Meer dan 5,3 miljoen beoordelingen en recensies Organiseer de boeken die je wilt lezen of gelezen hebt Het laatste boekennieuws Word gratis lid
×
Lezersrecensie

Haastig persoonlijk document

Deborah van Duin 14 februari 2024
In de loop van de jaren heb ik naar schatting 25-30 kortverhalen van Johan Klein Haneveld gelezen, in anthologieën en tijdschriften, online en als jurylid bij EdgeZero. Omdat De laatste verkenner (2023) veel aandacht en zelfs een recensie in de Volkskrant kreeg, besloot ik om deze bundel in zijn geheel te lezen. Onderstaande bespreking concentreert zich op twee aspecten, namelijk op de term 'sciencefiction' en op de vertelwijze van de verhalen.

Opbouw van de bundel
De 27 verhalen in de bundel vertonen een opbouw. In het eerste deel, tot en met Het huis op de heuvel, spelen de verhalen zich grotendeels af op een dystopische Aarde in een niet al te verre toekomst. Daarna bewegen we ons vooral in het buitenaardse of op zijn minst het onbekende: in de diepzee of de wouden van exoplaneten, in ruimteschepen, of op een Aarde die net zo goed een andere planeet zou kunnen zijn. Na Droomboot waaiert het uit. In Het moeras en Waar je goed in bent blijkt de mens niet meer te zijn dan een element in een grotere entiteit. Vanaf De tuinman kijken we zelfs op zo'n grote afstand in ruimte en tijd naar het universum dat de mens niet meer herkenbaar 'mens' is. We zijn dan miljoenen, soms miljarden jaren verder in de evolutie. Het laatste verhaal, Het bezoek van de tovenaar, sluit af met het opblazen van onze zon, als een signaal aan andere intelligenties in het universum. 'Hopelijk doen zij het beter dan wij,' besluit verteller Leon.

Thema's
Inderdaad is het klimaat het sterkst aanwezige thema in de verhalen, met de nadruk op de rol van de mens in de opwarming van de aarde en de vervuiling van het milieu. Met de klimaatontwikkelingen is vrijwel steeds vervlochten de schuld van de commercie en het eigenbelang van bepaalde mensen. Machthebbers trekken zich terug in veilige luxe-oorden en laten de rest van de mensheid aan hun lot over. Dissidenten verzetten zich, anderen vluchten of trekken zich in onmacht terug. Verhalen als De wachtende vrouw en Wereld van monsters spreken de gedachte uit dat de Neanderthaler of de Denisovamens het er misschien beter van had afgebracht dan de homo sapiens sapiens.

Een ander thema dat ik tegenkwam was de verhouding tussen lichaam en geest. Er zijn androïden die opvolgers van de mens zijn: begaafder en in veel opzichten ethischer. In verhalen als Kille ontmoeting en Droomboot hebben personages via een simulatie ervaringen. Hun lichaam is dan op een veilige plek, hun geest neemt waar en handelt. Regelmatig wordt de herinnering gezien als de basis van identiteit en keuzemacht. Dat zet wel de deur open voor misbruik, zoals in Een kwestie van perspectief en Wraakneming, waarin machthebbers geïmplanteerde indrukken gebruiken om de vertellers te manipuleren. Misbruik is juist niet aan de orde in In elkaars ogen, een liefdesverhaal over de menselijke vluchtelinge Jody en haar bezielde ruimteschip. 'Hoe weet ik dat je niet meer hebt gemanipuleerd dan alleen mijn waarneming?' vraagt Jody. 'Dat weet je niet,' antwoordt het schip. 'Dat zul je ook nooit weten. Je moet zelf kiezen of je mij vertrouwt.'

