Blogpost: Treesje Bannenberg

Start ZEBRA - VLOG #01 030120 IK GEEF U MIJN WOORDEN (zie blog intro EEN VAN ONS)

ZEBRA IS GEBASEERD OP WARE GEBEURTENISSEN, DIVERSE NAMEN ZIJN FICTIEF.

AMSTERDAM 1953-1963+

DIT IS MIJN VLEES - HOOFDSTUK 1

1953 NEDERLAND TELDE 1100 AANWEZIGE TV-APPARATEN
001
Me moer, waar ik in verkleinvorm naar vernoemd ben, baarde jaar in jaar uit. Ik ben de vijfde uit de eerste reeks. Twee miskramen na mij leverde dankzij het paardenmiddel DES nog eens drie koters op.

002
Mijn vader werkte jaar in jaar uit. Hij had een zaak in kantoorartikelen. Een week na mijn geboorte opende hij een spaarrekening voor me bij de Rijkspostspaarbank en stortte 50 gulden. Het eerste woord dat hij mij leerde was ‘Pa Pier.’

003
De pastoor van de Posthoornkerk in de Haarlemmerstraat wreef in zijn witte knuisten. Hij overtuigde de hele buurt, de Jordaan, de grachtengordel tot aan de Raadhuisstraat toe, dat kinderen krijgen de wil was van God. Ook al had je geen na- gel om je gat te krabben, meneer pastoor schoof geheid aan tijdens het avondmaal en informeerde fanatiek waar de volgende bleef.

004
Me moer had het van horen zeggen. Wijlen Heilig Bruurke van Megen, Broeder Everardus Witte, hulp en toeverlaat, deelde zij iedere dag haar zorgen in haar gebed met hem. Bij het Heilig Doopsel in de Posthoornkerk kreeg ik een vierde doopnaam. Als aandenken. Noodgedwongen werd het Everarda. Later een struikelblok, groot, in de maatschappij. Bij het noemen van mijn vierde was de pen leeg, het lint op, brak er een punt, moest ik oprotten, werd ik opgenomen, vastgehouden, altijd wat.

1954 NEDERLAND TELDE 2800 AANWEZIGE TV-APPARATEN

005
Het was een regenachtige zondagmiddag. Pa Pier zat in de salon op de bank aandachtig de krant te lezen. Om niet om te vallen leunde ik tegen hem aan, de benen gestrekt, en keek naar hem op. Zijn linkerhand masseerde zijn linkerwang. Tussen wijs- en middelvinger kneedde hij stukken vel tot moes. De krant kraakte. Een gouden zegelring schitterde. Langzaam bewoog de hand zich naar boven, naar zijn linkeroor. Met duim en wijsvinger stopte hij zijn oorschelp in de gehoorgang. Geroutineerd duwde hij het geheel op zijn plaats en liet los. De opgerolde vleesprop bleef zitten. Gulzig reikte ik er naar. Pa Pier sloeg een pagina om. Zijn linker wenkbrauw trok hoog op. Gelijktijdig schoot de verkreukelde schelp rechtop uit zijn schulp. Aandachtig las hij verder. Ritmisch kneedde hij zijn linkerwang tot moes.

006
‘Neem je vanavond groene inkt voor me mee?’
‘Voor je nieuwe vulpen?’
Pa Pier keek haar gretig aan. Me moer knikte kil en liep de trap op naar het achterhuis. In haar lichtblauwe kamerjas schoof zij aan tafel in de tuinkamer en staarde uit het raam naar de Kastanjeboom. Voor haar lag haar eigen briefpapier, crèmekleurig omrand met deugdzame bloemen. Haar handen speelden met een zwart wit gemarmerde vulpen. Door de honden achterna gezeten schroefde ze de dop plots los. Goud flitste. Nog één blik op de tuin, de Kastanjeboom, kraste ze gegrepen over het papier. Uiterst geconcentreerd trok haar kin als een bloemkool samen. Met ingehouden adem keek ik vanonder het tafelkleed onaf- gebroken naar haar op en waagde niets te zeggen. Me moer schreef een brief.

