Lezersrecensie

Begrijp me niet te vroeg; parade van paradoxen


aCampo aCampo
3 mrt 2025

Wiel Kusters, Begrijp me niet te vroeg. Gedichten. Cossee. Amsterdam 2025.
9789464521948

De Engelse dichteres Veronica Forrest-Thomson heeft eens opgemerkt, dat de slechtste dienst die kritiek aan poëzie kan bewijzen is haar te snel te willen begrijpen. Met de titel van zijn nieuwste bundel gedichten Begrijp me niet te vroeg geeft Wiel Kusters een signaal af. Aan de lezer, dat de ziel van zijn gedichten zich niet gemakkelijk prijs geeft; aan de criticus, dat hij in zijn streven naar ‘begrijpen’ moet blijven vrezen voor het verwijt van voorbarigheid.
In elk geval heeft de dichter ervoor gezorgd, dat de kans op vroegtijdig begrip niet groot is, zelfs, dat begrijpen in de gebruikelijke zin niet aan de orde is. Meest opvallend is dat hij grossiert in paradoxen. Dat zijn bij hem geen duister raadsels die na enig nadenken een licht doen opgaan of een inzicht doen dagen. Het zijn paradoxen waarin de dichter is blijven steken en die als onoplosbare tegenstrijdigheden niet verstandelijk moeten worden doorzien, maar aanvaard in hun tegenstrijdigheid. Daartoe richt de dichter vaak een verzoek of vermaan tot de lezer.
Dat begint al bij de eerste zin van het opdrachtgedicht Aan … onbekend, die als vervolg van de boektitel kan worden gelezen”: “[Begrijp me niet te vroeg /] …Of is het andersom en had ik niet / gelezen willen zijn?” Een onbegrepen gedicht is wel geschreven maar, als de lezer niet ontvankelijk blijkt, niet echt ontvangen. Het omgekeerde is een ongeschreven gedicht, dat als een lege enveloppe wel ontvangen wordt, hoorbaar aan het korte kleppen van de brievenbus. Het is een woordeloze brief en verder niets, en daarom vraagt hij aan ‘jou’, de onbekende ontvanger, dit gedicht en deze bundel ernaast te leggen.
In dit opdrachtgedicht drukt Kusters zijn ‘bangst verlangen’ uit, het verlangen van een dichter te worden begrepen door naamloze lezers, in het gelijktijdig besef, dat begrepen worden, geschreven of ongeschreven, hoogst onzeker lijkt.
Halverwege de bundel komt hij daarop terug in Niet te vroeg. Voor hem voelt uitgelegd als vastgelegd. Hij zoekt ‘houvast waar alles openligt’. Waar een paradox een barst lijkt in de tekst, wordt de lezer verwezen naar de keerzijde, een blanco achterkant. Het niet-begrijpen is wederkerig. De lezer mag daar iets schrijven, maar geen brief aan hem terug en niks begrijpelijks. Alweer blijkt een brief geen overbrenging van boodschap en overbrugging van afstand. Wat liefde is tussen twee mensen is een boek tussen dichter en lezer. Is het geschrevene gedrukt, voelt hij zijn ‘adem afgetapt’ en tot hij herademt is hij tot zwijgen gedwongen en bedrukt: “geen mens / als jij die mij begrijpt en dat niet snapt.” Begrip lijkt onzeker, maar niet onmogelijk, want zegt hij in Lezer, wie het gedicht (ont)vangt, geeft ‘vleugels aan de spin’, de dichter die zijn web van woorden heeft geweven. Desnoods postuum; in Persconferentie heet het: “Er blaast straks iemand vonken uit je as.”
In het weefsel van woorden is spanning of weerspannigheid tussen dichter en lezer de schering, en de inslag zijn de grote almaar terugkerende thematische vragen: leven en dood, liefde en lijden, herinneren en vergeten. Steeds worden zij beschreven in paradoxale termen, zoals “vergeten wie wie is die zich ziet” (Lethe 1), “vergeet dat ik vergeten moet” (Lethe 2), “vergeet niet wat je tijdig moet vergeten” (Memento); enzovoorts. Misschien is de gemeenschappelijke noemer: de vraag wat de tijd doet met de mens en hoe hij die van zich af probeert te schudden door terug te vechten met beitels van taal.
In de andere gedichten keren deze thema’s terug in de verhouding van geliefden, van kind en ouder, van mens en god. en ook daar zijn de verhoudingen doorgaans ‘Andersom’, ‘Wederkerig’ of ‘Wederzijds’. Al deze relaties en hun tegenstrijdigheden, vervat in een kleine honderd, alfabetisch gerangschikte, vorm- en vuurvaste verzen, zijn als lijnenspel op de kaart van Kusters’ poëtisch landschap.
In zijn vroeger werk waren het biografische herinneringen, die de aanzet vormden tot zijn gedichten. Nu zijn het veelal actuele, nauwelijks biografisch te noemen aanleidingen. Het zijn onbeduidendheden die toch om duiding vragen, omdat zij als een stok in troebel water roeren in onderhuidse stromen en daaruit allerlei bovenhalen.
In Ars poetica is het een boomblad dat door een raamkier binnen waait. Je denkt te weten hoe dat kwam door herfst en wind, maar, zegt een tegenstem: het vallend blad dwarrelt voorbij ons begrip, en ontleent daaraan niet zijn betekenis.
‘Maar gaan we nu verklaren dan,
Motiveren, vergelijken?
Of keren we terug naar wat niet
Verklaarbaar is zonder een stam
Of los daarvan? Let op,
Straks raak je van jezelf nog in de ban,
Alsof het leven en de dood (dat blad)
Al hun gewicht en onzin kunnen ijken,
Alleen omdat jij (ik) erover dénkt –
Voordenkt, nadenkt, tussendenken wil.’
Allicht heb ik deze bundel lang niet helemaal begrepen, laat staan kunnen doorgronden. Deze bundeling van woekerende strijdigheden ligt voorbij een schools begrijpen. Het is een doolhof in een speeltuin van taal.

Reacties

Meer recensies van aCampo

Boeken van dezelfde auteur