Ook terugkerend, hoewel minder uitgesproken, is kennis van en interesse in het onbekende. Ik proefde hier sterk de stem van de schrijver, die ik van Facebook ken als een gepassioneerd lezer over alles wat te maken heeft met de prehistorische fauna en de diepzee. In de drie diepzeeverhalen halverwege de bundel (Grafplaneet, Ongeluk en Kille ontmoeting) kwam dit overtuigend naar voren. In De hemel op aarde zijn de helden twee nerds gedreven door een oprechte liefde voor 'dat bewegende slijm' - en bereid om daarvoor de kluit te belazeren.

SF-verhalen?
Frederic Pohl zei ooit dat goede sciencefiction niet de auto voorspelt maar de file. Dat vind ik een mooie uitspraak omdat volgens de meeste definities van 'verhaal' de menselijke ervaring centraal staat. Al hoeven personages of hun psychologische ontwikkeling bepaald niet de kern van een verhaal te zijn, wie over de toekomst schrijft kan niet volstaan met gadgets. Het is ook niet voldoende om een enkel aspect te extrapoleren in de tijd en rest gelijk te laten blijven aan het hier en nu. Sciencefiction heeft per definitie iets rationeels: het moet met het verstand kloppen, al hoeft zeker niet alles uitgeduid te worden. Op de achterkant krijgt De laatste verkenner de term 'SF-verhalen' mee. Deze term vind ik niet kloppen. Ik zie namelijk vooral verhalen waarin klassieke sciencefictionelementen en verbeeldingskracht worden ingezet om de thema's vorm te geven. Dat verraste me niet zo. De verhalen van Klein Haneveld die de de twee meest recente edities van de jaarlijkse anthologie EdgeZero haalden, namelijk Ontsnappingspoging en Het groene meer, waren ook geen sciencefiction te noemen. In Ontsnappingspoging werd zonder veel contextonderbouwing een sfeer van psychologische horror neergezet. Ook in Het groene meer ontbrak het element 'wetenschap', overigens volstrekt geen gemis in een verhaal dat draait om die aloude en oermenselijke vraag: wat gebeurt er als je sterft?

Ratio en extrapolatie
Terug naar De laatste verkenner. Daarin zie ik weinig van Pohls file. De techniek van de toekomst is niet vernieuwend of doorgedacht. Er is ook geen samenhang tussen nieuwe mogelijkheden of een reactie-op-een-reactie die de indruk wekt dat de verhaalwereld groter is dan enkel datgene wat bij de verhaalhandelingen hoort. Toegegeven, er zijn kleren en matrassen die zich om je lichaam heen sluiten, er zijn 3D-printers die winkels overbodig maken en er zijn communicatievormen die rechtstreeks de netvliezen of de hersens in gaan. Maar dit zijn gadgets die vooral dienen om de verhaalwerelden een bepaalde sfeer mee te geven. De zweefschaatsen in De hemel op aarde deden me denken aan Back to the future. Ik vond de digitale interactie in de verhalen ook niet overtuigend. Zelfs een eeuw na 'de klimaatoorlogen' (De ijzeren vrucht) is er nog steeds sprake van likes en voorgeschotelde advertenties. Dit is hoe we het gewend zijn van de social media van de afgelopen vijftien jaar. Kijkend naar de enorme snelheid waarmee dit soort technieken maar bovenal gebruikers zich ontwikkelen, hoe waarschijnlijk is het dat zoiets de decennia, laat staan de eeuwen, gaat overleven? Maar goed, wie weet zijn het blijvertjes. Ik had het echter moeilijk met de extrapolatie van zaken die in onze tijd al wetenschappelijk achterhaald zijn. In Een kwestie van perspectief kan de persoonlijkheid van mensen, zoals die is vastgelegd in hersencellen, worden opgeslagen. 'Hun levenservaringen, hun manier van praten, hun diepere gevoelens. Die werden vervolgens in het geheugen van de ruimtevaarder overgebracht en daarna was het alsof hij ze al een eeuwigheid kende.' Dit is de ouderwetse scheiding tussen lichaam en ziel. Menselijk gedrag komt voort uit een combinatie van biologische en sociale factoren, zo weten we al minstens 25 jaar. Wat een individu tot een individu maakt zit niet in 'hersencellen'. Het zit zelfs nergens. Het is de totale samenhang van het fysieke en het mentale (wat dat ook wezen moge) en zelfs de darmen schijnen erbij betrokken te zijn. Daarnaast is menselijke interactie waanzinnig complex. De herkenning en emoties die een medemens bij je oproept worden niet alleen bepaald door die medemens maar ook door jezelf. Dit verhaal berust daarmee op een wetenschappelijk achterhaalde opvatting.