007
Pa Pier stortte 23 gulden en 50 cent op mijn spaarbankboekje van de Rijkspostspaarbank.

008
Met een natte duim wreef ik over het gladde zwart wit geëmailleerde plaatje. Ik probeerde het los te peuteren. Het zat vastgeschroefd aan de kerkbank.
‘Per omnia saecula saeculórum…’
‘Ámen.’
Fien stootte me aan en zette me recht. Ze vouwde mijn hand open. Pa Pier deelde uit. Eerbiedig balde ik een vuist. In de palm brandde een cent. De misdienaars haalden acrobatische toeren uit. De lange stok met de rode fluwelen collectezak rustte niet voordat een ieder in zijn buidel tastte. De goudkleurige kwast onder de puntzak zwaaide irritant heen en weer. Er klonk zacht gerinkel van koper en knopen, maar vooral het gesnurk van de buurman, die tijdens de collecte steevast sliep.

009
Hij logeerde regelmatig bij ons. Oom Dréke leed aan mongolisme. Zeiden ze. Hij had veel plezier, was een warmhartig man. Hij kietelde me, speelde, lachte naar me met dat grote markante gezicht. Zonder ophouden. Net als het breien. Tik tik tik, breidde hij pastelkleurige washandjes van katoen. Kronkelig stug.

1955 NEDERLAND TELDE 9500 AANWEZIGE TV-APPARATEN

010
Pa Pier maakte me 's avonds laat wakker en zette me op de po of droeg me naar beneden, naar de wc op de overdekte binnenplaats. Hij zette de kraan van het fonteintje open en nam plaats op het toilet. Wanneer ik klaar was met plassen draaide hij de kraan dicht, trok mijn pyjamabroek omhoog en tilde me op zijn flanellen schoot. Pa Pier verleidde me met zijn lijden. Ik kreeg alle aandacht en droogde zijn tranen. In het geniep duurde onze liefdevolle verhouding voort. We noemden het ons Bijzondere Geheim.

011
Me moer veegde afwezig de kruimels van het broodmes.

012
Ze voerde me elke avond. In de kinderstoel wipte ik naast haar aan tafel heen en weer. Pa Pier zat tegenover ons. Op zijn zwarte kunststof montuur staarde ik weg.
‘Mond open.’
Me moer duwde de lepel tegen mijn lip. Automatisch opende, sloot en slikte ik zoet het hele bord leeg. Met de laatste hap kotste ik geluidloos het hele bord weer vol.

013
Pa Pier stortte 221 gulden op mijn spaarbankboekje van de Rijkspostspaarbank.

014
Als een wapperende schicht sloop er een priester voorbij. Zijn spierwitte collaar stak af tegen zijn pikzwarte soutane. Verlangend keek ik naar de lange rij glimmende zwarte knoopjes. Ze schitterden in het kaarslicht terwijl hij de sacristie inschoot.
'In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti…’
‘Ámen.’
De mis begon. Ik reikte naar het dikke missaal in het vakje voor me.
‘Sssst…!’
Me moer deed haar wijsvinger voor haar mond, keek me doordringend aan en legde het boek in mijn schoot. Ik was meteen van de wereld. De velletjes waren zacht als fluweel. Mijn vingertoppen streelden het flinterdunne papier, de vlijm- scherpe snede, de bladzijden van goud.

015
De buurman van verderop schafte als eerste een auto aan. Een Chevrolet Bel Air. Het indrukwekkende glimmende slagschip had alle ruimte. Op de lege gracht stond hooguit een bakfiets geparkeerd. De buurman vlak naast ons volgde enkele maanden later. Hij scheurde rond in een rode Deux Cheveaux. In de derde, een groene Opel Olympia Caravan, zat Pa Pier achter het stuur. Het was zondagmiddag. In optocht reden we stapvoets over de grachten naar de Haarlemmerstraat. Ik zat voorin op me moers’ schoot. We stopten voor het plein. Tegenover de Posthoornkerk hingen mensen uit het raam, sommige zwaaiden naar ons. Op de stoepen stond bekijks. Misdienaars begeleidden de pastoor. Zijn zwarte soutane en witte superplie wapperden in de wind. Hij prevelde een kort gebed en pakte de dikke ronde zwarte kwast, gedoopt in heilig water, uit het goudkleurige vat. Met veel bombarie zegende hij de drie opgepoetste auto’s.
‘Rámen dícht,’ waarschuwde Pa Pier en draaide heftig aan zijn hendel.
De pastoor zwaaide met de kletsnatte kwast in het rond. Fláts. De voorruit werd vol geraakt. Geschokt gleed ik van me moers’ bolle schoot onder het dashboard op de kokosmat.

