkenning, denk ik, dat het gezien wordt wat je probeert te doen. Willen gezien worden is een basisbehoefte van elke mens. Het wordt gevaarlijk voor architecten, kunstenaars, maar ook breder in eender welke beroepscategorie, als je gaat samenvallen met je werk, als je jezelf manifesteert door je werk, of dat nodig hebt om jezelf te laten zien.
Een mislukking is niet iets wat je graag aan de wereld toont, en als we het al tonen is het meestal om te laten zien hoeveel beter we erdoor zijn geworden. Failing forward en dat hele zelfhulp-discours dat eigenlijk via een omweg zegt: je mag niet mislukken, elke mislukking is gelegenheid om beter te worden. In zo’n klimaat gedijt perfectionisme en faalangst goed.
Ik denk dat ik soms last heb van hoge idealen voor de literatuur. Daarbij heb ik zoals ik het boek laat zien een perfectionistisch karakter. Dat maakt me in periodes heel faalangstig.
Toch denk ik dat perfectie in de kunst oninteressant is. Saai, onuitstaanbaar misschien zelfs. Het perfecte kunstwerk is een verlangen en een vrees tegelijk.

“Bij alles heb ik steeds het volmaakte voor ogen. Het onhaalbare steekt me aan: als het niet kan, wil ik het des te meer, roekeloos wil ik het, ongeacht de gevolgen.”

De cover is een schilderij van L.S. Lowry getiteld ‘The Sea.’ Het schilderij wordt verdeeld door de ‘open rug’ van het boek. Dekt de cover de lading van het boek voor jou?

Ik zag dit seascape van Lowry in de Kelvingrove Gallery in Glasgow. Alsof ik erin werd opgezogen. Ernaar kijken was erin verdwijnen. In het museum hing ook nog vroeger werk van Lowry: drukbevolkte industriescènes, stomende fabrieksschoorstenen, arbeiders, bedrijvigheid. Hoe ver stond deze lege zee, dit bijna niets van zijn ander werk af. Ik ontdekt dat Lowry zijn schilderscarrière begonnen was met die zogenaamde ‘mill scenes’. Daarna haalde hij alle achtergrond weg, geen architectuur of achterplan meer, maar dezelfde bedrijvigheid, dezelfde veelheid aan figuren tegen een witte achtergrond. Aan het einde van zijn leven schilderde hij enkel nog seascapes. 

Doorheen zijn carrière heeft hij zijn doeken letterlijk leeggehaald. Dat vond ik zo’n mooie symbolische lading voor de tragische architectenlevens die ik onderzocht. Voltooiing en leegte raken elkaar in dit doek, dat vond ik een goede en serene manier om de thematiek mee te verbeelden.

 9e094aa393ad6eb1029495313850cc16.jpg

Dan valt ook de vormgeving van het boek op. Het lijkt niet af. De rug ontbreekt en je kijkt op de verschillende kleuren van de bindingsdraden. Wat is de gedachte achter deze vormgeving?

Ik wilde dat het boek iets ‘onaf’ zou hebben. De binding op de rug is zichtbaar en ook de kaft is iets dunner dan bij andere paperbacks. Hierdoor refereert de vormgeving aan het binnenwerk van een boek. Het heeft iets broos. Tegelijk is het boek ingebonden en daardoor juist heel stevig. Die dynamiek spiegelt de inhoud. Vormgever Steven Van der Gaauw en ik zaten precies op één lijn. De draden binnenin laten de constructie zien: de maquette van het boek.

 

De twee vrouwelijke ‘architecten’, Margaret en Frances MacDonald lijken er een beetje met de haren bijgesleept. Waren dit de enige vrouwen die je bij je onderzoek tegenkwam?

Bij de haren bijgesleept? Ik heb juist heel bewust over Margaret en Frances MacDonald geschreven om genderongelijkheid aan te kaarten. Pas eind negentiende eeuw is er voor het eerst een vrouwelijke architect afgestudeerd en dan nog heeft het lang geduurd voor vrouwen het beroep echt konden uitoefenen. Vaak werd hun rol beperkt tot design of meubelontwerp. Vrouwen hadden heel lang geen plek in de openbare ruimte, laat staan dat ze die mee mochten vormgeven. De vrouw is eeuwenlang geassocieerd met de ‘private ruimte’: het huis en daarin het familiale leven was haar plek, waarin ze haar ‘natuurlijke’ zelf kon realiseren en de man was diegene die cultuur uitdroeg in het publieke leven in de openbare ruimte. Een sterk reducerende dichotomie waar we vandaag de dag nog steeds niet helemaal vanaf zijn. Omdat ik met historische casussen werkte, stoot ik onvermijdelijk op die historische ongelijkheid. De architecten in mijn boek zijn mannen omdat vrouwen heel lang geen plek hadden in de architectuurgeschiedenis. Als ze er al waren, dan werd hun werk als ondergeschikt beschouwd en raakten ze in veel gevallen niet eens in de overlevering.

 

Toch wel ontnuchterend voor jou dat het merendeel van de architecten op een andere manier dan door zelfmoord gestorven is. Of niet?