Ook de ICT reflecteert geen rationele extrapolatie in de tijd. Het is vooral aanwezig als een soort magie die veel vermag op tamelijk onnavolgbare wijze. In Het breukvlak heeft een enkel persoon in een privéproject iets bedacht waarmee op revolutionaire wijze de bindende programmering van androïden verbroken kan worden. In De bevrijder brengt de verteller met één druk op de knop de beschaving ten einde. Zo simpel is het blijkbaar allemaal. Daarnaast hebben mensen ondanks de dictaturen waarin ze leven toch tamelijk gemakkelijk toegang tot 'het netwerk'. De verteller van De bevrijder mag die toegang tijdens haar detentie nota bene gewoon behouden. Ook de verteller in De strijd der dryaden weet haar boodschap op de valreep nog naar Aarde te sturen, dit terwijl ze fysiek en mentaal volledig overgeleverd is aan de gewetenloze commerciële firma waarvoor ze werkt. Ze is biologe, lezen we, maar om zoiets klaar te spelen moet ze ook een zeer begaafde hacker zijn.

Complexiteit en menselijke dilemma's
Ik ben niet echt thuis in het onderwerp klimaat, maar wat ik wel weet is dat het complex is. Als de cijfers over de opwarming van de aarde inderdaad zijn wat we horen, dan zal dat proces een enorme keten van effecten teweegbrengen, op heel veel niveaus van ons leven en over een lange periode. En elke actie, of het nu gaat om het vertragen van die opwarming of om spontane menselijke reacties op de effecten, levert weer nieuwe ketens van effecten op. Ik heb respect voor een sciencefictionschrijver die veel daarvan overtuigend weet te voorspellen, maar ik zal het nooit eisen. In termen van Pohls metafoor: ik wil de file zien maar ik accepteer dat de effecten die deze file op zijn beurt weer heeft, niet aan de orde zullen komen: de sluiproutes die ontstaan, de boze omwonenden, de juridische strijd over flitspalen. Zeker niet in een kortverhaal, dat alles immers een beetje beknopt moet zien weer te geven. Maar ik heb er wel een probleem mee als de weg niet gebouwd is terwijl men toch op de bestemming arriveert alsof men 100 km/uur heeft kunnen rijden. Of als er nooit autopech is.

De klimaatverhalen in de bundel laten, ondanks de complexiteit van het onderwerp, helemaal geen dilemma's zien. Integendeel. Als de voorspellingen over klimaatverandering wetenschappelijk eenduidig zijn, zijn de gevolgen dat kennelijk ook. Ik vond dat onrealistisch maar ook irritant. De verhalen doen namelijk niets anders dan een simpele oplossing bieden voor het probleem: de rijken en machtigen die de schuld van alles zijn, moeten gewoon uitscheien met dat vervelende gedoe en dan komt alles goed. In Het moeras, dat ik op zich een intrigerend verhaal vond, ligt de bal bij 'de kapitein' die kennelijk niet veel meer hoeft te doen dan de balans in haar binnenste naar de andere kant te laten doorslaan. Dat doet ze. 'De oorlog was voorbij. Ze had besloten te vechten.' Dus? Gaan we in opdracht van onze regeringen de bevolkingsgroei op aarde terugdringen? Wat betekent dat dan voor de vergrijzing, voor samenlevingen waar kinderen de oudedagsvoorziening vormen? Gaan we het welvaartsniveau in een rijk land als Nederland terugschroeven? En wat kan ik verwachten als ik in De cactus liep voorbij samen met die jonge vrouwen en mannen wegren van de logge machine die staat voor alles wat de zittende generatie heeft verprutst? Is er bijvoorbeeld in zo'n eenvoudig en circulair bestaan nog plaats voor zieken en gehandicapten? Zo nee, hoe is dat dan emotioneel? En hoe zal het in zo'n kleinschalige samenleving werken met onze instinctieve drang om status te verwerven? Of kunnen individuele mannen en vrouwen zich daar inderdaad niet aan ontworstelen? Waarom wel of niet?