016
We hingen aan zijn lippen. Pa Pier las een lange brief voor van oom Toon, een van de broers van me moer. Ik begreep er niets van. Lies tetterde er constant doorheen. Ze werd genoemd. Oom Toon was haar Peetoom. Hij werkte in Noord Nieuw Guinea als arts en had veel te vertellen. Pa Pier las ongestoord verder. Opeens stopte hij, keek even betekenisvol naar me moer en ging door.

... Uit de laatste brief van thuis las ik, dat jij, Trees weer helemaal hersteld bent van die abortus, je sjouwt gelukkig weer ouderwets rond. Zoiets is altijd een nare en ondankbare zaak en de beste remedie ertegen is te zorgen, dat er zo spoedig mogelijk een nieuwe spruit op touw wordt gezet. Je hebt in elk geval al 5-maal bewezen, dat je ze prima afgewerkt op de wereld kunt zetten.

Me moer kneedde nerveus een blauwwit geruit zakdoekje in haar hand.

017
Ze bond een doek om haar wekelijks gekapte haar en roerde in de keuken op het fornuis met een grote houten grijper in een ketel dampend water. Me moer neuriede mee met de radio, die overal in huis te horen was. In de salon hing een donker schilderij. Ik kon niet zien wat er op stond. Het lampje er boven mocht alleen aan op zon- en feestdagen en met visite. Ik knipte het knippertje aan en kroop op de salonstoel. Eerst zag ik alleen maar barstjes, toen een kaarsje, een vlammetje dat brandde. De kaars stond op een tafel. Ik tuurde en tuurde en onderscheidde een paar donkere figuren. Opeens ging de kaars uit. Me moer plukte me vermanend van de fauteuil en schoof demonstratief de salondeuren achter ons dicht.

1956 NEDERLAND REGISTREERDE 78.000 TV-APPARATEN

018
‘Heilige Everardus! Beste vrind. Ik hóóp dat ik vaders’ rijbewijs vind…’
Me moer sloeg telkens een kruisteken. Ze zocht beneden, boven, in voor- en achterhuis. Zoet scheurde ik onder de tafel in de tuinkamer het roze pa- pier om de koperkleurige vastgenagelde afbeelding weg. Ik had het op de zwart witte pasfoto gemunt. In de keuken toonde ik me moer trots mijn verworven aanwinst. Ze zuchtte een paar keer geërgerd, trok ongeduldig met de schouders, sloeg een kruisteken en bedankte het heilige bruurke kortaf. Een overdonderende preek kreeg ik. Het ging uitvoerig over goed en kwaad. Onbegrijpelijk werd ik lange tijd terecht gewezen.
‘Het is een kwestie van fatsóen Treesje. Knoop dat góed in je óren. Ga daar maar ’ns voor bidden.’
Met de foto van Pa Pier tussen mijn palmen geklemd zakte ik ter plekke op mijn knieën op het zeil. Bedeesd sloot ik de ogen en bad. Voor het rijbewijs. Voor het slapen gaan. Bij het opstaan. Voor het eten. Na het eten. Op school. In de kerk. God weet wat.

019
Zodra je liep deelde je mee in het huishouden en het zakgeld. Een hele gulden kreeg ik per kwartaal. Op aanraden van Pa Pier ruilde ik die in tegen meerwaarde, een speciale munt. Henk, de oudste, kondigde plechtig het ceremonieel aan. Voorop, gevolgd door de rest, liep de opgewonden lange aflopende sliert door de marmeren gang naar onze gezamenlijke spaarpot. Henk kon er al bij. Stuk voor stuk tilde Pa Pier ons op. Onder grote hilariteit hoorden we ze vallen. Onze waardevolle munten verdwenen veilig in een metalen gleuf in de muur. De gasmuntmeter.

