Lezersrecensie
Ai, als dat maar goed gaat
Wij gaan er allemaal aan en zijn het nog zelf schuld ook. Dat is het dystopische, dichterbij-dan-je-denkt-toekomstbeeld dat zich opdringt na het lezen van het boek "Uit het hoofd" van de Vlaamse historicus en webontwikkelaar Kris Merckx. Nergens zie je deze onthutsende finale van "Een geschiedenis van de menselijke intelligentie", zoals de ondertitel luidt, aankomen. Of wíl de lezer het niet zien? Sluit die liever de ogen als het onaangenaam dreigt te worden? Want onaangenaam wórdt het.
Het begint allemaal best gezellig in het boek. Tot enkele pagina’s voor de literatuurlijst – dus vlak voordat je bruut uit je dromen wordt gerukt – ben je best trots op je soort. Wij mensen zijn reteslim, daar kan zelfs de kienste kunstmatige intelligentie niet tegenop. Want, betoogt de auteur, ‘Shazam overstijgt de mens in het herkennen van muziek, maar kan niet fietsen of een baby verschonen.’ Daarmee tempert Merckx – zelfs nog op pagina 188 van zijn 200 pagina’s tellende betoog – al te hoge verwachtingen van artificial intelligence (AI). Hij zegt het ook gewoon letterlijk, de boef: ‘Veel AI-toepassingen lijken spectaculair, maar ze blijven beperkt.’ Niks aan het handje dus, we blijven de baas van het universum.
Dat danken we aan het feit dat we rechtop gingen lopen, haalt de auteur een verhandeling uit 1876 van Friedrich Engels aan: ‘Hierdoor kreeg de mens de handen (letterlijk) vrij om gereedschappen te ontwikkelen. Het vervaardigen van gereedschappen was een sociale activiteit die aanleiding gaf tot het ontstaan van taal en arbeidsverdeling.’
Dat werk verdelen wij wereldheersers het liefst in een groep van 150 soortgenoten. Zo doet iedereen z’n ding en draagt daarmee bij aan de overleving van de eigen clan. Met andere roedels hebben we in het begin van ons rechtoplopende bestaan overigens niet veel op, want die vissen in dezelfde vijver en stoten ons zo het voedsel uit de mond. Bezoekende buren worden daarom linea recta terug het bos ingestuurd.
Dat verandert als de landbouw ontspruit. Opeens is er voor iedere club een eigen stukje grond waarop voedsel kan worden verbouwd. Met de concurrerende jagers van weleer kan nu handel worden gedreven. Zo hoeft niet elk dorp zelf het wiel uit te vinden. Dat ruil je immers gewoon voor een vlijmscherpe handbijl met de raddraaier van twee stammen verderop.
Door al dat gehandel leren we veel over en weer. Om die nieuwe kennis te onthouden, gaan we elkaar – al dan niet rond het haardvuur – verhalen vertellen. Liefst in rijm, want dat is de smid zijn onthoudgeheim. Maar zelfs met de mooiste rijmschema’s kunnen we op den duur niet alle info vasthouden. Na eeuwenlang slimmigheidjes uitvinden om ons lijf te ontlasten, is nu ook het brein aan de beurt. Zijn opslagcapaciteit is immers eindig, de gegevensstroom verre van.
Het schrift biedt uitkomst. Officieel doet het zijn intrede halverwege het vierde millennium voor onze jaartelling, maar dat tijdstip staat de laatste jaren ter discussie, stelt Merckx: ‘In 1993 werd bij opgravingen bij het Kastoriameer in Griekenland een tablet (let op dat je het niet op z’n Engels uitspreekt, dat zou de geschiedenis pas écht veranderen, GS) met schrifttekens opgegraven dat na C14-koolstofdatering uit ongeveer 5260 v.Chr. bleek te stammen.’
Hoe dan ook, zo’n zesduizend jaar geleden komt het schrift serieus tot bloei. Informatie kan op steeds grotere schaal “uit het hoofd” worden gehaald en naar ingekerfde kleitabletten en handgeschreven boekrollen worden verplaatst. Na de uitvinding van de losse-lettersboekdrukkunst rond 1441 is het hek van de dam. Data zijn alom en voor steeds meer mensen beschikbaar.