Realistisch mensbeeld
In het verlengde van deze simplistische weergave van een complex probleem miste ik ook een realistisch mensbeeld. Dat Tarlan in Ongeluk na 20 jaar vriesslaap ontwaakt en uitgezaaide kanker blijkt te hebben is realistisch, net als dat hij en zijn collega zich ondanks zijn naderende overlijden nog regelmatig aan elkaar ergeren. Zo werkt het in het echt en zo is het hoe mensen in samenhang met elkaar handelen, elkaar afstoten, zich met elkaar verbinden, zich laten inspireren of juist afschrikken. Dit alledaagse menselijke kwam ik echter niet vaak tegen. Vooral in het eerste, dystopische gedeelte van de bundel wordt de mensheid zeer zwart-wit afgeschilderd. Er zijn kennelijk maar drie soorten mensen. Ten eerste foute mensen (= rijken). Ten tweede dissidenten (= helden). Ten derde een rest-van-de-mensheid die slaaf is of dom en agressief ('werkloze tieners en verslaafden'). In Gevallen engel zijn het de handelaars, de investeerders en de machthebbers die het probleem hebben veroorzaakt en zich nu hebben teruggetrokken in een soort 'hemel' van ruimteschepen. 'Maar ook wetenschappers, filosofen en zelfs kerkleiders waren opgestegen.' De rest van de mensheid is blijkbaar opgegaan in die futloze en nogal onprettige grijze massa. Dit gaat er bij mij echt niet in. Waar zijn de loodgieters, de logopedisten, de buurtmoeders, de voetbaltrainers? Kennen zij geen daadkracht en empathie? Is de mensheid afhankelijk van filosofen? Het mensbeeld in De laatste verkenner is elitaristisch en simplistisch. Net als bij de opslag van gedachten in hersencellen in Een kwestie van perspectief klopt ook hier de basis van de extrapolatie niet.

Wat het mensbeeld betreft wil ik nog kwijt dat ik regelmatig erg viel over het demoniseren van iedereen met een bepaald soort baan of inkomen. Welke gruwelijke excessen zo'n denkwijze kan opleveren blijkt uit de geschiedenis van de Sovjet-Unie in de jaren 30. De schrijver heeft grote zorgen over het klimaat. Daarin wil ik best met hem meegaan. Maar waar principes boven mensen worden geplaatst kan alleen maar ellende komen.

Persoonlijk document
Kortom, in termen van Pohls metafoor voorspellen deze verhalen vooral een voertuig met tamelijk gedateerde, fantastische snufjes. Er zijn uitzonderingen (zoals Grafplaneet) maar de toekomstwerelden dienen overwegend als vehikel voor het overbrengen van een moraal. De ondertitel van De laatste verkenner is 'Verre werelden, verre toekomsten'. Dit dekt de lading beter dan 'sciencefiction'. Hierbij betrek ik ook het machteloze dat ik in verhalen zoals Wereld van monsters aantrof, het schuldgevoel over deel uit te maken van de mensheid die al die prachtige natuur te gronde richten. Deze bundel is een persoonlijk, sterk dystopisch document van een schrijver die elementen uit de traditionele sciencefiction gebruikt om te zeggen wat hem hoog zit. Dan is het ook geen probleem als het allemaal niet sluitend is. Weliswaar worden in Het bezoek van de tovenaar ook 'gedachten' overgebracht naar machines en blijven die systemen, hoogst onwaarschijnlijk, ook nog eens vier miljard jaar zonder defecten bestaan, maar wetenschappelijke waarschijnlijkheid is hier ook niet de kern van de zaak. Dit verhaal wil iets zeggen over de waarde van echt leven.