020
Mijn Opa en Oma kwamen op ziekenbezoek. Me moer had net een tweede miskraam achter de rug en lag te bed. Ik stelde me verdekt op en keek naar het tafereel.
‘Na het verdrietige telefoontje van gisteravond wilden we onze dochter even zien.’
Opa zakte op de stoel naast het bed en pakte me moers’ hand.
‘Nu de zaken zo staan, hoop ik van harte, dat deze mislukte graviditeit zo spoedig mogelijk geheel los komt en zo min mogelijk letsel toebrengt aan de beminnelijke draagster.’
Hij gaf een bemoedigende kneep.
‘Ja kind, er wordt juist in de dagen en zelfs weken als deze veel, zeer veel van jullie gevraagd. Besef wel, dat ook ik bijzonder duidelijk aanvoel, hoe groot jullie leed is en toch…, ik kom niet allereerst om te proberen wat troost te geven. Neen, ik wil alleen proberen jullie op de eerste plaats er aan te herinneren, dat berusten de énig juiste houding is, welke je moet willen aannemen.’
Oma zat aan de linkerkant van het bed en pakte me moers’ andere hand. Opa reageerde enigszins geïrriteerd door de onderbreking.
‘En waarom? Uitsluitend, doordat je Goddank beiden in het bezit bent van ’n goed geloof. Denk je eens in, als je dat niet bezit, en zo zijn er zo velen, vooral tegenwoordig, hoe zou je er dan troosteloos tegenover staan, hoogstens in z’n beste vorm humanistisch…’
Hij nam een flinke trek van zijn sigaar en legde ‘m omzichtig in de kristallen asbak die Henk met een doosje lucifers voor hem op het nachtkastje had gezet.
‘Mijn belangrijkste verzoek is dit. En op de eerste plaats aan jou, Trees, die zich in de afgelopen jaren een flinke lieve vrouw en moeder getoond heeft. Cultiveer nooit je verdriet om ’t verdriet zelf, maar tracht in berusting zo spoedig mogelijk, natuurlijk met Gods hulp, er boven uit te komen.’
Henk reikte Opa en Oma een kop koffie met een plak cake aan. Opa deed net alsof hij het niet zag.
‘En waarom? Omdat er zoveel gelukkigs is, waaraan je je kunt vasthouden. Want m’n lieve Trees… we gaan niet bij de pakken neerzitten. En als God wil dat er nog meer kinderen komen, mooi en best, hoewel gynaecologische hulp dan wel ‘ns een extra handje zou kunnen moeten helpen.’
Opa liet me moer los en gaf haar met zijn duim een kruisje op het voorhoofd. Oma maakte met gesloten ogen een kruisteken en wendde zich tot haar dochter.
‘Als alles achter de rug is Trees, hoop ik dat jullie het klaar kunnen spelen de kinderen zoveel mogelijk uit te besteden. Kom naar Utrecht om wat vakantie te houden met èèn of hoogstens twee kinderen. Hein vindt het vast wel goed. Hij mag dan ’s avonds komen.'
Opa knikte instemmend en lurkte aan zijn sigaar. Me moer zei niets. Oma schudde haar hand flink heen en weer ten teken dat ze met haar te doen had. Me moers’ lichaam deinde mee op de vering van de matras.
‘Gisteren sprak ik met mevrouw Leeuwenberg, ze heeft meerdere miskramen gehad, twee curettementen en een te vroeg geborene, dus wanhoop niet! Flink zijn, m’n meisje, vooral voor je beste man en je kinderen, die het toch ook niet kunnen helpen. Gods beste Zegen!’

021
Pa Pier opende nog een spaarrekening voor me en stortte 200 gulden. Deze keer bij de Spaarbank voor de stad Amsterdam.

022
Afwezig trok me moer de sprei recht.

023
‘Komt vanochtend een man de winkel binnen met een hond. Zegt-ie dat die hond kan praten. Dat geloof ik niet, zeg ik. Vraag de hond dan maar ‘ns wie er schaakkampioen is van Nederland. Nieuwsgierig geworden buig ik me over de toonbank. Daar staat een onooglijk hondje. Nou? Wie is schaakkampioen van Nederland? De hond kijkt me droevig aan en geeft geen sjoege. Zijn baas geeft ‘m een flinke trap. De hond jankt ’t uit. Eúwe, eúwe, eúwe. Zié je wel, zegt die man triomfantelijk, Zie je wel dat-ie kan práten.’
Pa Pier schaterde. Henk en Eddie rolden van hun stoel. Me moer schepte op.

