Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Lees en huiver... met Inge Ipenburg

door Hebban Crew 4 reacties
Speciaal voor de eerste zomereditie van de Thriller Tiendaagse schreven Nederlandstalige misdaadauteurs een verhaal in de serie ‘Lees en huiver…’ Elke dag lees je op Hebban een nieuw kort verhaal. Vandaag is het de beurt aan Inge Ipenburg, met het verhaal ‘Onderweg’.

Onderweg

Daar sta ik dan. Midden in de nacht, op 5 meter hoogte tegen mijn gevel geplakt. Het leek een goed idee toen ik naar boven keek en het slaapkamerraam op een kiertje zag staan. Met de ladder uit de schuur kon ik makkelijk op de brede rand aan de buitenkant van het raam klimmen, het haakje losmaken zou een fluitje van een cent zijn en ik was binnen, zonder dat iemand hoefde te weten dat ik voor de zoveelste keer mijn sleutels vergeten was toen ik voor het slapengaan een laatste rondje met de hond maakte.

Mijn dochter hoefde ik niet te bellen, haar vriend hoefde niet in de auto te stappen en ook hoefde ik niet de blikken vol medelijden te trotseren van Wessel, de buurman die ongetwijfeld zonder morren de deur voor me zou open doen en daarna de sleutels angstvallig bij zich zou houden ervan uitgaande dat ik in mijn toestand vermoedelijk de volgende dag zijn hulp weer nodig had.

In mijn toestand. Zo wordt er ongetwijfeld over me gepraat. Door Mieke zijn vrouw, door alle andere buren, door mijn dochter Lex en waarschijnlijk door alle lezers van de landelijke krant waarmee Bram, mijn echtgenoot zijn strijd tegen kanker en het accepteren van zijn naderende dood gedeeld heeft in een dagelijkse column.

Bram had een extreem agressieve vorm van longkanker. Toen het ontdekt werd een half jaar geleden was het al uitgezaaid naar zijn darmen en lever. De prognose was een paar maanden. Met hormoontherapie en chemo, maar vooral door zijn noodzaak om het hele proces minutieus te beschrijven en te delen met een steeds grotere lezersgroep kon hij het rekken tot een half jaar. Hij hield van aandacht. Hij hield van het feit dat hij ineens een graag geziene gast was in televisieprogramma’s om over van alles en nog wat zijn mening te geven. Mee te praten. En dat was goed. Op de één of andere idiote wijze werd het laatste half jaar met Bram misschien wel het mooiste half jaar uit mijn leven. Uit ons leven. Als een situatie onomkeerbaar is telt elke seconde harder, kleurt alles heftiger, geurt alles zoeter, smaakt alles beter.

Drie weken geleden is hij gecremeerd en we hadden een jaar eerder, toen kanker nog niet de spil was waar ons leven om draaide, nooit kunnen bedenken dat zijn uitvaart zo massaal bezocht zou worden. Ramptoeristen vond ik het stiekem en tegelijkertijd hoopte ik dat hij ergens op een wolk zou zien hoeveel mensen de moeite namen om hem op zijn laatste tocht te begeleiden. Zijn afscheid van het leven was groots en glorieus.

Daar dacht ik allemaal aan toen ik de ladder beklom en aan het feit dat ik niemand onder ogen wilde komen sinds de crematie. Ik lijk wel te verstenen als ik alle medelijdende blikken zie met op de achtergrond flikkerend het onbegrip voor mijn gebrek aan emotie. Getoonde emotie dan, laat dat duidelijk zijn. Want in mijn eentje ben ik doorlopend één grote hoop snotterende ellende.

Ik merk niet eens meer dat ik huil en als ik ’s ochtends wakker word, nadat ik met behulp van anderhalve fles wijn een paar uur redelijk bewusteloos ben geweest, vraag ik me af of tranen ooit op kunnen raken omdat mijn kussen weer drijfnat is. Zou mijn hart van tranen zijn of zo? Want er was eerst een grote zwaarte in mijn borst, maar langzaamaan begint het een groot gat te worden. Reuze zielig allemaal, maar het brengt me geen stap verder bij de oplossing die ik moet vinden om mezelf uit mijn benarde positie te bevrijden. Het is dinsdagavond kwart voor twaalf en ik, Marleen Verschuren, 49 jaar en geestelijk gezond, hang op vijf meter hoog aan mijn slaapkamerraam tegen de gevel geplakt nadat ik de hond ging uitlaten. Dat geestelijk gezond kan ik waarschijnlijk beter achterwege laten.