Verhaalopbouw
Na deze opmerkingen over de term 'sciencefiction' kom ik nu op de vertelwijze van de verhalen. Ik heb Klein Haneveld op mijn netvlies zitten als een vaardig schrijver, iemand van de 'klare lijn'. Dat zag ik in deze bundel ook zeker bevestigd. Hij heeft een goed gevoel voor register, niets is te formeel, te bloemrijk of juist te simpel, en er zit in de regel afwisseling in de zinnen. Zijn taalgebruik is vrij tijdloos; ik schat dat we het over een jaar of dertig niet als bijster ouderwets zullen ervaren.

Nu ik voor het eerst een hele bundel met verhalen van zijn hand las, viel me ineens op dat hij veel gebruikmaakt van een bepaald type verhaalopbouw. Daarin beginnen we in het hoofd van de verteller (ik-persoon of derde persoon enkelvoud) die op dat moment een intense fysieke actie uitvoert (klimmen, zwemmen, rennen) of intens iets waarneemt. De beschrijving daarvan is zeer gedetailleerd en beslaat regelmatig een of twee pagina's, waarbij als het ware elke vingerbeweging wordt benoemd. Door terloopse opmerkingen reikt de passage de lezer ook vragen aan: wat is hier aan de hand, waarom doet de verteller dit-of-dat? Deze vragen worden beantwoord in het volgende gedeelte, waarin de verteller een of andere ontdekking doet. Daarop volgt een inzicht, in de vorm van gedachten of uitleg door een ander personage. Dat inzicht levert vervolgens een besluit en een actie op.

Verhaaldetails en visualisatie
Een gevolg van deze vertelstijl is dat veel tekstvolume opgaat aan de lange en gedetailleerde beginpassage. Deze passage voegt in de regel niet veel wezenlijks toe aan sfeer, karakterisering of strekking. Soms, zoals in De wachtende vrouw, verdwijnen zelfs de spanningsboog en de samenhang. In dat verhaal kijken we door de ogen van verteller Ronald. Hij klimt, bereikt plekken, ziet daar dingen en trekt op de laatste pagina een conclusie voor zichzelf. Wat het nut is geweest van al het geklauter en van de diverse obstakels die hij onderweg tegenkwam, is mij niet duidelijk geworden.