024
In de zomer sprong ik op zondag in het diepe van het Brediusbad in west. Ik zonk naar de prachtige zeegroene bodem en bleef daar rustig zitten. Pa Pier dook me op. Keer op keer. Ik kreeg er nooit genoeg van.

025
Mijn eerste vriendschap sloot ik met de buurjongen, een paar huizen verderop. Hij was twee jaar ouder, de benjamin van de familie en welgesteld. Ik werd op slag verliefd. Herman had een tv-apparaat. De glimmende mahoniehouten kast stond op het dressoir. Op ooghoogte zaten vijf ivoorkleurige knoppen. Na lang aandringen drukte hij eindelijk op de meest rechtste. Ik sprong achteruit. Het grote geheimzinnige apparaat siste aan. Na een snerpende hoge toon gaapte er midden in de donkere massa een schitterend gat. Een heldere flits weerkaatste achter het stevige dikke glas. Met een zware brom warmde het toestel langzaam op naar volle sterkte. In één keer pats boem vertoonde het scherm allerlei lijnen, vlakken, cirkels en tekens in zwart wit. Het testbeeld. Mijn eerste wonder.
 
241a6664a3df1c194488fc46fa01e758.jpg





































RMA RESOLUTION CHART © 1946 

026
Naast ons werd een grachtenpand herbouwd. Onze tuin lag er als een ontbindend kadaver bij. Achterin, voor het vervallen tuinhuis, hield alleen de Kastanjeboom zich groot. De schutting tussen de bouwplaats en de tuin was gesneuveld tijdens het opstellen van de hei-installatie. De enige scheiding was een laag stenen muurtje. Een ideale zitplaats om de werkzaamheden van dichtbij te volgen. Binnen de kortste keren draaide ik volop mee, schepte zand, roerde cement, vlocht beton. Al gauw werd ik gepromoveerd tot opperlader. Onstuitbaar sleepte ik bakstenen heen en weer en stapelde ze zorgvuldig op een plank. Telkens trakteerde ik de bouwvakkers op applaus. Als lenige acrobaten zwaaiden ze de loodzware planken op hun schouders en torsten ze als een veertje balancerend de ladder op. Boven op de steiger zongen de metselaars het hoogste lied.

027
‘s Avonds voor het naar bed gaan kreeg ik geen nachtkus maar een haal in de blind. Knikkebollend zat me moer op de bank, mompelde wat en veegde ongeduldig een soort kruisteken op mijn voorhoofd.

028
De telefoon rinkelde zwaar. Het grote zwarte glimmende apparaat hing in de gang aan de muur tussen voor- en achterhuis. Me moer kwam van boven. Ze holde de trap af. Ik stond op mijn tenen, rekte mijn armen zo ver ik kon. De glimmende zwarte hoorn en de ronde schijf met witte tekens lonkten. Ik kon er met geen mogelijkheid bij. Ze schikte nog even snel haar haar, schoof mij kordaat opzij en nam de hoorn op.
‘Met mevrouw Bannenberg?’ 
Er viel een korte stilte. Me moer lachte hartelijk. Het was Oma die haar een hart onder de riem stak.
‘Vriendelijk ben ik toch altijd Moeder, dat weet u! Nee, ik zie niet op tegen het rij examen, wel tegen de examinator.’
Weer een korte stilte.
‘Ik zal me niks van de vent aantrekken. Dank u wel dat u voor me gebeden heeft… Ú ook Moeder en ook aan Vader! Dag hoor.’

029
De pastoor schuimbekte van de kansel. Het schalde door de kerk. Hij was geweldig op dreef. Geen speld kreeg je er tussen onder het mom dat ’t zo hóórde want ánderssss. Wij waren hier op aarde om God te dienen. In het hiernamaals had je het beste nog tegoed. Keus was er niet. Verantwoording moest je afleggen. Elke stap in je leven. Minstens drie keer per week naar de vroegmis. Op zondag naar de hoogmis. ’t Lof. ’t Rozenhoedje. Biechten. Naar de Nachtmis. De Paaswake. Met mes en vork eten. Algemeen beschaafd Nederlands spreken.
‘Oh má hij laat ’n bóer,’ riep ik ontsteld opgevoed door al dat gemoet.
Een zweem van afkeuring gonsde door de kerk. Een ieder rekte pips de nek, keek naar voren naar onze bank.