Mijn mobiele telefoon zit in mijn achterzak. Geen sleutels meenemen wel een telefoon, toch niet helemaal idioot blijkbaar, maar aangezien ik me met mijn beide handen aan het raam vast geklauwd heb om niet naar beneden te vallen, zie ik geen enkele mogelijkheid om het ding tevoorschijn te halen. Bram had ongetwijfeld moeten lachen als hij me hier had zien hangen, maar als Bram nog had kunnen lachen, had ik hier niet gehangen en meteen schiet mijn keel weer dicht en lopen mijn ogen over, mijn knieën worden slap en ik zou het liefste mijn verkrampende handen ontspannen.

‘Hou op,’ Ik schrik van mijn eigen stem. Ga ik nu al tegen mezelf praten bij gebrek aan gezelschap? Blijkbaar, want ik zeg het nog een keer. ‘Hou op!' Het helpt wel, want ik stop inderdaad met huilen en de neiging om los te laten verdwijnt gelukkig ook. Daarbij is het blijkbaar het sein voor Whisky, onze hond, die in eerste instantie rustig op het terras lag te wachten tot ik klaar zou zijn met mijn circusact, om onbeschrijfelijk zielig en luid te gaan janken. Jaloers kan ik erom worden. Het vanzelfsprekende gemak waarmee honden meelij met zichzelf kunnen hebben zonder zich te schamen.

Hoe kon ik zo suf zijn? Ik had kunnen zien dat het raam naar buiten opengaat en dat ik met de ladder alleen maar aan de scharnierkant van het raam zou kunnen komen. De richel is te smal om me langs het raam te wurmen. Daarvoor zou ik het eerst dicht moeten duwen, maar als ik het haakje losmaak, zwiep ik meteen 5 meter naar beneden om te pletter te vallen op zandkleurige terrastegels. Daarbij heb ik zo’n grote stap moeten maken van de ladder naar de rand waarop ik sta, dat ik niet meer terug kan. Maar als ik niks doe….

Ik probeer het toch, steek mijn linkerbeen uit, raak met de punt van mijn sneaker een sport van de ladder, hoera!, maar als ik mijn linkerhand iets probeer te verplaatsen, komt al mijn gewicht aan mijn rechterhand en verlies ik mijn evenwicht. Net op tijd heb ik mijn voet weer terug op de richel en klem ik me met beide handen krampachtig vast. Mijn hart gaat als een razende te keer. Jezus. Bijna was ik dus echt te pletter gevallen. Ik weet ineens verdomd zeker dat ik dat echt niet wil. En net zo verdomd zeker weet ik dat dat toch echt gaat gebeuren als ik hier nog lang moet blijven hangen. Mijn knieën trillen, mijn vingers worden langzaamaan gevoelloos. Wat een puinhoop.

Ik kan de buren proberen te roepen, maar ik zag geen licht branden toen ik langs hun huis liep, dus is er een optie over. Het op een schreeuwen te zetten. Fijn ook dat ik deze hele circusact heb uitgehaald om geen overlast te bezorgen en om niemand op het onzalige idee te laten komen dat mijn hersens niet meer in orde zijn. Mijn eerste ‘Help’ klinkt nergens naar. Als Bram in de slaapkamer zou zijn zou hij het niet eens horen. Niet aan Bram denken, verdomme. Ik haal diep adem en probeer mijn buikspieren aan te spannen om volume te produceren. Maar voor ik opnieuw een poging kan wagen is alles om me heen ineens helder verlicht is. Een zaklamp met de kracht van een schijnwerper glijdt zoekend langs de muur. Alsof er misschien nog een idioot tegen de gevel geplakt hangt. ‘Wat moet dat daar!’ Het is een onvriendelijke mannenstem ogenblikkelijk begeleid door vrolijk geblaf van Whisky die het nooit uitmaakt wie er is, als er maar iemand is. En hoewel hij geen fan van uniformen is neem ik aan dat hij net zo blij is om de politieman en zijn collega te zien als ik ben om hem te horen.

