Advertentie
    Nico Hebban Recensent

De anekdote waarmee het Boekenweekessay van 2020 begint is al voor de verschijningsdatum tot een relletje uitgegroeid. Wie het gemist heeft: Özcan, beter bekend als Eus, maakt vóór een van zijn optredens in het land een praatje met de plaatselijke boekhandelaar. De man verzucht: ‘De vrouw van de bakker, een paar panden verderop, stond van de zomer plotseling ook in mijn winkel – voor het eerst. Ze kocht voor haar vakantie vier boeken van Riley. Normaal zie ik dat soort volk nooit. En eerlijk gezegd, onder ons, ik weet niet eens of ik daar zo blij mee ben.’ Oeps. Het is de vraag of de man in zijn woonplaats nog over straat kan.

Maar het citaat past wel perfect in Eus’ betoog: de literaire wereld moet hoognodig iets aan zichzelf doen. In dit tamelijk langdradige essay trekt hij van leer tegen de houding van literair Nederland en eigenlijk het hele boekenvak. Dat zou lijden aan een in zichzelf gekeerde houding en het onvermogen onder hun eigen glazen plafond-meetlat door te kijken. Ook hekelt hij het algemene dedain van (literaire) schrijvers/uitgevers – want wat is er mis met ‘gewone’ boeken en schrijvers? Of een beetje spektakel rondom bijvoorbeeld een boeklancering?

Zijn doel is nobel. Hoe krijgen we ooit jongeren gemotiveerd om een boek op te pakken, laat staan te lezen, als we niet eens met ze in gesprek willen gaan? Met een aantal voorbeelden laat de schrijver zien hoe het contact tussen de grachtengordelelite en de working reading class niet best is. Sterker: er is amper contact, althans niet tussen de schrijvers en het volk. Alle interactie vindt plaats in hun eigen scribentenbubbel:

“Ik wil maar zeggen: er wordt enorm veel over boeken geouwehoerd, volgens mij kun je bijna elke dag wel naar een literair evenement, alleen levert dat in de praktijk bar weinig op. Als die schrijvertjes weer aan het oreren zijn over hoe het allemaal hoort, moet ik denken aan een generaal zonder leger. Iemand die onverstoorbaar op een podium staat en zijn strijdplan uitlegt, compleet met tekeningen en strategieën, terwijl er niemand luistert. De manschappen zijn uit verveling wat anders gaan doen. Waar is eigenlijk de oorlog? De generaal heeft geen leger. En deze schrijvers hebben geen lezers. Desondanks blijven ze met veel aplomb anderen uitleggen hoe het allemaal moet.”

Ook literaire critici krijgen ervan langs, zoals Jeroen Vullings die het goedbedoelende boekenpanel in DWDD afkraakt. Er is zelfs sprake van een soort inteelt in boekbesprekende kringen: ons kent ons en dat leidt soms tot merkwaardige, niet geheel realistische recensies. Deze stelling wordt overigens geïllustreerd met enkele inderdaad tot nadenken stemmende voorbeelden.

Zo zet Eus langzaam opbouwend en het synoniemenwoordenboek niet sparend, zijn grieven uiteen. Zoals we van hem gewend zijn lardeert hij zijn teksten met grappen en grollen. Dat maakt alles prima leesbaar voor een breed publiek, geheel passend in zijn eigen verhaal. De overkoepelende conclusie komt pas tegen het einde van het essay. Voor de oplettende lezer komt die niet meer als een volslagen verrassing.

Reacties op: Een afrekening in het literaire milieu

262
Generaal zonder leger - Özcan Akyol
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
E-book prijsvergelijker