1957 NEDERLAND REGISTREERDE 200.000 TV-APPARATEN

030
Wanneer ik tijdens het radioprogramma Kleutertje Luister intens op het litteken van mijn linkerknie wegdroomde, zo desgewenst verscheen Samantha uit de granito vloer van de wc. Nadat ik had geplast en Pa Pier troost zocht floepte zij tevoorschijn. Terwijl hij mij op zijn flanellen pyjamabroek zette en soms wenend, altijd wiegend zijn lief en leed in mijn oor fluisterde, viel ik, veilig warm gelegen tegen zijn flanellen borst, in een staar. Onder me begon het zwart wit gevlekte vlak te bewegen. Als kokend hete lava golfde en stroomde de brij tegen elkaar in. In een mum van tijd stolde de bruisende massa en vormde zich Samantha. Mijn evenbeeld. Met een zwart wit gestreepte huid, zoals een Zebra.

031
Waar niemand in slaagde, lukte de werkster. Ze leerde me zingen. To was een echte Jordanees. Ze kwam vier dagen per week, sleepte met een been, woonde op een hoog achter in de tweede Anjelierdwarsstraat met drie honden, zes katten, gouden vissen, elf kinderen, de papegaai en haar man in een rolstoel. In de keuken, bij een kop opgewarmde koffie van de avond ervoor, gaf To me les. Zij zong voor en nam de zaak zeer sereneus. Wanneer ik niet oplette waarschuwde ze me bij hoog en laag.
‘Kennie leg op het kerkhof, wilnie leg er naast.’
Vastberaden stond ze op, spoelde haar lege kop schoon, zette ‘m in het afwasrek en greep mop en emmer. De dweil bewoog ritmisch door de marmeren gang. Na de intro knikte ze naar me. Met kippenvel viel ik in.
‘Oh Johnny, zing een liedje voor mij alleen… Oh Johnny, want voor mij ben jij nummer één…’
Lange uithalen onderdrukt verdriet galmden door het huis. Met natte ogen leerde To me haar eigen lied, de Blues van de Jordaan.

032
De zondag stond in het teken van religie en het gezin. Na de religieuze rituelen volgde verplichte ontspanning. Visite, borstplaat, bokkenpoten, petit-fours, een potje 31-en of Pim Pam Pet. De auto fleurde de zondagmiddag zienderogen op. De stationwagen zat afgeladen. Volgepropt drukten snotterige neuzen zich plat tegen de bewasemde ruiten. Pa Pier stak voor aanvang tevreden een sigaar op en draaide het raampje open. Me moer had direct last van tocht. Nog voor de hoge brug was er iemand strontmisselijk. Drie po’s reisden altijd mee.

033 
Me moer vouwde in de tuinkamer twee vellen crèmekleurig papier in drieën en schoof ze in een langwerpig beschreven envelop. Het doodstille afwachten onder het tafelkleed, een blijvend favoriete plek, werd beloond.‘Heb je schone handen? Tóe maar. Recht naar beneden vouwen en platdrukken.’Voorzichtig pakte ik de dikke envelop aan. Gulzig likte ik secuur de zoete lijmranden. Het papier rook verrukkelijk. De envelop zat dicht. Ik woog ‘m in mijn handen en keek naar de voor- en achterkant. Het groene handschrift van me moer. Ze keurde de envelop en knikte tevreden.
‘Waar gaat-ie naar toe?’
‘Naar Hilversum. Naar tante Koosje.’
‘Moet-ie nu in de bak op Pa Piers’ bureau?’
Ik wou dat ik een brief was. Of een envelop. Of een postzegel. Dan kwam je een heel end.
‘In de linker. Op die postbak staat úit,’ tuitte ze haar lippen, ‘En op de rechter postbak staat ín.’
‘t Leek net of ze heel kort naar me grijnsde.
‘Er moet nog een postzegel op. Daar zorgt je vader voor. Hiér.’
Als persoonlijke postbode van me moer voelde ik me reusachtig belangrijk. In de ene hand hield ik de envelop en met de andere de trapleuning vast.
‘Uit en in en in en uit!’, zong ik tree voor tree naar boven, naar Pa Piers’ bureau.
‘Rond deze tijd komt de postbode’, riep me moer me na. ‘Wanneer je beneden bent haal je de post uit de brievenbus. Ah! Ik hoor van alles vallen. De ínkomende post leg je op de tafel in de tuinkamer en wacht je tot ik die verdeeld heb.’