Dat zet de Belgen Paul Otlet en Nobelprijswinnaar voor de Vrede Henri La Fontaine er in 1895 toe een databank aan te leggen van uiteindelijk meer dan twaalf miljoen steekkaarten over alle mondiaal gepubliceerde kennis. ‘Via brief of een telegraafverbinding konden mensen van waar ook ter wereld informatie opvragen’, legt Merckx uit. ‘Deze analoge zoekmachine, die de naam Mundaneum kreeg, ontving meer dan vijftienhonderd vragen per jaar.’ Na de invasie in 1940 vernietigen de Duitsers duizenden steekkaarten. Kennis is macht en die delen ze liever niet.
Eind jaren 1930 droomt ook de Brit H.G. Welsh (inderdaad, die van War of the Worlds) van een wereldencyclopedie. Hij is er – net als Otlet en La Fontaine – van overtuigd dat ongelimiteerde toegang tot universele informatie de mens naar wereldvrede kan leiden. De schat.
Inmiddels weten we wel beter. Sinds de geboorte van het wereldwijde web op 6 augustus 1991 zijn we er niet bepaald vredelievender op geworden. Sterker nog, we gebruiken al die verzamelde, opgeslagen en vrij toegankelijke kennis en kunde in dit wereldnaslagwerk maar wat graag om elkaar de koppen in te slaan. Daarvoor hoeven we de vijand niet eens meer in de ogen te kijken of van achteren te besluipen. Met het toetsenbord op schoot gaan we hem te lijf.
Wij ‘gewone’ mensen doen dat via sociale media voornamelijk met woorden. Overheden en bedrijven gaan ook over tot daden. China loopt daarin voorop. Sinds een Amerikaanse robot in 2017 de euvele moed had de Chinese Go-kampioen te verslaan, zet de regering alles op alles om in 2030 de wereldleider op het gebied van kunstmatige intelligentie te zijn. En ze is al aardig op weg. Op pagina 196 schetst Merckx hoe het er nu al aan toegaat in de volksrepubliek. ‘China zet AI […] massaal in voor gezichtsherkenning en een sociaal puntensysteem, waarbij burgers worden beoordeeld op basis van hun gedrag. Met behulp van big data beslist een AI hoeveel sociaal krediet iedere burger verdient. Wie te veel punten verliest in dit sociale kredietsysteem, wordt bestraft met:
1.een verbod om het vliegtuig of de trein te nemen;
2.beperkte internetsnelheid;
3.het ontzeggen van toegang tot de beste scholen voor hun kinderen;
4.het ontzeggen van bepaalde banen;
5.het ontzeggen van toegang tot bepaalde (betere) hotels;
6.het afnemen van je hond;
7.een publiekelijke bestempeling als een “slecht burger”.’
Weg vrijheid en autonomie.
Ja, maar dat komt uit de koker van president Xi Jinping, denk je wellicht, onze Mark doet zoiets niet. En je gaat over tot de orde van de dag. Liket links wat op Facebook, plaatst rechts wat op TikTok. Waarmee je winstbeluste techbedrijven en een wereldheerschappij nastrevende overheid je persoonlijke gegevens – van locatie via beeldmateriaal tot biometrische data – op een presenteerblaadje aanbiedt.
Koekje erbij?
Denk je nu nog steeds dat het zo’n vaart niet zal lopen? Dan geeft Merckx je in de allerlaatste paragraaf van zijn boek de genadeklap. ‘Wanneer een computer menselijke intelligentie bereikt […] dan stopt het voor AI niet. Nick Bostrom, Ray Kurzweil, Bill Gates, Elon Musk… waarschuwen voor dit schakelmoment: de singulariteit. Kunstmatige intelligentie zal zich dan, volgens sommigen, vanaf dat moment in razend tempo verder blijven ontwikkelen. Menselijke intelligentie is volgens hen geen eindpunt, maar een kantelpunt, waarna menselijke intelligentie snel overbodig lijkt te worden [...].’
Mensen überhaupt, eigenlijk. Ons verlangen naar het bedenken van gereedschappen die ons werk uit handen en hoofd kunnen nemen, lijkt zich op niet al te lange termijn tegen ons te keren. Want nu al, stelt Merckx, pikt AI de banen in van vertalers, telemarketeers, vrachtwagenchauffeurs en caissières, terwijl robotjournalisten intussen al twintig jaar duizenden artikelen per dag voor Wikipedia schrijven.
Het lijkt nog slechts een kwestie van tijd voordat machines alles van ons overnemen. Waarmee kunstmatige intelligentie de beste én de laatste uitvinding van de mens zal zijn.
Ai!
**
Deze recensie is geschreven op basis van de eerste druk (2022) en verscheen – nét iets anders – ook in Nieuwe MensaBerichten.