Uiteindelijk heeft het nog heel wat voeten in de aarde voor ik binnen ben. De politie was gealarmeerd door de oude zeurpiet aan de overkant. Het gejank van Whisky had haar uit haar bed gejaagd en toen ze iemand langs de gevel zag kruipen, had ze de politie gebeld. Via mijn voordeur bleek het veel eenvoudiger om het huis zonder sleutels binnen te komen, dan via het slaapkamerraam. Dat was de wat droge conclusie van de politieagent die me vervolgens op het hart drukte daar iets aan te doen in verband met de vele inbraken in de buurt. Hij had bedacht dat er een ladderwagen van de brandweer aan te pas moest komen om me naar beneden te krijgen, maar zijn jonge collega zat al in de vensterbank van het naastgelegen raam en moedigde me aan om zijn hand te pakken.

Hij trok me voorzichtig naar zich toe terwijl ik op mijn tenen over het randje schuifelde en toen ik wat beverig op mijn slaapkamervloer landde zei hij: ’Zullen we bij het circus gaan? Jij vertrouwt me tenminste.’ Ik was blijkbaar niet de enige met problemen daar in mijn slaapkamer.

Als ik tien minuten later de agenten naar buiten begeleid, me voor de zoveelste keer verontschuldigend voor alle overlast, rijden Mieke en Wessel de straat in. Geschrokken door de politieauto bij mij voor de deur springen ze beide uit de auto. ‘Niks aan de hand’, zeg ik, 'iemand dacht dat er ingebroken werd.' Ook dat nog, hoor ik ze bijna denken. Maar oom agent laat me daar niet mee wegkomen. Omstandig legt hij uit hoe ik aan de gevel hing om vervolgens een tirade af te steken over de slechte beveiliging van mijn huis. Eikel denk ik en ik kijk maar een beetje naar de grond om de zorgelijk blikken van Mieke te ontlopen terwijl ik Wessel hoor zuchten. Die ziet zichzelf alweer met die klus opgezadeld vermoed ik.

Ik kan de jonge agent wel zoenen die zijn collega onderbreekt. Licht hakkelend van nervositeit, vermoedelijk omdat hij nog nooit de dienstklopper van repliek had gediend probeert hij de stemming er weer een beetje in te krijgen met de woorden: ‘Laten we blij zijn dat mevrouw dat nog niet gedaan had. Anders waren we nooit zo makkelijk haar huis binnen gekomen en had de ladderwagen er inderdaad aan te pas moeten komen. Ze heeft de samenleving heel wat kosten bespaard met haar circusact. Om gesterkt door zijn eigen lef er nog aan toe te voegen dat hij liever een aardige mevrouw van de gevel plukt dan een kat uit een boom. Als ik voorzichtig opkijk krijg ik een enigszins mislukt knipoogje van hem en de mijne die ik terugstuur lijkt ook nergens naar. Meteen zie ik de verwonderde, licht afkeurende blik van Mieke. Denkt ze nou dat ik met die agent aan het flirten ben? Haar ‘Ik zou maar uitkijken als ik jou was’, slaat vast niet op mijn circusact. Ze pakt me al onder mijn arm om me zo snel mogelijk bij de agent weg te voeren, naar haar huis, waar ze me in de gaten kan houden. Zo liefdevol mogelijk ontsnap ik aan haar greep terwijl ik haar het liefst een stomp zou willen geven. Ik zou iedereen daar op mijn stoep trouwens willen stompen, behalve dan mijn galante redder in de nood.

Maar ik doe het uiteraard niet. Ik sla ook het aanbod voor een nachtmutsje af. ‘Nee, ik wil niet iets drinken bij jullie, echt niet. Ik ben moe, ik ga slapen. Welterusten allemaal een bedankt voor de goede zorgen.’ Dit is het moment voor de agenten om naar hun auto te lopen en voor dat Mieke samen met Wessel overstromend van bezorgdheid mijn halletje in kunnen stappen, doe ik de deur dicht en draai hem op slot.

Lees verder op de volgende pagina



Over de auteur

Hebban Crew

1940 volgers
3 boeken
3 favoriet
Hebban Crew


Reacties op: Lees en huiver... met Inge Ipenburg

 

Gerelateerd

Over

Inge Ipenburg

Inge Ipenburg

Inge Ipenburg (1957) is een Nederlandse schrijfster, evenwel vooral bekend als a...