034 
Vroom vrijwillig borduurde mijn Oma met goud- en zilverdraad virtuoos kazuifels voor de kerk. Op zondag, na de voor- en hoogmis, zat ze levenloos in haar leunstoel. Verboden íets nuttigs te doen, staarde ze naar een stel breinaalden, die doelloos uit de rieten mand staken.

035
De schep schuurde mijn handen. Kolossale blaren spatten open. Het deerde me niet. Een dag archeologisch onderzoek leverde een ouwe boomstam op. Herman en ik hadden de tuin er een heel stuk voor moeten uitgraven. Er kwam geen einde aan onze schat.
‘Een kruis! We zagen de stam doormidden en timmeren zo’n heel groot kruis als in de kérk. Voor m’n móeder. Voor in de salon. Dan spijker ik jou in plaats van Jezus Christus aan dat kruis. Góh! Dát lijkt me mooi!’
‘Over mijn lijk.’
Herman pakte de schep op en stak er een stokje voor.

036  
'Treesje...? Ga zitten! Níet voor het béé-ééld.'
Ons tv toestel, een gloednieuwe glimmende mahoniehouten bak, stond op een speciaal daarvoor ontworpen tv tafel op wieltjes. Woensdag- en zaterdagmiddag zat de huiskamer vol grut. Ieder had zijn eigen veroverde plek op de pers. Ik zat zo dichtbij mogelijk. Niets mocht mij ontgaan. Gespannen wachtten we op het kinderprogramma. Het ware geloof. Je dacht toch werkelijk dat ze je hoorden. Dat ze bij je naar binnen keken. Miljoenen families knielden met Pasen, Kerst voor de buis en sloegen tijdens de zegen van de paus vroom een kruis. Met keurende blik keek me moer in het rond. Nog snel kregen Henk en Eddie een veeg met de natte kam. Lies, betrapt, trok schielijk haar duim uit haar mond. Fien strikte ongeduldig een van mijn veters. Ik werkte allesbehalve mee. Uiterst geconcentreerd hield alles wat het zwart wit beeld te bieden had me bezig.

037
De rode tol stuiterde op het witte marmer van de binnenplaats. In het achterhuis hoorde ik gekrijs van een baby. Het volgende moment zat ik op de arm van een vreemde.
‘Je zorgeloze leventje is voorbij Treesje. Je hebt een nieuw broertje. Hij heet Jan.’
Kraakhelder en knisperwit droeg ze een kapje en een schort. Een broche met een ooievaar prijkte op haar boezem. Onweerstaanbaar kropen mijn vingers naar het onbekende. Mijn handen verdwenen in een diepe spleet. Warm en zacht voelde ik ronde welvingen. Dieper en dieper gleed ik af.
‘Die benne niet voor jou’.
Kraamtante zette me terug op het witte marmer. De rode tol lag uitgeteld naast me.

038 
Mijn maag knorde en niet alleen de mijne. Het orgel zette zweverig in. De wierookhouder schommelde. De eerste slachtoffers vielen. Bij bosjes. Knál. Kledderem klapte een jongen voor me achterover. Zijn hoofd lag achterstevoren op mijn bidleuning, wipte nog wat na.
‘Is dat nou een heilige?’ fluisterde ik gefascineerd.

039 
Met Jan nog nat achter de oren kreeg me moer een buitenechtelijke verhouding met een kapelaan uit de Posthoornkerk. Ze introduceerde hem als speel-oom. Oom Piet had een grijze Vespa, een fototoestel en alle tijd en aandacht. Hij was jong, energiek, nogal nerveus van aard en rookte pijp met zoet geurende toffeetabak. Me moer duwde hem door. In ’t geniep. Ze chanteerde, manipuleerde, intimideerde haar man, haar kinderen. Het werd de gewoonste zaak.
‘Jij gaat nog niet naar de kleuterschool. Jij blijft nog een jaartje thuis. Ik kan je goed gebruiken.’
Trots als een pauw zag ik het als een groot compliment. Wat zou me moer zonder persoonlijke postbode moeten?
In de Opel Caravan van Pa Pier namen ze mij en Jan in de reiswieg ter alibi mee op hun geheime tochtjes. Een leeg park, weiland, bos, een verlaten speeltuin. Ik bekeek me moer en Oom Piet van alle kanten. Ze sjorden, rolden, kirden en kreunden in de struiken. Ik wilde weten wat ze aan het doen waren.
‘Mag ik meespelen?’
‘Geef Jan de fles,’ commandeerde me moer, ‘én een schone luier.’
‘Én snél. Want gij zult de Here, uw God, niet verzoeken. Wég jij. De duivel hále je!’, hijgde Oom Piet er onheilspellend achteraan.
Ik ging meteen door de knieën en sloeg een kruis.
Oom Piet bleef eten. Hij nam een bad. Hij rookte pijp. Hij rustte uit. Hij maakte foto’s. Hij speelde wilde spelletjes. Hij bracht me naar bed.