Nee, het was me er niet om te doen om zelfmoorden te ‘bewijzen’. Het onderzoek is niet geslaagd of mislukt omwille van aantoonbaarheid. Het is een literair onderzoek, nadenkend, twijfelend, worstelend, een aftasten. Ik ben blij dat ik geen sluitende antwoorden heb gevonden. Ik vind dat zelfs hoopvol.

 (Foto: August Sicard von Sicardsburg)

4857b2918ef29055256269ed975e754a.jpgWat is jouw favoriete verhaal?

Ik vind het een beetje cynisch om een favoriet verhaal te kiezen gezien de thematiek van het boek, maar de geschiedenis van Eduard van der Nüll en August Sicard von Sicardsburg, het architectenduo van de Wiener Staatsoper, vind ik ongelooflijk ontroerend en pijnlijk. Het verwantschap tussen die twee kunstenaars is een diepgaand verbond en ze hebben zich samen zo goed mogelijk staande proberen te houden. Hun leven en werk was redelijk goed gedocumenteerd, en zo heb ik het gevoel dat ik hen als personage heb kunnen reconstrueren.

 

Er zitten heel wat verwijzingen naar andere kunsten in. Schilder Hockney komt een aantal keren terug als het over water gaat. Je verwijst naar de klassieken met de Metamorphoses van Ovidius (Eros en Thanatos, het verhaal van Pygmalion dat je koppelt aan schoonheid). Ik vond de verwijzing naar Kamers in Oostende van Koen Peeters en Koen Broucke wel opvallend. In dat boek schrijven ze over de ontmoeting met jou en jij schrijft over de tocht met hen in Oostende. Ook zij zijn op zoek naar het verhaal van Gaston Eysselinck, net als jij? Wisten jullie dat van elkaar? Is de verwijzing naar elkaar toeval?

Geen toeval! We berichten over dezelfde dag in onze boeken. Samen met schrijver Koen Peeters, schilder Koen Broucke en architect Koen van Synghel ging ik in december 2017 in Oostende op zoek naar het verhaal over Gaston Eysselinck. 

Koen Peeters en Koen Broucke cureerden toen samen een nummer voor literair tijdschrift DWB over Oostende – het fungeerde als vooronderzoek voor de roman Kamer in Oostende. Een deel van dat vooronderzoek bestond eruit dat ze met mensen die een link hadden met de badstad op tocht gingen. Ik had Koen verteld over mijn ‘architectenboek’ en dat één van mijn casussen over Gaston Eysselinck en De Grote Post zou gaan. Uiteraard had Koen P. ook al een passage voor dat gebouw voorzien in zijn Oostende-roman, het is een architectonisch hoogtepunt. We hebben die research samen gedaan, een heel fijne methode dat zo op twee manieren neerslag heeft gekregen.

 

Volgens mij zit er een kentering in het boek. In het negende verhaal dat gaat over Fort George, een fort dat niet vanaf zee gezien mag worden, gaat de architect de zee op, ziet een toren van het fort en pleegt zelfmoord. In werkelijkheid stierf de man toen hij 81 jaar was aan de tekentafel. Het is het zoveelste verhaal waarin het gaat om een legende. Volgens mij ga je vanaf dat moment meer reflecteren op je zelf. Klopt dat?


De zoektocht wordt in het boek inderdaad naar het einde toe steeds persoonlijker. Het is een interpretatie dat ik meer ga reflecteren op mezelf, omdat dat verhaal niet ‘waar’ blijkt – een boek heeft zoveel waarheden als er lezers zijn.

 

Is er een relatie tussen Waagstukken en je poëzie? Ik denk ineens aan het gedicht ‘Je zou een boot willen bouwen’ uit je bundel Nachtroer. Daarin wordt vanuit het idee een boot te bouwen, een ontwerptekening gemaakt, wordt er onderzoek gedaan naar hoe de boot het best gebouwd kan worden, buiten- en binnenkant. De laatste twee regels luiden:

de boot zou klaar zijn

waarheen?

Ik had Waagstukken niet kunnen schrijven zonder mijn poëziebundels, dat werk is het fundament van mijn schrijverschap, en ik geloof dat alles wat je schrijft in ‘je pen’ blijft zitten.
Inhoudelijke verbanden laat ik over aan lezers en literatuurwetenschappers.

 

De laatste zin van  Waagstukken is allesonthullend. We gaan hem hier niet onthullen. Lezen dit boek!!

Charlotte Van den Broeck: Behoud de begeerte, 14-10-2019. Gedeelte uit Waagstukken.

Charlotte Van den Broeck: Nacht van de poëzie Utrecht, 17-9-2016. 

VPRO-Boeken, 29-9-2019. Vanaf 16.34 min.

 

 



Reacties op: Charlotte Van den Broeck: “Het perfecte kunstwerk is een verlangen en een vrees tegelijk”

Meer informatie

Gerelateerd

Over

Charlotte Van den Broeck

Charlotte Van den Broeck

Charlotte Van den Broeck (1991) debuteerde begin 2015 met Kameleon, waarvoor ha...

Gesponsorde boeken