Regelmatig is de blow-by-blow-beschrijving ook niet verhelderend. Bijvoorbeeld de openingspassage van De strijd der dryaden: 'De oorlogself leunde tegen de sponsachtige stam van de boom. Soraya hield haar linkerbeen gestrekt, met haar hak in het mos gestoken om zich overeind te houden. Haar hoofd lag achterover tegen de meegevende schors. Haar linkerarm hing naar beneden, onaangenaam strakgetrokken door het gewicht van de granaatwerper, naadloos aan haar pantser verbonden. Haar rechterhand, met daarin haar straalwapen, rustte op haar borst. Ze had nog slechts genoeg energie voor één schot.' Pas twee pagina's verder begreep ik dat Soraya en de oorlogself twee verschillende entiteiten zijn: de oorlogself is iets wat zij bemant. Maar of Soraya nu staat (omdat haar linkerarm naar beneden hangt) of ligt (omdat haar rechterhand op haar borst rust) begrijp ik niet. En leunt de oorlogself schuin tegen de stam aan en leunt zij daar weer tegenaan? Een dergelijke gedetailleerde maar toch onduidelijke beschrijving was geen uitzondering. Vooral in die beginpassages kon ik de verhaalsituatie vaak niet visualiseren. In De smaak van aardbeien, bijvoorbeeld, verkent de verteller in een duikerspak een onder water staand flatgebouw, daarbij geholpen door sensoren in zijn masker die hem informatie verschaffen. 'De scans tonen meer entrees van woningen om me heen, maar die doen er niet toe. Belangrijker zijn de treden, aflopend tot ze uit het zicht verdwijnen en omhoog tot voorbij het plafond, waar mijn gevoelige sensoren een beetje meer licht waarnemen.' Ik kan me hier niets bij voorstellen, behalve dat er kennelijk een trap is. Even later, als hij een verdieping heeft bereikt die boven de waterspiegel is, ontdoet hij zich van zijn kieuwen en zwemvliezen en propt ze 'bij elkaar onder een camouflagedoek'. Propt hij ze onder zijn kleding? Of ligt er in het gebouw een camouflagedoek waar hij ze onder legt ('propt')? Of legt ('propt'?) hij het zaakje neer en dekt hij het vervolgens af met een camouflagedoek die hij bij zich heeft? (Valt en camouflagedoek niet ongelooflijk op in een betonnen trappenhuis?) Ik kwam er niet uit.

De onduidelijkheden die ik ervoer tijdens het lezen werden ook nog eens regelmatig versterkt door redactionele onzorgvuldigheden. Bijvoorbeeld een zin als 'Ik weet dat ze ver gaan om kostbaarheden op te duiken, tot slavernij aan toe' (in In de Rotterdamse haven). Of in De ijzeren heuvel: '[De aashonden] hadden een duivels karakter, maar ze smaakten prima en hun huiden hielpen de mensen tijdens de lange nachten warm te blijven. De rest van het jaar droegen ze geen kleding, behalve een grauwe lendendoek.' Of een passage in De strijd der dryaden, waarin Soraya eerst bewegingen waarneemt 'in de kruin van de boom tegenover haar' maar waar de dryade even later kennelijk nog 'tussen de takken door' slingert. Of Ronald in De wachtende vrouw, die 's nachts in een grot slaapt en de volgende morgen zijn spullen in zijn rugzak pakt. 'Licht voorovergebogen liep hij naar de wand van de zaal links van hem.' Is 'de zaal' hetzelfde als de grot en loopt hij naar de linkerwand ervan? Of zijn er twee grotten/zalen? Maar bovenal: waarom worden deze details gegeven? Evenmin als de exacte stand van Soraya's lichaam tegen de sponsboom brengen ze het verhaal voor me tot leven.

Verhaal tot leven brengen
Een paar maanden geleden las ik IJsbrekers, Klein Hanevelds bijdrage aan de Zwijgende aarde-serie, en liep ook daar regelmatig aan tegen beschrijvingen die mij totaal niet in het verhaal brachten. Bijvoorbeeld: 'Toch sloop ik op mijn tenen naar de dichtstbijzijnde sluis [in] het centrale gedeelte. Via de kantine kwam ik bij het midden uit, een cirkelvormige ruimte met opzij de deuren van de liften.' Even later: 'Ik stond op een smalle rand om een ronde vijver. Op vier plekken liepen kanalen naar de omringende ruimtes en van daar via de sluizen naar de buitenste ring. De metalen bodem van de poel liep af naar het midden, waar zich een grauwe cirkel bevond. De luiken op die plek waren nu gesloten (...)' De schrijver ziet het kennelijk visueel en ruimtelijk allemaal precies voor zich maar doet geen moeite om het aan de lezer over te brengen op zo'n manier dat die zich er kan wanen. Dit is geen vertelling, dit is een verbale bouwtekening.