Liefste Treesje,Dit moet even in haast, want ik weet niet hoe je naar mijn komst verlangt, en die wil ik dan ook niet te lang uitstellen.Ik begrijp je verlangen zo goed, want jouw verlangen is de mijne. En als dat dan niet helemaal in vervulling kan gaan zoals wij dat beiden zouden wensen -en-tegelijk-niet wensen dan moet dat ergens wel pijn doen, maar bij mij niet minder dan bij jou.
Laten we ondanks alles proberen tevreden te zijn met wat we hebben: dat is echt al heel wat! Dat zou je zeker weten als je nog wat dieper in mijn hart kon kijken. Ik geef toe dat daar ook wel eens wat rondzwermt wat daar niet zou móeten zijn, maar Paulus zegt al: “De liefde rekent het kwade niet aan”, en aldus staat er: “Zij bedekt een menigte van zonden”.
Ik mag en wil niet anders wensen dan dat je thuis gelukkig maakt, en heel je gezin, en dat doe je alleen maar door een blij gezicht. Je bent overigens al van nature bedeeld met een opgewekte geest, en die zal je alle droeve dingen helpen te overwinnen, tegelijk met het bij jou zo sterke besef van gedaan te hebben wat je plicht is.
En dit is dan de reden van mijn late komst: in plaats van een reden tot verdriet een feest, hoop ik, tot grote vreugde.
Als altijd, Piet.

040 
In de slaapkamer van m’n ouders hing achter een goudkleurige lijst een licht gekleurde prent achter glas. De pastel kwam uit het ouderlijk huis van me moer. Het was Maria. Ze keek verlegen dromerig langs me heen. Er zweefde een gouden halo boven haar steile blonde haar. Op haar schoot zat het kindeke, maar er klopte iets niet. De heilige baby miste het ding waar Jantje zijn luiers mee vol piste. Precies op die plek zat een vieze bruine vlek. Ik pakte een stoel en klom erop. De bruine vlek bleek een dikke bobbel. Menig laag vergaan leukoplast perste zich plat tegen het glas.

041
‘Tréésje. Wég daar.’
Lies greep me bij de arm en sleurde me weg bij het tv toestel. Het kinderprogramma was net afgelopen. De omroepster maakte aanstalten om afscheid te nemen. Henk en Eddie brulden het uit. Tante Hannie lachte en zwaaide naar ons met gekruiste handen. Ik zwaaide uitbundig terug.
‘Daar kómt-ie. Dáár kómt-íe!’ krijste Henk hysterisch.
Tegelijkertijd doken mijn grote broers joelend onder de tv tafel. Vies en vunzig vonden ze ‘t. Tante Hannies’ handkus.

Wordt vervolgd per artikel op linkedin en tumblr,  vandaag ZEBRA - VLOG #02 050120 (teveel gepriegel op dit blog).

PS Mocht het vloggen u te langzaam gaan dan is Zebra - Testbeeld 02 (2019) ook te leen in de Bibliotheek en online verkrijgbaar. Recensies en reviews zijn te lezen op bol com. Zie ook Triootje - Testbeeld 01 (2018). Dit deel gaat onder meer over incest met moeders en de niet mis te verstane gevolgen daarvan. 






Lees verder op mijn site

Reacties op: Start ZEBRA - VLOG #01 030120 IK GEEF U MIJN WOORDEN (zie blog intro EEN VAN ONS)

Zebra - Treesje Bannenberg Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
E-book prijsvergelijker