Lezersrecensie
Het raadsel van de identiteit
“Dit gaat over twee broers. Dit gaat over fantasie en liefde. Over een pijl in de tijd zijn, met een staartje gender, een fliebeltje down, een restje rouw en om het geheel te schragen een fellowship.”
Zo vat Luck Omnibus zijn reis samen. Gefascineerd door een opgraving van een duizenden jaren oude religieuze vindplaats in Canada, waar 48 graven zijn gevonden van mensen met het syndroom van Down, besluit hij erheen te reizen om er een journalistiek stuk over te schrijven. Voor die tocht verzamelt hij een nogal willekeurig en bont gezelschap: zijn broer Job, die zelf het syndroom van Down heeft, Jobs vroegere sekswerker Gloria, haar vriendin Bunny en hun hondje Rainbow.
‘Niet zonder mijn broer’ is de derde roman van Han van Wieringen. Naast romans schrijft hij ook toneelstukken en poëzie, en dat is duidelijk merkbaar in de tekst. De dialogen zijn eenvoudig, maar krachtig en ontroerend, met weinig woorden die toch veel zeggen. De hoofdstukken zijn kort en laten de lezer via het volgen van de voorbereidingen en de reis kennismaken met de kleurrijke personages. De tocht lijkt een succes te zijn en heeft zelfs iets idyllisch. Totdat Job verdwijnt.
Hier schakelt van Wieringen over van de wetenschappelijke kijk naar de filosofische. Vragen over identiteit en verbondenheid komen op de voorgrond: wie ben je als je geen broer meer hebt, of wie was je voordat je broer er was? Bestaat daar überhaupt een woord voor? Het boek reikt geen sluitende antwoorden aan, maar verkent vooral de ruimte van mogelijke betekenissen. Waar Job graag vasthoudt aan duidelijke en concrete antwoorden, zoekt Luck juist in de onzekerheid en de onduidelijkheid. Niet alles laat zich oplossen of benoemen, iets wat ook wordt gesymboliseerd door de cover van het boek, waarop een dodecaëder staat afgebeeld: een object waarvan wetenschappers het nog altijd oneens zijn over de functie.
Tijdens de verdwijning van Job komt deze thematiek tot een hoogtepunt. Luck wordt geconfronteerd met angst en gemis, maar ook met herinneringen en verbeelding die steeds moeilijker van elkaar te scheiden zijn. De ervaring krijgt een bijna mythisch karakter, waarin tijd en plaats vervagen en de band tussen de broers los lijkt te komen van het alledaagse. Wat overblijft is geen heldere conclusie, maar een gevoel van betekenis dat zich niet laat vastleggen in woorden of verklaringen. Om het in Jobs woorden te zeggen: “O gewoon, hè.”