Jammer, want los van de onbegrijpelijkheid die zo'n passage regelmatig oplevert (althans voor deze lezer!) heeft het ook een neerslag op het verhaal als geheel. Dit soort beschrijvingen dragen heel weinig bij aan wat het verhaal uiteindelijk bij de lezer teweeg moet brengen. Klein Haneveld heeft sowieso de neiging om expliciet uit te leggen wat de lezer moet vinden. Het inzicht dat de verteller ongeveer op ongeveer 80% van veel van zijn verhalen krijgt, omvat in de meeste gevallen de strekking van het verhaal. Deze wordt dan bij monde van personages aan de lezer uitgelegd. Omdat personages ook regelmatig letterlijk worden beschreven als onethische types, hoeft er geen twijfel te bestaan over wat we moeten vinden. Smaken verschillen uiteraard, maar de kunst van een evenwichtig en doorwrocht verhaal vind ik juist dat de lezer aan de hand van de juiste informatie stap voor stap naar het moment wordt gebracht waar een enkele zin voldoende kan zijn om het besef 'O, zó zit het!' teweeg te brengen. Nu moet ik me eerst door allerlei nietszeggende en regelmatig onbegrijpelijke 'tell don't show'-tekst heenworstelen om vervolgens de bedoeling van het geheel op mijn bord gedeponeerd te krijgen.

Conclusie
Al met al moet ik zeggen dat ik overwegend kritisch ben over deze bundel. Ik heb er beslist een aantal fijne verhalen in aangetroffen. Het moeras vond ik beeldend en vervreemdend, de drie diepzeeverhalen in het midden overtuigden me. Ook de twists aan het einde van sommige verhalen vond ik geslaagd. Een of twee verhalen aan het einde hadden een weemoedige sfeer die me wel raakte. Je beseft hoe minuscuul we op deze rare, rondtollende bol eigenlijk zijn in het totaal van ruimte en tijd. Johan Klein Haneveld heeft veel in huis. Een sterke troef is zijn passie voor de natuur en zijn kennis van allerlei wonderlijks in de diepzee en de prehistorie, waaruit hij schijnbaar moeiteloos verhalen kan destilleren. Die fantasie en passie lijken ook nog eens onuitputtelijk. Daarnaast heeft hij op zich een fijne pen.

Waar ik in De laatste verkenner vooral over struikel is dat de meeste verhalen zo weinig lezersgericht zijn. Stilistisch/redactioneel mag Klein Haneveld flink zelfkritischer worden, wat overigens voor iemand met zijn taalgevoel geen enkel probleem hoeft te zijn. Daar waar het gaat om het hóe van het vertellen, denk ik dat hij na het voltooien van een verhaal eens de tijd moet nemen om te kijken hoe het resultaat voor lezers is. Wat moeten de lezer zien, horen, ruiken en voelen om er te kunnen zijn en alles te kunnen ervaren zoals hij het zelf voor ogen heeft? Hoe wordt het verhaal evenwichtig en niet topzwaar aan één kant? Welke details zijn wanneer nodig om de juiste puzzelstukjes in het hoofd van de lezer neer te leggen, en welke hoeven enkel in het hoofd van de schrijver te bestaan? En (als hij het label 'sciencefiction' belangrijk vindt) hoe kunnen de toekomstwerelden echt realistisch en visionair worden? Al deze zaken hebben te maken met afstand nemen tot het verhaal maar ook met bijvoorbeeld proeflezers inschakelen. Mijn beeld is dat Klein Haneveld zoveel plezier in het schrijven heeft dat hij de lezer uit het oog verliest. Dat is jammer. Nogmaals: hij heeft veel te bieden. Maar als de meeste van zijn verhalen blijven steken op het niveau van een haastig aan papier toevertrouwd idee dan zullen ze, vrees ik, de tand des tijds niet doorstaan.

Reageer op deze recensie

Meer recensies van Deborah van Duin

Gesponsord

Deze thriller trekt je razendsnel mee in een complot met onbetrouwbare staatslieden met hun eigen agenda's, internationale conflicten en hoogoplopende bedreigingen voor de samenleving.